Marli HuijerDe grote steden van Nederland zijn veranderd in een superdiverse samenleving. Mensen van verschillende etnische, culturele en religieuze achtergronden leven en werken samen. Welk gereedschap bieden filosofen ons om met al deze verschillen om te gaan? Eerder legde ik deze vraag voor aan Henk Oosterling. Vandaag een gesprek over de superdiverse samenleving met filosofe Marli Huijer. Zij is Denkeres des Vaderlands, bijzonder hoogleraar aan de Erasmus Universiteit en lector aan De Haagse Hogeschool

Door: Mariska Jansen

Wat houdt de functie van Denker des Vaderlands in?
“Dat je filosofie voor een groot publiek toegankelijk maakt. Ik wil laten zien hoe leuk en belangrijk filosofie is, en hoeveel je ermee kunt. Filosofie gaat over alles wat je tegenkomt in het leven. Of het nu de nieuwste smartphones zijn, een onverwachte ziekte waarmee je geconfronteerd wordt, het verlies van een ouder, of je houding ten opzichte van toerisme.”

U noemt zichzelf denkeres. Denken vrouwelijke filosofen over andere dingen na?
“Vrouwelijke filosofen nemen een net iets andere aanvliegroute. De Duitse filosoof Heidegger denkt bijvoorbeeld vooral na over de dood en wat de mogelijkheid dat je er straks niet meer bent impliceert voor het menselijk bestaan. Terwijl Hannah Arendt, een van zijn leerlingen, veel meer geïnteresseerd is in wat nieuw leven, nataliteit, ‘geboortelijkheid’ voor het mens-zijn betekent.”

Uw centrale idee is ‘tussendenken’. Wat betekent dat?
“Tussendenken kun je op twee manieren opvatten. De eerste is dat je nadenkt over dat wat er tussen mensen is, zoals de ordening van de tijd en gedrag of de inrichting van de ruimte. Een goede tijdsordening of aangename ruimtelijke inrichting kunnen het eenvoudiger maken om elkaar te ontmoeten, om vriendschap te sluiten of om vreedzaam conflicten uit te vechten. Pleinen en andere openbare ontmoetingsruimtes dragen ook bij aan actief burgerschap: je ontmoet elkaar makkelijk, raakt in gesprek of debat en besluit samen om iets te doen of te organiseren.

Tussendenken gaat ook over hoe mensen zich tot elkaar verhouden. Mensen verschillen in veel opzichten, de een is lang, de ander kort, de een heeft één culturele achtergrond, de ander twee of meer. De een is hoog opgeleid of heeft een goede maatschappelijke positie, de ander niet. Dan heb je ook nog mannen en vrouwen en alles daartussen. Om die verschillen tot hun recht te laten komen is het belangrijk om de publieke ruimte zo divers mogelijk te laten zijn.

Als er een monocultuur is en je wijkt daarvan af, dan val je op. Ook als je maar een klein beetje anders bent. Susan Neiman, een Amerikaanse filosofe met een joodse achtergrond, vertelde in een interview dat ze blij is dat haar woonplaats Berlijn zo multicultureel is geworden. Nu is ze er geen exotische soort meer. Jaren geleden woonde ze er ook en vroegen mensen haar wat een jodin in Berlijn doet. Een monocultuur, waarin iedereen op iedereen lijkt, vermindert de vrijheid om er anders uit te zien. Individueel en collectief houden de leden ervan een onvrijheid in stand waarvan eigenlijk iedereen de dupe is.

Als je wilt dat we vrij zijn om ons haar in een gekke kleur te verven, met een string op de fiets te zitten – dat was de sfeer in Amsterdam in de jaren zeventig – of een boerka te dragen, dan moet je zorgen dat je die pluraliteit handhaaft. Hannah Arendt richt zich daartoe op de publieke sfeer. Hoe kunnen we die zo vormgeven dat we verscheidenheid niet wegdrukken maar juist ruimte geven?”

In uw woonplaats Amsterdam is geen autochtone meerderheid meer, dus u leeft te midden van diversiteit. Hoe heeft dat uw denken beïnvloed?
“In Amsterdam-Oost, waar ik woon, is dat proces al veel langer gaande. Hoe diverser je omgeving wordt, hoe meer je met je neus op je eigen culturele achtergrond wordt gedrukt. Filosofisch gezien is dat een groot goed. Mijn werkveld, de filosofie, is een merendeels witte, mannelijke aangelegenheid. Behalve op internationale congressen kwam ik binnen mijn vak weinig mensen uit andere culturen tegen. Dat veranderde toen ik als lector op De Haagse Hogeschool ging werken. Daar kreeg ik opeens te maken met studenten die ouders hebben uit allerlei windrichtingen en in mindere mate ook met docenten die twee of drie culturele achtergronden hebben. Ik realiseerde me dat mijn eigen vakgebied totaal niet bij deze cultureel diverse studentenpopulatie past.

