“Wij zijn natuurwezens die zich tegelijk met een kloof van die natuur gescheiden voelen. Dat is het bijzondere en het schrijnende van de menselijke situatie: het sterke verlangen naar heelheid en eenheid, maar tegelijk het gedeeltelijke onvermogen ertoe dat met de individualiteit ontstaat en (af)scheidende tendensen geeft.” Zo karakteriseert filosoof Arnold Ziegelaar de moderne mens in zijn onlangs verschenen boek Aardse mystiek: Inleiding in de filosofie van de verwondering. In dit boek beschrijft hij wat hij noemt een ‘levensfilosofie’, een praktisch ingestelde filosofie die ‘probeert na te denken over de vraag wat de mens kan doen en hoe hij dat moet doen om zijn bestemming te bereiken. Een filosofie die sterk verwant is aan de filosofie van de levenskunst, maar tegelijkertijd meeromvattend is. Waar levenskunstfilosofie vooral praktisch is, behelst Ziegelaars ‘levensfilosofie’ een metafysica, een antropologie en een ethiek of deugdenleer. Het komt allemaal ter sprake in dit rijke boek dat echt behoort tot de beste filosofieboeken die in 2015 zijn verschenen.

De mens is een vreemd wezen, zo constateert Ziegelaar. Want het is een wezen dat zichzelf niet alleen begrijpt als feitelijkheid, dus als gegeven, maar ook als mogelijkheid. Er zit een wat Ziegelaar noemt ‘vitale vector’ in de mens: de mens richt zich op het mogelijke en kan zelfs dat mogelijke als het wezenlijke zien, dat als doel van het leven maken en er vervolgens naar streven. Maar er is niet slechts één ‘vitale vector’. De mens is een ‘multidimensionaal’ wezen waarin verschillende vitale vectoren tegelijkertijd aan het werk zijn, ten aanzien van bijvoorbeeld zelfontplooiing, liefde, schoonheid, moraliteit en religie en mystiek. Ziegelaars levensfilosofie wil aan al deze dimensies recht doen.

Daarbij neemt hij in het eerste deel van het boek zijn insteek in het Griekse denken. In een aantal hoofdstukken bespreekt hij achtereenvolgens de natuurfilosofische inzichten van de presocraten, de metafysische antropologie en ethiek van Aristoteles, de metafysisch-antropologische inzichten van de Epicuristen en ten slotte die van de Stoïcijnen. Het is duidelijk dat Ziegelaar vooral geïnspireerd is door de Stoa (in het bijzonder door Marcus Aurelius), en dan in de interpretatie van Pierre Hadot.

In het tweede deel van dit lijvige boek bespreekt Ziegelaar wat er vervolgens gebeurt met de doorbraak van de moderniteit: het Stoïcijnse inzicht dat de mens was opgenomen in het geheel van de kosmos komt onder druk te staan door het met Descartes radicaal doorbrekende subjectivisme. Plotseling is de eenheid verbroken en vindt de mens zich terug als subject in een kosmos waar hij enerzijds deel van uitmaakte maar anderzijds tegenover staat. Dit subjectivisme brengt het probleem van een dreigend nihilisme met zich mee (een betekenisloosheid van het bestaan), wat weer de mogelijkheid van een vlucht naar een transcendente of bovennatuurlijke zingevende instantie met zich meebrengt. Maar toch zijn er ook aanzetten te vinden om dat nihilisme op meer aardse wijze te overwinnen, zoals Ziegelaar laat zien via de inzichten van Kant, Nietzsche en Heidegger. Termen als ‘ontplooiing’, ‘authenticiteit’ en ‘eigenheid’ in het licht van ‘eindigheid’ komen dan centraal te staan.

Het derde en tevens laatste deel van het boek is het spannendst. Hierin brengt Ziegelaar de inzichten uit de voorgaande hoofdstukken samen in een synthese met zijn eigen ideeën. In dit deel komt zijn idee van een ‘aardse mystiek’ het meest uit de verf. Die mystiek behelst enerzijds een besef van eenheid met de werkelijkheid, maar gemengd met het moderne inzicht dat de mens zichzelf ook geplaatst weet tegenover diezelfde werkelijkheid. Ziegelaar focust op drie aspecten, die hij uiteindelijk op prachtige en complexe wijze in elkaar vlecht. In wat volgt geef ik slechts met grove penseelstreken een indruk.

