De Marokkaanse vader van Samira Dainan was een kunstenaar die naar Nederland trok op zoek naar meer vrijheid. Hij stierf in 2012, net voordat Samira een maand naar Jeruzalem ging voor een muziekproject. Op dat kruispunt van religies, culturen en conflict zocht ze troost. Haar boek Veertig dagen is daar een boeiend en ontroerend verslag van.

Door: Loes Liemburg

Kun je samenvatten waar Veertig dagen voor jou over gaat?
“Het boek is ontstaan uit een blog. Ik wilde iets nalaten voor mijn vader, want hij was zo plotseling overleden. Van een vriend hoorde ik over de rouwperiode van veertig dagen die veel religies kennen. Dat vond ik mooi, daar wilde ik een moderne variant van maken. Toevallig viel die rouwperiode samen met de periode dat ik in Jeruzalem was voor een muziekproject.

Veertig dagen gaat dus over mijn zoektocht naar troost in Jeruzalem, waar zoveel mensen troost zoeken. Tegelijkertijd is het een zoektocht naar mijn wortels, die ik voor mijn gevoel verloor toen mijn vader wegviel.”

Je vader was moslim; jijzelf lijkt in het boek eerder zoekend. Welke rol speelt religie in je leven?
“Met mijn vader heb ik van jongs af aan de islamitische gebruiken gevolgd, de feestdagen gevierd en de verhalen uit de Koran gelezen. Aan de armen denken, in het dagelijks leven bezieling zoeken en vijf keer per dag stilstaan bij iets dat groter is dan jij: dat sprak me aan. Maar mijn vader liet me vrij, hij zei nooit: je móet geloven.

Mijn Nederlandse moeder, door wie ik grotendeels ben opgevoed, kwam uit protestantse hoek. Hoe verbind je die twee? Dat kun je als kind niet snel oplossen, maar ik voelde wel dat beide tradities mij evenveel waard waren. Dankzij haar Indische roots is mijn moeder ook geïnteresseerd in het boeddhisme. Islam – christendom – boeddhisme: dat vind ik wel een mooie drie-eenheid.”

Is je kijk op het geloof veranderd na Jeruzalem?
“Jeruzalem betekende eigenlijk een versterking van wat ik altijd heb gevoeld. Mijn vader zei: je hoeft aan niemand verantwoording af te leggen, je geloof is iets tussen jou en God. Dat sluit voor mij mooi aan bij het soefisme (de mystieke islam, LL), dat wel de ‘religie van het hart’ wordt genoemd. Dat gaat om jouw persoonlijke relatie met God, en niet om de vraag of je het wel goed doet en strikt alle regels volgt, daar is God volgens mij echt niet zo mee bezig.”

Je hebt een Marokkaanse vader en een Nederlandse moeder. Heb je ooit het gevoel gehad tussen twee culturen te vallen?
“Ik zie mezelf meer als ván twee culturen. En die zijn niet gemaakt om met elkaar te rijmen. Dat merk je bijvoorbeeld aan hoe er in Nederland wordt gekeken naar Marokkanen. Ik ging naar witte scholen, naar het gymnasium en de universiteit. De tendens was daar: je hoeft er niet trots op te zijn dat je Marokkaans bent.

Maar later heb ik dat ingehaald. Ik ben in mijn eentje gaan reizen in Marokko en heb mijn Marokkaanse wortels heroverd. In Nederland had ik alleen mijn vader en verder weinig contact met de Marokkaanse gemeenschap. Nu heb ik een enorm diverse groep Marokkanen om me heen verzameld, mooie linkse intellectuelen. Ik zie nu dat je als Marokkaan wél trots kunt zijn. Ik heb mijn twee culturen nu aan elkaar kunnen lijmen.”

En met welke van de twee identificeer je je het meest?
“Nederland zit in mijn hoofd, Marokko in mijn hart. Nederland is het land van de kansen, de carrière, van dingen opbouwen. Marokko is meer een land van gevoel, van zien ook dat het leven niet maakbaar is.

Na de dood van mijn vader is misschien het verlangen versterkt om een nog grotere band met Marokko te hebben. Ik heb mijn hele leven in Amsterdam gewoond, maar de laatste tijd ben ik veel bezig met muziekprojecten in Marokko. Ik vind het fijn om daar te zijn, ik voel me daar heel welkom, krijg echt het gevoel dat ik erbij hoor. En de warmte, het kleurrijke… het leven is daar heel intens. Dat geeft energie: vanuit het geordende Nederland kan ik genieten van de chaos.

Maar dat is natuurlijk een luxepositie, want er is ook frustratie. Marokko is echt een derdewereldland op veel gebieden, mensenrechten worden er bijvoorbeeld niet gerespecteerd. Dus ik idealiseer het niet; het moet niet gemakkelijk zijn om er te wonen.”

Je vader werd in Marokko begraven. Vond je dat prettig?
“Ja, dat was mijn keuze. Ik wist niet wat hij wilde. Maar ik dacht: hij moet terug. Hij was al jaren niet teruggegaan, en iedereen die hij kende woont in Marokko. Ik vond het wel heftig, het was mijn eerste islamitische begrafenis. Tijdens de begrafenis voelde ik me ook buitengesloten, want als vrouw mocht ik niet mee. Dat was schrikken, maar ik ben er tegenin gegaan.

