Luid en ferm klonk het slaan van de kerkklokken. Je kon zelfs iets opgewekts horen in het gebeier dat ver over de weilanden moest dragen om de gelovigen tot in de uithoeken van het dorp aan te sporen om ter kerke te gaan.

De zonnestralen op deze voorjaarsmorgen voelden al warm aan, maar er stond een frisse wind die rimpels op het wateroppervlak van de vliet blies. In stevige pas liepen zij over de Kerkweg. Aan de andere kant, over de brug naar de Kluiskade, ging het lang mooi naar beneden. Daar had hij op zijn tiende voor het eerst op een skateboard gestaan, en voor het laatst ook, want aan die wiebelige plank op wielen had hij nooit plezier beleefd. De vlietlanden aan weerszijden van de brug, dat was een ander verhaal. Biek waren die, gaaf, een term die je nooit meer iemand hoorde gebruiken. Het veen veerde alsof je op een matras stond, al moest je uitkijken dat je er niet doorheen zakte en een natte poot haalde. Ze hadden er ooit een schat opgegraven, een ring in een sigarenkistje, hoewel hij daar op latere leeftijd het zijne van was gaan denken. Vermoedelijk had een van zijn vriendjes die schat daar zelf eerst verstopt.

De huishoudschool op de hoek met de Huis te Veldelaan was verdwenen. Er stond nu een wooncomplex met daarnaast de Albert Heijn. Een huishoudschool was iets voor vrouwen uit de tijd van zijn moeder, iemand die zelf de kweekschool gedaan had, een vorm van onderwijs die eerst pedagogische academie was gaan heten en tegenwoordig bekend stond als de pabo.

Wie niet vaak terugkomt op de plaats waar hij is opgegroeid, wordt geconfronteerd met verandering, een pijnlijke ervaring als je daar gevoelig voor bent. Het verstrijken van de tijd slaat je in het gezicht. Met elke verandering lijkt de plaats weer een stukje minder aan jou toe te behoren. Je ziet de reusachtige maalstroom van de tijd waarin alles onvermijdelijk verdwijnt.

Aan de gereformeerde kerk was nog niets veranderd, behalve dat deze sinds de protestantse kerken in Nederland waren samengegaan Nieuwe Kerk werd genoemd. Wel hing er een schaduw over het voorbestaan van het gebouw, zei zijn vader. De Oude Kerk, die van de hervormden in het dorpscentrum, waar hoog in de toren de kerkklokken luidden, zou zeker behouden blijven. De Nieuwe Kerk echter, een rechthoekig bouwwerk uit de jaren vijftig, met zijn zadeldak van loodgrijze dakpannen, bruine bakstenen muren en hoge witte vensters, zou waarschijnlijk afgebroken worden. Nooit meer een aubade dus, daar aan de achterkant op de treden van het bordes tussen de lange witte pilaren in, die het dak ondersteunden. Voor de kinderen van de gereformeerde lagere school begon elke Koninginnedag daar met het zingen van vaderlandse liedjes voor Koningin Juliana.

Zij liepen de treden op en gingen door de linker deur naar binnen. Boven het geroezemoes van elkaar begroetende kerkgangers en het geschuifel tussen de banken, klonk nog steeds het klokgelui. Ook toen de deuren gesloten werden bleef het hoorbaar, zij het minder luid. Om tien uur precies hield het op. De organist zette in, er werd gezongen. Lied 653: 1 en 4, las hij in de liturgie.

U kennen, uit en tot U leven,
Verborgene die bij ons zijt,
zolang ons ’t aanzijn is gegeven,
de aarde en de aardse tijd,
o Christus, die voor ons begin
en einde zijt, der wereld zin!

Zij hadden altijd aan de linkerkant gezeten. Nooit had hij gevraagd waarom. Dat was nou eenmaal zo. Als kind wist je dat je aan die kant hoorde, zoals je ook wist op welke plek je klasgenootjes zaten. De banken links stonden een tikje schuin naar voren, net als aan de rechterkant. In het middenstuk van de kerk liepen ze evenwijdig aan de voorzijde van het gebouw, zodat de banken in een wat hoekige formatie om de kansel heen stonden.

