giedPremier Netanyahu heeft vorige week op een conferentie van zijn Likoed partij zijn plan ontvouwd om van Israël een volkomen joodse staat te maken. Hij wil dat een nieuwe wet ervoor zorgt dat de Talmoed het hart wordt van het Israëlische staatsrecht. Christenen, moslims en ongelovigen zullen zich daaraan moeten onderwerpen. Netanyahu kan dan niet anders door voor hen een soort dhimmi status uit te werken: een regeling afkomstig uit de Middeleeuwse islam waarmee eeuwenlang de rechten en plichten van joden en christenen als minderheden werden gefixeerd. Israël is op weg een religieuze staat te worden, die zich weliswaar gesteund ziet door een democratische meerderheid. Maar is dat wel een waarachtige democratie en hoe joods zijn de ideeën van Netanyahu?

Door: Gied ten Berge

De Talmoed is een eerbiedwaardig geheel van rabbijnse commentaren op de Tenach. Ze doet verslag van disputen van voor- en tegenstanders over allerlei tegenstrijdigheden die in de Bijbel opduiken, ze behandelt ethische vragen, joodse normen en waarden. Ze bevat een uitgebreid geheel van verschillende interpretaties, wetsprecedenten, strikvragen, anekdotes, legenden en mythen. De Talmoed leert gelovige, studerende joden de juiste vragen over hun geloof te stellen en er analytisch mee om te gaan. Het stellen van strikvragen is hierbij bijna tot kunst verheven. Een voorbeeld van zo’n vraag: ‘Kan God een rots maken die Hij niet kan tillen?’Antwoord: of God kan niet zo’n zware rots maken of Hij kan die niet optillen. Met deze vraag lijkt het of twee oneindigheden (rots en God) met elkaar vergeleken kunnen worden. Dat kan dus niet. Prachtig.

Talmoed, Canoniek Recht en de Sharia
Niemand zal bestrijden dat de Talmoed, net zomin als het (kerkelijke) Canonieke Recht, de islamitische Sharia en wat seculiere filosofen door de tijd heen geschreven hebben, inspirerende en kritische bronnen kunnen zijn voor een goed gesprek over leven en samen leven en dus ook over een goed landsbestuur. Maar nóch de Tamoed, nóch de Sharia, nóch het Canonieke Recht is toegesneden op het moderne staatsrecht. Ze richten zich alle drie  primair op de gelovigen. Dat geldt ook voor de Sharia die geen wetboeken bevat. De Sharia is in de eerste plaats een religieuze plichtenleer die het menselijk handelen in wereldse en religieuze zaken bepaalt, zowel in de relatie van mensen onderling als van de mens tot God. Hoewel het eindoordeel over het menselijk handelen door de Koran bij God gelegd wordt, omvat de Sharia wel sancties om het juiste handelen af te dwingen wanneer daar een maatschappelijk belang mee is gediend. Een belangrijk probleem bij de bespreking van het begrip Sharia is dat de islamitische wereld, net als het jodendom geen eenstemmig leergezag kent, waardoor er vele, soms sterk uiteenlopende versies van het begrip Sharia bestaan en opvattingen over wat ‘het maatschappelijk belang’ is.  Ze kan in strijd komen met het recht van de staat, zodra een van de Sharia-scholen de eigen interpretatie oplegt aan moslims van een andere school en zichzelf boven de conflict-regulerende wetten van de staat stelt. Dat geldt mutatis mutandis ook voor de Talmoed en het kerkelijk recht.

Het begrip Canoniek Recht dat door de Katholieke Kerk, de Anglicaanse kerk en de Orthodoxe Kerk wordt gehanteerd, gaat over vastgelegde regels die kunnen worden toegepast door kerkelijke rechtbanken, waar gelovigen een beroep op kunnen doen. Het is gebaseerd op de Bijbel, de apostolische traditie, geschriften van kerkvaders, kerkleraren en ook op wat concilies en andere kerkvergaderingen hebben uitgesproken. Kerkelijke recht, of de ‘kerkorde’ zoals protestanten dat noemen, heeft vanaf de 11de eeuw wel steeds meer het frame aangenomen van het Romeins recht en kenmerkt zich daardoor door een conflict-regulerend karakter. Het recht verschilt per kerkelijke denominatie.

