front fotoDit voorjaar kwam de wetenschappelijke bundel Dutch Racism uit. In ruim twintig artikelen worden kenmerken van Nederlands racisme behandeld door diverse wetenschappers uit binnen- en buitenland. Nieuwwij.nl bespreekt met diverse auteurs de inzichten uit het boek. Ditmaal vragen we Lida van den Broek naar haar onderzoek over diversiteit op de werkvloer. Het probleem is duidelijk: witte Nederlanders passen zich niet aan aan de multiculturele samenleving en houden hun racistische reflexen in stand.

Door: Bart Mijland

Lida van den Broek is organisatieantropoloog en verzorgt als eigenaar van Kantharos trainingen in het managen van diversiteit. Ze schreef de boeken Hoe zit het nou met wit en Gein, ongein, pesten: over macht en territoriumspelletjes, intimidatie en discriminatie op het werk. In 2009 verscheen haar proefschrift De ironie van gelijkheid, over etnische diversiteit op de werkvloer. Toen ze hoorde over de plannen voor Dutch Racism nam ze contact op met redacteur Philomena Essed. Samen selecteerden ze een casus uit haar proefschrift om te behandelen in Dutch Racism.

In die casus beschrijf je hoe bij een bekend mediabedrijf, alle goede bedoelingen ten spijt, racisme een goede samenwerking in de weg staat.
“Ja, het is een voorbeeld van hoe het vaak mis gaat. Het gaat om een Turkse en een Marokkaanse medewerker in een nieuwsteam dat zich richt op de multiculturele samenleving. Deze journalisten werden expliciet aangenomen vanwege hun achtergrond, omdat zij daarmee gemakkelijker toegang zouden krijgen tot Turkse en Marokkaanse bevolkingsgroepen in Nederland. Dat bleek voor autochtone medewerkers immers lastig. Het ‘anders-zijn’ woog zwaarder bij de selectie dan journalistieke ervaring. Maar al gauw klaagden de autochtone collega’s over de werkwijze en communicatie van de twee journalisten. Het team toetste hen ineens aan criteria waarop ze niet waren aangenomen. Opeens was het een probleem dat ze niet ‘hetzelfde’ waren. Het ‘anders-zijn’ werd toen ze eenmaal aan het werk waren niet geaccepteerd. Dat er daardoor sprake was van ongelijke behandeling had men niet door. Dat komt door wat ik de ‘ideologie van gelijkheid’ noem. In Nederland staat het idee dat we allemaal gelijk zijn hoog in het vaandel. We willen niet discrimineren, maar dat doen we toch. Dat is de paradox: het ideaal zit er zo ingebakken dat we die discriminatie niet onder ogen willen zien.”

Waarom leren we dat niet af?
“Er zijn drie mechanismen die dit in stand houden. Het eerste is selectieve waarneming: dat is wat we wel en niet (willen) zien. In dit geval werd het oorspronkelijke selectiecriterium: ‘anders-zijn’ in de praktijk niet gewaardeerd of erkend. In de ogen van de witte* collega’s voldeden de heren niet aan het beeld van de ‘normale’ – dat wil zeggen ‘witte’ – journalist. Het tweede mechanisme, perceptuele vertekening, is een logisch gevolg. Dat betreft de interpretatie van wat je ziet. De heren functioneerden in de ogen van hun collega’s niet ‘hetzelfde’ en dus werd geconcludeerd dat ze slecht functioneerden. Het laatste mechanisme is personificatie: dat je betekenis geeft op basis van hoe je een individu ziet, in plaats van rekening te houden met de situatie. Dus bij de zwarte journalisten werden problemen al gauw aan hun achtergrond gekoppeld, aan culturele verschillen. In plaats van het waarderen van het verschil, waarop ze immers waren aangenomen, werd hen verweten dat ze zich onvoldoende aanpasten. Dat de witte collega’s en hun oordelen het probleem waren werd niet herkend.”

Het gaat dus niet om incidenten?
“Nee, deze mechanismen zie ik overal. Ze houden het idee in stand dat met wit niets mis is, dat wit zich niet hoeft aan te passen aan de multiculturele samenleving. En dat ligt niet alleen aan witte medewerkers. Vaak durven allochtone medewerkers er niets van te zeggen, omdat de ongelijke behandeling meestal heel subtiel is waardoor men denkt dat het aan henzelf ligt. Ook wil men de eigen carrière niet in gevaar brengen door het aan de orde te stellen. Zo was het ook bij de twee journalisten. Ze vergoelijkten de ongelijke behandeling. Daarmee hielden ze wel het systeem in stand.”