De dominee stond luid mee te zingen op de verhoging die bijna de gehele breedte van de kerk besloeg. Hij werd geflankeerd door de ouderlingen en diakenen, gezeten in banken die naar de kansel toegekeerd waren. Net als de dominee keken ze de mensen uit de hoogte aan. Het verschafte hen een zeker gezag. Toen hij een keer naast zijn vader had mogen zitten, die de functie van diaken vervulde, was hem opgevallen dat hij van dat gezag zelf niets voelde. Was hij te jong geweest om het te ervaren? Leefde die gedachte soms alleen in hem bij het aanschouwen van die hoogwaardigheidsbekleders? Of deden al die ouderlingen en diakenen misschien net alsof ze heel belangrijk waren?

Met het verhaal van Jezus die niet terugslaat, maar zijn andere wang toekeert, had hij lang geworsteld, hij worstelde er eigenlijk nog steeds mee.

Aan weerszijden van de kansel bleef een open ruimte over die enkel bij gelegenheden van pas kwam. Aan de ene kant stond de doopvont met een lessenaar ernaast en aan de andere werd ter opvulling vaak een bloemstuk neergezet, aangeboden door een plaatselijke kweker. Ze hadden het weggehaald toen hij daar met zijn lagere schoolklas het Kyrie Eleison had moeten zingen tijdens de Kerstdienst. Het was nog drukker dan nu met Pasen, er speelde een blaasorkest en de verlichting zorgde voor een plechtige en feestelijke sfeer, vooral omdat het buiten al begon te schemeren – hetgeen erop wees dat de Kerstdienst kennelijk ’s middags plaats vond, ook al kon hij zich dat niet herinneren. Dan spraken de verhalen het meest tot de verbeelding. Gideon die zijn strijders koos uit mannen die het water uit de beek met hun tong oplikten zoals honden doen. Je zag hen zo zitten daar aan de waterkant en wist meteen dat zij uit het juiste heldhaftige hout gesneden waren. Vormende verhalen waren het, want je wilde natuurlijk zelf ook zo zijn. Met het verhaal van Jezus die niet terugslaat, maar zijn andere wang toekeert, had hij lang geworsteld, hij worstelde er eigenlijk nog steeds mee. De woede die je moest inslikken, de schijn van lafheid, die misschien wel echte lafheid was, dat je in werkelijkheid uit angst niets terug deed, allemaal wroegingen waar anderen geen last van leken te hebben. Na het Kyrie Eleison hadden ze het podium verlaten door een uitgang naar De Magneet, het bijgebouw met een grote zaal voor feestelijkheden en naar beneden toe kleinere vertrekken waar zij in de vijfde en zesde klas op vrijdagavond altijd dansten. Hij had er een voorliefde voor disco-muziek aan overgehouden. Enkele hits uit die dagen stonden in zijn geheugen gegrift – Dreadlock Holiday van 10CC, Rapper’s Delight van Sugarhill Gang. Het meest opmerkelijke van die avonden was ongetwijfeld het dansen van La Bamba, alle kinderen in een kring en eentje in het midden die iemand mocht uitkiezen en zich daarmee afzonderde om te gaan tongzoenen.

Midden op het podium vormde de kansel zelf, met de zware houten luifel die er als een enorme schelp boven hing, het centrum van de kerk. Vroeger beklom de dominee meteen bij binnenkomst de wenteltrap om de gehele dienst op hoogte te verblijven. Dat de huidige voorganger beneden was gebleven, paste bij zijn joviale meezingen: dit was duidelijk een dominee die dicht bij de gelovigen wilde staan.

