Een van de voordelen van een week naar het strand in een zonovergoten exotisch oord is dat je weer eens een boek leest dat je normaal gesproken niet zo snel zou oppakken. Afgelopen week overkwam het mij met het nieuwste boek van Tom Holland, Het vierde beest. Het is een tamelijk dikke pil (432 pagina’s) over de periode van de late oudheid (ruwweg 450 tot 700), en de rol die het christendom, het jodendom en de islam speelden in de geopolitieke ontwikkelingen van die tijd. Schijnbaar pittige kost voor aan het strand, maar het boek leest weg als een goede thriller.

Door: André van der Braak

Holland beschrijft vooral de opkomst van de islam, maar besteedt ook veel aandacht aan hoe het christendom en het jodendom hun vaste identiteit ontwikkelden, en hoe deze drie vormen van monotheïsme elkaar beconcurreerden en wederzijds verketterden. Wat mij opviel in het boek, is hoe de bisschoppen, rabbijnen en de islamgeleerden uit die tijd niet alleen hun eigen geloof steeds scherper omlijnden, maar ook gezamenlijk bijdroegen aan het ontstaan van een nieuwe interpretatie van religie die nog steeds door veel mensen als vanzelfsprekend wordt ervaren: het belijden van een geloof in de ene almachtige God.

Holland geeft vele voorbeelden van hoe vroege christenen zichzelf ook als joden beschouwden, hoe in sommige streken jodendom en christendom door elkaar liepen, en hoe de identiteit van de islam in de eerste eeuw na de dood van Mohammed nog lang niet vast lag. Alle partijen hadden echter belang bij een sterk omlijnde monotheïstische belijdenis van hun gelovigen, die andere gelovigen buitensloot. En door de geopolitieke ontwikkelingen van die tijd hadden de priesters ook de gelegenheid om hun interpretaties te laten gelden op het politieke toneel. Holland weet heel genuanceerd uit te leggen hoe zowel christendom, jodendom als islam in feite geconstrueerde religies zijn, die niet goed zonder de politieke ontwikkelingen uit die tijd zijn te begrijpen.

Ik heb al eerder gesproken over het contrast tussen Westerse religieopvattingen en de religieuze realiteit in China. Ook in China was er van oudsher zowel confucianisme als daoïsme, en later kwam het boeddhisme daar bij als buitenlandse religie, gevolgd door christendom en islam. Maar door allerlei omstandigheden, zowel van filosofische (het Chinese denken gaat op een andere manier met transcendentie om dan het Westerse denken) als van politieke aard (Chinese heersers waren nog pragmatischer in de omgang met religie dan Westerse heersers), ontstond in China niet die nieuwe interpretatie van religie, die religie omschreef als het belijden van een geloof in de ene almachtige God. De Chinese interpretatie van religie staat dichter bij wat de Romeinen (voor Constantijn dan) als religie beschouwden: een verzameling traditionele praktijken die je uitvoert omdat ze werken (bescherming bieden, geluk brengen, kracht geven). In deze interpretatie is religie iets wat je doet, niet iets wat je belijdt, en al helemaal niet iets wat je per se exclusief zou moeten belijden. Religie is een gereedschapskist waar je naar behoeven uit kunt putten.

De Chinese antropoloog Adam Yuet Chau houdt zich in Cambridge bezig met het ontwikkelen van een nieuw model van religie dat beter past bij de Chinese realiteit (van vroeger en van nu). Voor hem gaat het niet zozeer om het onderscheiden van verschillende geloofssystemen, maar van verschillende modaliteiten van religie: verschillende manieren om religie te doen, waarbij de nadruk vooral ligt op rituelen. Natuurlijk is er ook in China sprake van onderlinge competitie tussen religies, maar dat is niet zozeer de competitie van kerken met belijdende leden die het geloofssysteem van die kerk aanhangen. In plaats daarvan zijn er verschillende aanbieders van wat hij rituele diensten noemt, die met elkaar concurreren op de religieuze markt.

Twee verschillende visies op religie: het belijden van een confessie (waarbij er verschillende confessies zijn om uit te kiezen) of het uitvoeren van praktijken (waarbij er verschillende modaliteiten zijn om uit te kiezen). Gaat het er nu om een religie te belijden, of om een religie te doen? Afhankelijk van de interpretatie die men kiest ziet het religieuze veld er anders uit. Wat Tom Holland zo mooi laat zien is dat de interpretatie van religie als belijdenis een historisch bepaalde keuze is geweest. In de late oudheid zijn de verschillende toenmalige aanbieders van religieuze diensten uit de markt gedrukt door drie global corporations, die er ook nog eens in slaagden om het religieuze veld zo te herdefiniëren dat nieuwe aanbieders konden worden weggezet als ketters.

Misschien toch iets om te overdenken tijdens de kerstvakantie. En mocht u het goede voornemen koesteren om deze kwestie van de interpretatie van religie eens goed te bestuderen in het nieuwe jaar, dan kunt u op 15 januari op de VU naar Adam Yuet Chau komen luisteren. En wie de periode van de feestdagen wil benutten om eens wat winterzon te pakken, heeft bij deze mijn leestip voor op het strand al te pakken. Fijne feestdagen!

André van der Braak is hoogleraar boeddhistische filosofie in dialoog met andere levensbeschouwelijke tradities aan de VU in Amsterdam. Hij is onderzoeker bij het DSTS in het kader van het onderzoeksproject ‘Meervoudige religieuze binding’.

Nog geen reactie — begin het gesprek.