Langzaam maar zeker zie ik ook op mijn werk bij de Erasmus Universiteit studenten uit andere culturen komen. Dan kan het voorkomen dat een student zegt: ‘Tja leuk en aardig die filosofie, maar er werken hier merendeels witte Nederlanders aan de faculteit. Wat is dan mijn toekomst in de wetenschap?’ Dat drukt je met de neus op de feiten. Als je wilt dat hoogopgeleide jonge mensen met een dubbele culturele achtergrond ook in de toplaag van Nederland terecht komen, dan zullen we nog behoorlijk wat werk moeten verzetten. Eerste-generatie studenten hebben vaak een minder goed sociaal netwerk dan mijn eigen kinderen of die van andere wetenschappers. Dat is wrang.”

Bent u ook inhoudelijk anders gaan denken?
“Ik ben me meer gaan interesseren voor islamitische filosofie en het denken uit andere continenten. In Nederland verschijnt dit najaar de vertaling van een boek van Achille Mbembe, een hedendaagse Afrikaans filosoof. Van Afrikaanse schrijvers begrijp ik dat er een flink reservoir aan Afrikaanse filosofie is, vaak mondeling overgedragen en in bezit van een gemeenschap. En dan is er natuurlijk nog Indiase, Japanse, Chinese filosofie en ga zo maar door. Dat krijg ik in mijn leven niet meer allemaal in mijn hoofd. Dat is lastig omdat het er toch naar uitziet dat heel Nederland, het Westen en misschien zelfs de hele wereld een steeds verdergaande diversiteit zal kennen. Je zult je onderwijsmateriaal moeten aanpassen, zodat studenten zien dat de cultuur van hun ouders ook wetenschappers, biologen en filosofen heeft voortgebracht.

Een zwarte theatermaakster uit Nederland die in Los Angeles studeerde, vertelde in een gesprek hoe verbaasd ze was toen ze daar ontdekte ze dat er zwarte scenarioschrijvers zijn. Hetzelfde geldt voor vrouwelijke filosofiestudenten. Zij bestuderen nu vrijwel alleen filosofische teksten van mannen. Ook zij vragen zich af welke toekomst er hier voor hen ligt: ‘Ik kan straks misschien wel in de filosofie een baan vinden,  maar hoe groot is de kans dat ik een beroemd filosofieboek ga schrijven?’”

Wat mist u in het maatschappelijk debat over samenleven?
“Soms nemen mensen onvoldoende tijd om met elkaar tot overeenstemming te komen. Er worden te snel meningen gespuid. Om tot een gedeelde overtuiging te komen is onderling overleg en debat nodig. Pas in gesprek met anderen ga je echt nadenken over je standpunten. Dan moet je ook argumenten verzinnen om je standpunten te verdedigen.

Er zijn veel bureautjes die niets liever doen dan opinies peilen onder de bevolking. Maar dat zijn slechts de voorkeuren van het moment. Er hoeft maar iets te gebeuren en mensen veranderen hun mening. Er wordt veel politiek bedreven op grond van deze opiniepeilingen. Dat vind ik zorgwekkend. Ook in de Tweede Kamer moet je continu ervoor zorgen dat mensen in debat gaan en gesprekken met elkaar voeren. Zodat mensen nadenken over hoe je een specifiek probleem aanpakt in plaats van alleen maar overal Kamervragen over te stellen voor de bühne. Dat vind ik een vervlakking van het politieke proces.

Ik zat daarnet in de trein en achter me zaten drie meiden te praten over transseksualiteit. Een van hen zei: ‘Het zou mij niets uitmaken hoor als mijn zoon later een vrouw wil zijn’. ‘Wáat’, zei een andere jonge vrouw, ‘en stel dat je man opeens transseksueel is?’ Vervolgens spraken ze over wat de imam daar dan van zou zeggen. Ze waren wel drie kwartier bezig om dat helemaal uit te melken. Toen dacht ik: ‘Zo hoort het, gewoon in het openbaar in de trein met elkaar van gedachten wisselen’.

Hoe vergroot je de onderlinge betrokkenheid tussen mensen?
“Je zou kunnen zeggen: die hoef je niet te vergroten. Er zijn al zoveel mensen die initiatieven nemen in de stad, laat dat maar zo gaan. Maar onderzoek van Evelien Tonkens laat zien dat de overheid hierin een belangrijke faciliterende rol heeft. Projecten die met geld of infrastructuur worden ondersteund hebben meer kans om succesvol te zijn dan wanneer dat niet het geval is. Dat betekent dat er ook op politiek niveau creatieve ideeën nodig zijn om de betrokkenheid te vergroten.