Na het gezang vroeg hij om twee leden van de kerk, die onlangs overleden waren, in gebed te gedenken. Niet lang voor haar dood was hij bij een van hen op bezoek geweest, hoorde hij de dominee zeggen, terwijl zijn blik afdwaalde naar de muurschildering van Adam en Eva boven de kansel. Eindeloos had hij naar Eva zitten turen, staande voor de boom der kennis met de aangebeten appel in haar opgeheven linkerhand. Waarom had zij ervan gegeten? Het ergste van die vraag was dat je de rest van het verhaal al kende. Zij had het wel gedaan, en dus zou het paradijs voor altijd onbereikbaar zijn. De vrouw had de dominee toevertrouwd dat ze met het eind in zicht troost vond in haar geloof. Lied 727: 2, dat na het gebed gezongen werd, zette deze gedachte kracht bij.

Gij waart hun rots, hun burg en al hun macht;
Gij, Heer, hun loods en licht in storm en nacht;
Gij hebt uw pelgrims veilig thuisgebracht.

Het gekrijs van het kindje ging bijna verloren in de ruimte van het hoge kerkgebouw, en klonk daardoor vertederend.

Buiten kwam de zon achter een wolk vandaan. Hij keek opzij en zag het zonlicht door het gelige glas in de hoge vensters naar binnen gulpen. Waar die vrouw op haar sterfbed nou precies troost in vond, daar kon hij met zijn hoofd niet bij. Ineens wist hij weer waarom hij altijd zo door die vensters gebiologeerd geweest was. Je zag het niet meteen als je de lange rij vierkante ramen, die het grootste deel van de zijwand van de kerk besloeg, in je opnam. In elk venster was een kwartcirkel aangebracht, en wel op zo’n wijze dat deze in een blok van vier vierkanten een hele cirkel vormden. Als je het eenmaal door had, kon je afwisselend grote cirkels en kleine vierkanten waarnemen. De maker had deze optische illusie natuurlijk opzettelijk gecreëerd, stiekem misschien wel, als een soort geheime boodschap. Hij stelde zich voor dat de maker later speciaal in de kerk was gaan zitten om te kijken wie het in de gaten had. Een triest iemand moest hij geweest zijn, want hij was er natuurlijk nooit achter gekomen.

De dominee kondigde aan dat hij de doop ging bedienen. Op zijn uitnodiging beklommen de ouders met hun pasgeboren zoon en de twee oudere kinderen het podium en kwamen naast hem rond de doopvont staan. Zij moesten beloven om hun kind te onderwijzen in het woord van God. Dat beloofden zij. De dominee lichtte het deksel van de doopvont op en legde het weg in de lessenaar. Hij sprak de naam van het jongetje uit en zei, onderwijl met zijn hand water uit het bekken scheppend en over het gezicht van de baby sprenkelend, dat hij hem doopte in de naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest. Het gekrijs van het kindje ging bijna verloren in de ruimte van het hoge kerkgebouw, en klonk daardoor vertederend. Het leek alsof het de eerste geluiden waren die dit jongetje ooit had voortgebracht.

Leven en dood, overledenen en nieuwgeborenen, in alle eenvoud had de dominee twee uitersten met elkaar verbonden. Daarmee had hij iets wezenlijks van het samenzijn van mensen uitgedrukt. Wij zijn een gemeenschap, zei hij eigenlijk. Samen kon je de blijdschap over een nieuw leven vieren, en de angst voor de dood bezweren. En daartussenin, tussen leven en dood, verliep het menselijk bestaan.

Hij zag zichzelf van grote hoogte in het hooi springen op de boerderij aan de Oostgaag, waar de opa en oma van zijn klasgenootje woonden. Op een keer werden ze uit het weiland geroepen omdat er een kalf geboren werd. De koe lag in het stro vlak achter de ingang naar de schuur. De boer stak zijn armen diep in haar achterste om ergens, aan de horens waarschijnlijk, een touw te bevestigen waarmee hij het kalf naar buiten trok, dat gehuld in een met bloed bevlekt vlies ter wereld kwam en meteen op zijn pootjes als lucifershoutjes ging staan en wat wankele sprongetjes maakte. Op het terrein van de kistenfabriek aan de Zuidbuurt, het bedrijf van de vader van een ander vriendje, stonden paarden in de schuur. Die mochten ze bix voeren, buisvormige korrels als bruin gevlekte salmiakdroppen waarvan hij de zurige geur zo opsnoof. Elke middag na schooltijd trok hij er op uit. De knotwilgen langs de sloot waarin hij het hoogste klom. De kikkerdril in het water, die je elke dag zag veranderen, totdat er visjes uit tevoorschijn kwamen die pootjes kregen en kikkers werden. Een grote berg opgetaste takken en boomstronken in het weiland, waar ze hun roversnest gevestigd hadden met in het midden een totempaal. Op een dag was er een vuur ontstaan, zo groot dat het volgens een moeder die uit het dorp was komen fietsen, de aandacht van politie en brandweer had getrokken. Zij wees naar een menigte mensen die zich aan de rand van het dorp verzameld had. Het was niet te zien of er ook politieagenten en brandweermannen tussen stonden. Of zij dat vuur zelf hadden aangestoken, wist hij niet meer. Ze waren op de vlucht geslagen en hadden het dorp pas via een enorme omweg weten te bereiken.

