Wiman is een Amerikaanse dichter die getroffen werd door het noodlot. Hij kreeg op relatief jonge leeftijd kanker, net toen hij de liefde van zijn leven had gevonden. Het was ook in die periode dat Wiman een soort writer’s block kreeg en niet meer wist hoe hij verder moest. Zijn nu in het Nederlands vertaalde boek Mijn heldere afgrond dat in de Verenigde Staten al in 2013 verscheen, is het resultaat van die worsteling. Het is een fragmentarisch boek, een verzameling meditaties of pensées (tijdens het lezen van het boek drong de analogie met Pascal zich meerdere keren op).

Wiman worstelt met zijn lichaam, met mensen, met zijn dichtkunst en met zijn geloof: een geloof dat hij op jonge leeftijd verloor, maar waarmee hij op latere leeftijd ineens geconfronteerd wordt als iets waarvoor hij niet langer kan weglopen. Hij voelt zich geconfronteerd met het mysterie dat de kern van religieus geloof is. Maar zonder slag of stoot accepteren dat hij gelooft, kan hij het niet. Hij komt er achter dat zijn geloof nooit een happy clappy geloof kan zijn. En ook gelooft hij niet in een God van wonderen, ook is hij wars van dogma’s. Wat dan wel? Zijn geloof blijkt veel mystieker te zijn. God is niet ver weg, maar is in en door alle dingen, God is in het alledaagse. God is de alledaagse realiteit, lijkt Wiman soms te suggereren. Bovendien is God niet alleen in dat wat vreugde geeft of in het goede; God is ook aanwezig in het tragische en in momenten van lijden. God is ook de pijn.

Voor Wiman voldoen de traditionele, ‘theïstische’ beelden niet langer. Die beelden van een God buiten en boven de werkelijkheid moeten we stukslaan, zo meent hij: ‘We moeten met een schoktherapie afgeholpen worden van onze gemakkelijke acceptatie van – of onze gemakzuchtige weerstand tegen – stellige taal over God. Afgezien van dat zulke taal hoe dan ook nutteloos is als definiërende beschrijving van God – zij is simpelweg niet toereikend voor het intense en heilige tumult dat zo veel hedendaagse mensen ervaren’ (152). Maar hoe spreek je dan nog wel over God of het heilige? Daarover gaat dat boek. Het is een boek over een zoektocht. En wanneer het boek uit is, is die zoektocht nog niet ten einde. Verwacht geen stellige antwoorden van Wiman. Hij tast en zoekt zijn weg vooruit met behulp van taal.

Juist omdat Wiman ook dichter is, en dus speelt met de betekenissen van taal, is het boek soms duister op het onbegrijpelijke af. Willem Jan Otten – zelf schrijver en dichter – komt alle lof toe dat hij dit complexe en ongelooflijk moeilijke boek in vloeiend Nederlands heeft weten te vertalen. Ook de gedichten zijn prachtig vertaald. Het is een ongekende prestatie die Otten heeft geleverd.

Toch blijven er punten van kritiek. Zo is Wiman uiterst kritisch over religieus geloof als belief: geloof als het hebben van bepaalde overtuigingen, dus een vorm van kennis. Daarentegen is voor hem religieus geloof een kwestie van faith: van een existentieel vertrouwen. Dat onderscheid, dat in het Engels duidelijk is, verdwijnt vrijwel helemaal in de Nederlandse vertaling. En dat levert soms problemen op voor de begrijpelijkheid van de tekst.

Neem bijvoorbeeld de volgende passage: ‘Geloven is niets meer – en hoe reëel is dit – dan een bewegen van de ziel naar God. Het is niet: geloof. Geloof heeft z’n onderwerpen – Christus die opgestaan is, God die de aarde heeft geschapen. Geloven heeft die niet’ (154). Geloven is niet geloof? Heeft geloof nu wel of niet onderwerpen? Je moet hier nauwlettend lezen: Otten maakt een onderscheid tussen het zelfstandig naamwoord ‘geloof’ (belief) en het werkwoord ‘geloven’ (faith) om deze passage te vertalen: ‘Faith is nothing more – but how much this is – than a motion of the soul toward God. It is not belief. Belief has objects – Christ was resurrected, God created the earth – faith does not’ (Engelse origineel, 139).