Het moeilijke was dat de mannen dat eigenlijk wel best vonden, maar dat nota bene de vrouwen het afkeurden. Dat paste niet bij mij, ik ben door mijn vader juist als een gelijke opgevoed.”

samiraIk las in je boek wel vaker ergernis over de man-/vrouwverhoudingen in Marokko en Jeruzalem. Kun je daar iets meer over vertellen?
“Ik kende het al van Marokko. Je kunt daar lastig onopgemerkt als vrouw over straat. Het is een groot probleem dat in de traditie ingebakken zit. Vrouwen houden het zelf ook in stand: er heerst een schaamtecultuur en een roddelcultuur. Als vrouw moet je voor jezelf opkomen, vind ik, én voor de ander. Maar ik heb natuurlijk wel makkelijk praten, als buitenstaander van die schaamtecultuur.

Het houdt me in ieder geval niet tegen om erheen te gaan. De vele huwelijksaanzoeken vond ik wel grappig. En juist als vrouw die alleen reisde, werd ik in Marokko met veel respect behandeld. Ik voelde me nooit onveilig. Mensen gingen zich over me ontfermen, dat was cool om te zien.

In Palestina is het een beetje hetzelfde als in Marokko, maar daar speelt ook de bredere context van het land mee: ik had daar sowieso een onveilig gevoel. Ik voelde me vogelvrij.

Maar ik vind het te gemakkelijk om steeds naar ‘de andere cultuur’ te wijzen. Ik las laatst dat in Europa éénderde van de vrouwen slachtoffer is van seksueel geweld. Dat is dus een wereldwijd probleem.”

Ben je teruggegaan naar Jeruzalem, zoals je in het boek van plan bent?
“Ja, ik heb nog drie maanden in Jeruzalem gewoond. In de Palestijnse wijk At-Tur, waar de opstanden tegen het Israëlische leger meestal beginnen, best heftig. Drie maanden was eigenlijk te lang, ik werd een beetje gek. Dat zware van die stad, dat er altijd om gevochten wordt en er elk moment iets vervelends kan gebeuren… De politieke situatie is triest. Je wordt steeds geconfronteerd met die scheiding tussen de bevolkingsgroepen. Oost-Jeruzalem is heel arm, er is geen infrastructuur. In West heb je allemaal hippe plekken, maar je voelt: dit hoort eigenlijk niet.

Toch heeft Jeruzalem een plekje veroverd in mijn hart. Ik denk positief terug aan het verblijf, de mensen, en het is natuurlijk een indrukwekkende stad met een rijkdom aan culturen. Voor mij is het is een soort zelfontworpen pelgrimsoord, waar alles samenkomt. Zo zou het ook moeten zijn! Als ze er daar dan echt niet uitkomen, zou Jeruzalem gewoon van iedereen moeten zijn.”

Je schrijft in Veertig dagen over de verbindende kracht van muziek. Heb je dat altijd zo gezien?
“Toen ik een lied van een Algerijnse zangeres in mijn jazzrepertoire opnam, merkte ik dat ik daar veel beter mijn gevoel in kwijt kon. Mensen die het hoorden, vonden dat ook. Ik vond het mooi om die rijke Noord-Afrikaanse traditie en cultuur te laten zien, want in Nederland worden Arabieren of Marokkanen vaak als crimineel of onderdrukt weggezet.

Muziek verbindt, want het spreekt op je gevoel en iedereen herkent er iets van zichzelf in, ook als je niet verstaat waarover gezongen wordt. Dat is hoopgevend. Muziek is ook bedacht om tradities over te brengen, emoties te uiten, verhalen te vertellen, om mensen bij elkaar te brengen. Veel volksliedjes lijken op liedjes van andere culturen. Dat vind ik prachtig, het is een soort groot gedeeld erfgoed.”

Heb je ook Palestijnen en Israeliërs weten te verbinden?
“Nee, daar ging het project in Jeruzalem niet om. Het lijkt een mooi idee, samen muziek maken voor de vrede, maar een samenwerking op die manier wordt er veelal gezien als acceptatie van de politieke ongelijkheid. Ik vind het wel belangrijk dat mensen open blijven staan om samen te werken, maar dat moet hun keuze zijn, niet opgedrongen worden door een of ander project uit het Westen.”

Tot slot: was Jeruzalem uiteindelijk een goede plek om te rouwen?
“Toch wel. De veerkracht van de Palestijnen inspireerde me steeds. Ik heb zulke lieve mensen leren kennen! Respectvol en positief. Ondanks alle ellende blijven ze hard werken, muziek spelen en hoop houden. Het zijn sterke mensen. Dat heeft me veel steun en troost gegeven.  

Jeruzalem is niet per se een aangename plek. Maar iedereen begrijpt je verdriet, dat hoef je er niet te verbergen. Je bent onderdeel van een groter geheel van menselijk lijden. En je hebt er al die religies, die allemaal op dezelfde manier invulling geven aan de rouwperiode. Dat gaf me troost, je weet dat je niet alleen bent.”

Loes Liemburg is journaliste. Voor meer informatie: www.loesliemburg.nl.

Al 2 reacties — praat mee.

Advertentie

Dominicanenklooster Huissen