Een oud-Hollands kinderverhaal, zo klonk het, zijn onbezorgde jeugd op het platteland, waar zijn fantasie de vrije loop had gehad en waar dromen ontstaan waren die hij de rest van zijn leven had nagejaagd, tot in Afrika toe. Op de middelbare school was dat fantaseren ineens kinderachtig geworden. De tijd had een wig gedreven tussen hem en zijn jeugd. Onmachtig had hij moeten toezien hoe dat paradijs hem ontschoten was. Het gevoel van verlies daarover was hij nooit helemaal kwijt geraakt.

Niet ver van hun roversnest vandaan had de broer van een meisje bij hem in de klas zich opgehangen in een schuur. Het beeld van dat lijk aan de balk, ook al had hij het nooit gezien. De eenzaamheid die ervan uitging. Vlak achter zijn lagere school was een jongetje van drie in de singel gevallen waar het water vast niet dieper dan vijftig centimeter was, en verdronken. En ook al gebeurde er misschien niets, hoeveel mensen gingen niet gebukt onder de angst voor alles wat er in het leven mis kon gaan?

Gezang 477. Binnensmonds begon hij mee te zingen, de wijs kwam als vanzelf uit zijn geheugen tevoorschijn.

Geest van hierboven, leer ons geloven,
hopen, liefhebben door uw kracht!

Tegenwoordig geloofden veel mensen nog wel ergens in, maar niemand wist precies meer waarin. Op een terras aan het strand in Mozambique had hij zijn eigen idee van God eens aan een zwarte fotograaf uit Soweto uitgelegd. Het had te maken met de gedachte van Spinoza dat God alles was. Terwijl hij het onder woorden probeerde te brengen, wat eigenlijk niet lukte omdat hij van losse gedachten geen geheel wist te maken, besefte hij hoe ingewikkeld dat in de oren van zijn gespreksgenoot klonk, in wie de rotsvaste overtuiging leefde dat God gewoon bestaat. Of zijn vriend uit Kameroen. Die kon er niet bij dat het de mensen in het Westen bestond om niet meer in God te geloven. Stel je eens voor hoe ingewikkeld het heelal in elkaar zit, zei hij, en hoe weinig wij er ondanks al onze kennis van begrijpen. Maar dat het functioneert, bewijst toch dat er een ingenieur van goddelijke proporties in het spel moet zijn!

Hemelse Vrede, deel U nu mede
aan een wereld die U verwacht!

Ineens stonden de tranen in zijn ogen. Steels keek hij naar rechts om zich ervan te vergewissen dat zijn vader, die eveneens binnensmonds meezong, er niets van merkte. Een traan rolde over de linkerzijde van zijn neus naar beneden. Met de rug van zijn hand veegde hij de traan weg en droogde in één beweging ook de ooghoek van zijn linkeroog.

Klik hier voor deel 2.

Maarten Roest

Maarten Roest

Schrijver

Maarten Roest (1967) deed voor Nederlandse media verslag over Latijns-Amerika en raakte vervolgens betrokken bij internationale operaties …
Profiel-pagina
Nog geen reactie — begin het gesprek.

Advertentie

Dominicanenklooster Huissen