Allereerst is er eenzaamheid. Eenzaamheid kan een lijdensweg zijn in de gedaante van verlatenheid. Maar eenzaamheid kan ook heilzaam zijn, als ik me bijvoorbeeld na een lange dag onder de mensen even wil afzonderen om muziek te luisteren. Dit verlangen naar afzondering met mezelf wordt door Ziegelaar geduid als een verlangen ‘naar een contact met het oorspronkelijke’. Het is het verlangen naar de oorspronkelijke werkelijkheid waaruit ik ben voortgekomen. Die eenzaamheid, dat ‘samen met mijzelf zijn, voor mijzelf aanwezig zijn’ kan zich uiteindelijk uiten in een contemplatieve houding, ‘waardoor het bestaan als een wonder ervaren kan worden’.

Een tweede aspect is dat van innigheid. Dit woord duidt voor Ziegelaar de eenheid tussen het ik en de wereld aan. Maar dat is niet een eenheid van identiteit, maar juist van een besef van ‘bij-elkaar-horen-in-onderscheid’, een gevoel van eenheid (ik zou bijna zeggen: geborgen-zijn, een zich-thuis-voelen in de werkelijkheid) met tegelijkertijd het besef van de andersheid van het andere. Dus het sterke verlangen naar eenheid en heelheid, maar ook het besef dat het echte gevoel van versmelting altijd maar tijdelijk zal zijn vanwege de individualiteit die ik ook ben.

Het derde aspect is dat van het ‘voorval’, van de aandacht voor het individuele. Ziegelaar beroept zich op Epicurus en de Stoïcijnen, maar hier zijn ook sterke resonanties met het boeddhistische idee van een ‘beginnersgeest’: verwondering kan ieder moment ontstaan, als je je geest kunt leren om in het hier-en-nu aanwezig te blijven en weer onbevangen naar de werkelijkheid te kijken. Wij lijden, zegt Ziegelaar, onder de ‘benarde blik’, waarin alles wat zich voordoet slechts een vluchtig voorbijgaan is. Niets valt op, niets springt eruit. Maar het kan gebeuren, zo constateert Ziegelaar aan de hand van een passage van Cioran, dat er een Voorval (met hoofdletter) plaatsvindt: een voorval (een gewone gebeurtenis, dus met kleine letter) dat ineens, totaal onverwacht, optreedt. Een gebeurtenis die zich even uit geheel lijkt los te maken en vanuit de periferie naar voren komt, die onze aandacht trekt, maar waarvan de betekenis zich niet onmiddellijk laat vatten.

Zo’n Voorval, zegt Ziegelaar, is ‘het oorspronkelijke van de wereld’. Het is iets dat op zichzelf bestaat en niet van iets anders is afgeleid. Een dergelijk Voorval geeft de mens betekenis en bevrijdt de mens van het nihilisme volgens welke het bestaan zinloos is. Zo’n Voorval brengt ons naar het nu en confronteert ons met de naakte individualiteit van iets, met de naakte ruimte, tijd en ‘klankkleur’ (term van Ziegelaar) – een ervaring die vrijwel onmogelijk in taal is te vatten. Het is een voorval dat onze blik op de werkelijkheid en op onszelf doet kantelen. Of niet (zoals bij Cioran, die zich tegen dat kantelen verzet).

Een heerlijk en diepzinnig boek over het bestaans- en zijnsmysterie, waarin je je urenlang kunt verliezen. Een boek dat bovendien bijzonder helder is geschreven, op cruciale momenten met concrete, alledaagse voorbeelden komt. Filosofie zonder al te veel vakjargon, die voor iedere zinzoeker (denk ik) heel veel passages van herkenbaarheid bevat en daardoor heel concreet wordt, ondanks de zware metafysische bagage die het boek met zich meedraagt. Een boek dat zich bovendien nergens verliest in een polariserend discours van ‘geloof versus ongeloof’, dat de lezer nergens naar atheïsme wil dwingen of neerbuigend doet over geloof. Sterker nog, Ziegelaars levensfilosofie is in mijn optiek volstrekt compatibel met een (liberaal-)religieuze levensbeschouwing. In elk geval een boek dat de lezer niet onberoerd laat, dat uitnodigt tot zelf nadenken over wat belangrijk is in het leven, dat aanzet tot gesprek over ervaringen van het heilige in het aardse hier en nu.

Boekgegevens

Auteur: Arnold Ziegelaar | Titel: Aardse mystiek: Inleiding in de filosofie van de verwondering | Uitgeverij: ISVW Publishers | Aantal pagina’s: 414 | ISBN: 9789491693557 | Prijs: € 27,50. | Klik hier om het boek te bestellen

Taede Smedes

Taede Smedes

Godsdienstfilosoof, theoloog en publicist

Taede A. Smedes is actief als independent scholar en als freelance publicist. Hij heeft gewerkt aan de universiteiten van Nijmegen, Leuven …
Profiel-pagina
Nog geen reactie — begin het gesprek.