Culturen hebben de neiging om zich naar binnen te keren, dat hebben Nederlandse Nederlanders maar ook Turkse en Marokkaanse Nederlanders. We voelen ons prettig in onze eigen kring. Het vergt bepaalde burgervaardigheden om buiten ons kringetje te stappen. Maar ook om hoe je op een goede manier kunt spreken en samenwerken met mensen die anders zijn dan jij.”

Hebben we al meer gemeenschapsgevoel? Ziet u al een nieuw wij ontstaan?
“Ik houd meer van het woord netwerk dan van gemeenschap. Gemeenschap heeft de associatie van een vaste plek. Dat past niet past bij de hoeveelheid transities die de hedendaagse mens maakt. De socioloog Zygmunt Bauman heeft het in dit verband over lichte gemeenschappen. We sluiten ons net zo gemakkelijk bij een gemeenschap aan als dat we deze weer verlaten. We zijn onderdeel van netwerken. Ook al zijn we niet op één plek, toch kunnen we ons met elkaar verbonden voelen. Digitale media helpen daarbij, maar ook het gemak waarmee je over de wereld kunt reizen. Dat geldt vooral voor westerse mensen, maar ik verwacht dat meer mensen vaker de mogelijkheid krijgen om te reizen. We worden een nog veel meer migrerende, of nomadische, soort dan we nu al zijn. We zijn knopen in een netwerk en het is belangrijk om dat netwerk steeds te onderhouden.

Op De Haagse Hogeschool merken docenten dat studenten graag samenklitten met studenten met eenzelfde etnische achtergrond. Aan een student met Turkse ouders vroeg ik een keer wat hij na zijn opleiding wilde doen. Hij bleek bij BNN te willen werken. In zo’n geval zeg ik: ‘Nou dan mag je wel eens wat aan je netwerk gaan doen. Als je werkelijk daar terecht wilt komen, dan moet je nu beginnen om ook vriendschappen aan te gaan met mensen met een andere culturele achtergrond. Dan moet je zorgen dat ze onderdeel van je netwerk worden en moet je zelf niet binnen je eigen subgroep blijven.

Ook witte, hoogopgeleide mensen hebben de neiging om samen te klitten. Ook hen ontbreekt het aan vaardigheden om buiten de kring te kijken. Ik vraag me soms af of mensen in de lagere en middelbare beroepen eigenlijk niet al veel vaardiger daarin zijn dan de bovenlaag. Als je in Amsterdam naar het zwembad gaat, zijn de badmeesters en de caissières zeer divers. Net als de verkoopsters in klerenwinkels. Het zal niet lang meer duren of ook de bovenlaag zal eraan moeten geloven. Eigenlijk zou die juist het goede voorbeeld moeten geven! Hoe zorg je dat er op je werk en je verjaardag niet alleen mensen van je eigen soort zijn? Dat vind ik zelf ook lastig. Het kost energie en je moet flink investeren om dat voor elkaar te krijgen.”

Welke filosoof inspireert u het meest bij het nadenken over de samenleving?
“De Franse filosoof Michel Foucault. Hij maakt je bewust van hoezeer je een kind bent van je eigen tijd en gevormd wordt door de gangbare machtspatronen en manieren van spreken. De alertheid die hij mij bijbrengt vind ik heel belangrijk om vast te houden. We moeten ons steeds opnieuw realiseren: ‘Wat maakt mij tot wie ik ben?’”

Als u een advies aan burgemeester Van der Laan zou moeten geven over een leefbare stad, welk advies zou dat zijn?
“Dat zeg ik pas over twee jaar. Ik wil eerst met nog veel meer mensen spreken. En als filosoof aarzel ik ook of dat advies wel echt van mij moet komen. Het gaat mij erom processen in gang te zetten die mensen aan het denken zetten waardoor zij weer bij Van der Laan op de stoep komen te staan.”

Welke wijsheid wenst u ons toe?
“Schroom niet het leven moeilijk te maken. Het leven wordt interessanter als je vragen stelt. Als je bij alles gaat denken: ‘Is dat eigenlijk wel zo?’. Als je zicht hebt op wat er allemaal mogelijk is, dan heb je ook de instrumenten in handen om te bedenken hoe je het zelf zou willen. Het is spannend je te realiseren dat het ook heel anders zou kunnen dan je vanuit je opvoeding of omgeving hebt aangereikt gekregen.”
__

Dinsdag 30 juni open Marli Huijer om 9.00 uur de Keti Koti 24-uurs dialoog estafette aan de voet van het Slavernij Monument in Amsterdam. Daar gaan wit en zwart met elkaar in gesprek over thema’s die te maken hebben met de erfenis van de slavernij. En: op 15 maart j.l. was Marli Huijer te gast in het programma De Nieuwe Wereld. Klik hier om deze uitzending te bekijken.

Mariska Jansen is redacteur van Nieuwwij.nl

Al 2 reacties — praat mee.