Religies horen niet in het hart van het staatsrecht
Het is verstandig wanneer een staat inziet dat het belangrijk is om het gesprek tussen en binnen verschillende religies en levensbeschouwingen in een samenleving te willen faciliteren. Daar ontbreekt het bij ons nog wel eens aan. De religies en levensbeschouwingen moeten daarin ook het ‘tegenover’ van de staat mogen zijn. Dit vraagt over en weer om respect en een zekere ruimte. De staat moet zelf aan dat gesprek willen deelnemen. Het vraagt van de kant van de staat een zekere distantie om niemand voor te trekken en van de kant van de religies om de bereidheid de onafhankelijkheid van de staat als terughoudende spelleider te erkennen. Het zou de onderlinge politieke strijd en onverdraagzaamheid aanwakkeren door één religie of politieke filosofie tot favoriet te maken. Deze opvatting ontleen ik aan de seculiere, joodse politieke filosoof Michael Walzer.  Het is daarom zeer onwenselijk wanneer één religie het hart van het staatsrecht zou uitmaken: dat geldt voor Nederland net zo goed als voor Saoedi Arabië als voor Israël. Nederlandse en andere Europese politici zouden dit nu klip en klaar aan de Israëlische regering duidelijk moeten maken.

In Israël heeft het debat over het exclusieve joodse karakter van de staat altijd bestaan en is tot op vandaag een hevige bron van tweespalt, niet alleen tussen seculieren en gelovigen. Dat komt omdat de staat al veel eerder de Talmoed in het hart van het staatsrecht heeft gebracht, namelijk door als staat antwoord te geven op de Talmoedische vraag wie eigenlijk een jood is.

Yeshayahu Leibowitz en de ‘joodse’ staat
Yeshayahu Leibowitz (1903 -1994) was een orthodoxe joodse filosoof die dat scherp inzag. Hij schreef in 1952 dat ‘de crisis’ waarvoor de staat Israël het jodendom heeft geplaatst, sinds de vernietiging van de Tempel in het jaar 70, ‘haar weerga’ niet kent. Hij bestreed iedere associatie tussen de Tenach en de Talmoed enerzijds en de zogenaamde ‘joodse staat’ anderzijds. Die verbinding zou leiden tot ‘een vulgarisering’ van het jodendom. De ‘totale toewijding’ aan de staat was hierdoor volgens hem in de plaats gekomen van de toewijding aan God. In literair-theologische zin vormde de joodse staat voor Leibowitz een herleving van het kaänanisme , een richting binnen het jodendom die al tijdens de Ballingschap opteerde voor een territoriale definitie van Israël bóven een joods bestaan als religieuze groep. Dit territoriale jodendom zal zich volgens Leibowitz uiteindelijk niet verdragen met het jodendom als religie. Hij vond dat joden, zonder de schaduw van een zich ‘joods’ noemende staat, vrijmoediger en diepgaander met elkaar zouden kunnen spreken over de religieuze en morele thema’s van hun godsdienst. De staat Israël, vond hij, had het jodendom gespleten. De staat hoorde in religieus opzicht ‘inhoudsloos’ te zijn. Een joodse staat zat het jodendom in de weg: ‘Joodse inhoud verzekert joodse inhoud en voor de rest niets’. Niet anders dan dat een ‘islamitische’ of een ‘christelijke’ staat de eigen religie uiteindelijk alleen maar in de weg zitten. Het maakte Leibowitz niet uit of hij met deze orthodoxe boodschap botste op rechtse of linkse, gelovige of ongelovige zionisten. Hij moest niets hebben van hun ‘klerikaal-seculiere’ coalities en beschuldigde die er toen al van een soort ‘staatsjodendom’ na te jagen. Toen Ben Goerion in 1960 met de religieus-zionisten een deal sloot over de vraag wie precies een jood is en de subsidiekraan voor de religieus-zionistische organisaties wijd openging, was Leibowitz spottende reactie: Ben Goerion had ook mogen besluiten dat iedereen die groene verf op zijn neus smeert voortaan een jood zal heten. Ben Goerion hoorde van de Talmoed af te blijven. ‘Wie een jood is, gaat u geen bliksem aan!’ Netanyahu spiegelt zich aan de verkeerde kant van het jodendom. Hij spiegelt zich ook aan moslims die terug willen naar een monolithische islam.

Gied ten Berge is socioloog en theoloog

Nog geen reactie — begin de discussie!