In je werk bij Kantharos probeer je werknemers met dit soort mechanismen bekend te maken. Hoe gaat dat in zijn werk?
“De trainingen verschillen per werkomgeving, want hoewel racisme overal voorkomt, is de manier waarop verschillend. Op de werkvloer in een fabriek bijvoorbeeld is men vaak heel direct, ook als het gaat om seksisme of homofobie. Dat pak je anders aan dan op kantoren waar het vaak veel subtieler is. We gebruiken diverse spelvormen om mensen inzicht te geven in die mechanismen en in de automatische reflexen die we allemaal hebben. Het gaat niet per se om het weghalen van die reflexen, het zit zo diep dat het de vraag is of dat mogelijk is. Het is belangrijk om te leren herkennen wanneer het gebeurt en dan te leren wat je er mee doet, hoe je het hanteert. Dat is wat we als witten kunnen doen: de reflexen herkennen en er niet naar handelen zodat je de mens ziet en niet zijn afkomst. Maar het is niet eenvoudig.”

Hoe heb je dat zelf geleerd?
“Vroeger was ik actief in de vrouwenbeweging en een zwarte vrouw uit de beweging zei toen eens: jullie moeten ook aan racisme werken. Ik vond dat aanvankelijk maar flauwekul. Dit is wat heel veel witten in eerste instantie denken: ‘Ik ben niet racistisch!’ Maar veel mannen vonden ook dat zij niet seksistisch waren en wij vonden van wel. Dus ben ik toch nagegaan hoe het bij mij zat. Dat deed ik met een aantal vrouwen in praatgroepen. We stelden ons de vraag: Waar zit het in en hoe doe je het op? Zo heb ik een socialisatietheorie ontwikkeld over hoe je iets meekrijgt, zonder dat je daar om vraagt. Daar gaat mijn allereerste boek over: Hoe zit het nou met wit? Maar ook mijn liefdesleven was een belangrijke aanleiding. Ik kreeg een relatie met een zwarte vrouw en zij maakte dagelijks racisme mee. En zelf ging ik regelmatig ook de fout in, daar heb ik heel veel van geleerd. Pijnlijk is dat wel en het dwong mij er aan te werken.”

Dus het is niet zo vanzelfsprekend dat je Kantharos heb opgericht?
“Nee, ik heb lang tegen mezelf gezegd: ‘in het land der blinden is eenoog koning’. Aanvankelijk wist ik er ook nog heel weinig van. Ik moest het allemaal ontdekken en dat was heel interessant, maar ook heel emotioneel omdat je steeds tegen jezelf aanloopt. Het was de eerste jaren echt zwaar. Mijn collega en ik zaten na zo’n trainingsdag in de auto samen te janken. We wilden soms stoppen, maar gingen toch door.”

Ben je nu van je racisme af?
“Nee, ik denk dat je dat nooit echt bent. Het zit zo ingesleten. Toen ik net in Drenthe woonde, een paar jaar geleden, zag ik een zwart gezin op straat en het eerste wat ik dacht was of er een asielzoekerscentrum in de buurt was. Dat was de eerste reflex. Alsof die mensen daar niet gewoon konden wonen! Door je die eerste reflex te realiseren kun je hem ook weer wegzetten en de realiteit onder ogen zien. Ik denk dat ik veel reflexen kwijt ben, maar niet allemaal. Ik ben nog niet toegekomen aan het lezen van Dutch Racism. Dat ga ik in de zomervakantie doen. Ongetwijfeld zal ik er weer van leren.”

Waarom is dat bewustwordingsproces in Nederland zo moeilijk?
“Veel mensen in het ‘interculturele’ wereldje zijn gestopt met het aanpakken van racisme omdat ze het te moeilijk vonden. Ze zijn zich meer op interculturele communicatie gaan richten. Dat doe ik ook wel, maar pas in een latere fase van de training. Voor mij is racisme het beginpunt. Als je een rotte fundering niet weghaalt, dan is het gebouw dat je er op bouwt niet veilig. Nederlanders integreren onvoldoende in de multiculturele samenleving. We roepen wel steeds dat allochtonen zich niet aanpassen, maar realiseren ons niet dat ook wij ons moeten aanpassen aan de nieuwe samenstelling van onze samenleving.”

* Van den Broek spreekt over ‘wit’ en ‘zwart’, waarbij onder zwart iedereen die niet wit is wordt verstaan.

Bart Mijland is humanisticus en werkt als zelfstandig kennismakelaar op het gebied van duurzaamheid en diversiteit.

Nog geen reactie — begin de discussie!