Otten kan bij het vertalen van deze passage teruggrijpen op een onderscheid tussen een zelfstandig naamwoord en een werkwoord, maar in andere passages lukt dat niet. Daardoor raakte ik uiteindelijk wel wat gefrustreerd, zodat ik uiteindelijk ook het Engelse origineel erbij gehaald heb. Dan blijkt niet alleen dat het Engelse origineel net zo toegankelijk is, maar dat het origineel ook qua taalgebruik nogal wat rauwer is dan de nette Nederlandse vertaling die Otten aflevert. Zo komt er bij Wiman een enkele keer een goddamn of fuck voorbij, niet te vaak, en ook in contexten waarin je begrip hebt voor zijn gebruik van deze krachttermen. Maar de vertaling van Otten houdt het allemaal wel buitengewoon beschaafd.

Is dat een probleem? Ik weet best dat Nederlandse gelovigen niet zo van krachttermen houden. En het is duidelijk dat de uitgever met de publicatie van dit boek vooral de lezersmarkt van gelovigen op het oog heeft. Maar dan is er wel een probleem, namelijk dat Wiman wellicht wat al te snel als een ‘gelovige’ wordt beschouwd, of zelfs een ‘mede-gelovige’. En dat zou een vergissing zijn. Want hoe gepassioneerd Wiman soms ook over God of Jezus schrijft, hij neemt erg veel afstand van de christelijke traditie, van de kerkelijke doctrine die volgens hem teveel een kwestie van belief in dogma’s is geworden, die zekerheid centraal stelt in plaats van twijfel, die God op afstand heeft geplaatst en de mens centraal. Hij bestrijdt die elementen van het christelijk geloof niet, hij zet ze gewoon weg als irrelevant. In sommige passages schuurt hij zelfs dicht tegen atheïsme aan, zoals hij in interviews zelf ook heeft toegegeven.

Wimans geloof heeft scherpe en rafelige randen die in de vertaling soms slechts van fluweel zijn en door gelovigen gemakkelijk misverstaan kunnen worden. Uiteindelijk is dit geen boek voor overtuigde gelovigen, maar vooral voor zoekers, zoals Wiman zelf ook een zoeker is. Bij Wiman blijft uiteindelijk een raadsel wie God voor hem is, hoe hij God ziet. Het lijkt er voor Wiman ook niet zozeer toe te doen. Waar het volgens hem om gaat is vertrouwen, dus faith: ‘Zo veel geloof heeft zo weinig met geloof te maken, en zo veel met aanvaarding. Aanvaarding van alle gaven die God, zelfs in het holst van de dood, ons gunt. Aanvaarding van het feit dat we, zoals Paul Tillich zegt, aanvaard zijn. Aanvaarding van genade’ (197).

(In het Engels staat er: ‘So much faith has so little to do with belief, and so much to do with acceptance. Acceptance of all the gifts that God, even in the midst of death, grants us. Acceptance of the fact that we are, as Paul Tillich says, accepted. Acceptance of grace’ (Engelse origineel, 178).)

Geloven is aanvaarding van het feit dat we aanvaard zijn. Al het andere is ballast, zelfs projectie, zo stelt Wiman ergens. Het is een kwestie van levenshouding, niet van het hebben van de juiste overtuigingen. Geloven is een kwestie van vertrouwen dat je wordt vastgehouden, zelfs als jezelf geen bodem meer onder de voeten voelt. Dat laatste heeft Wiman letterlijk aan den lijve ondervonden. Daarover schrijft hij. En goddank dát hij dat gedaan heeft.

Dit is een boek dat alles in zich heeft om een moderne spirituele klassieker te worden. Het is een boek om te lezen, te koesteren, om te herlezen; een boek dat onrustig maakt en uitdaagt, een boek waar je uiteindelijk zelfs van wakker kunt liggen. En ik vermoed dat het Wiman precies om dat laatste te doen was.

Boekgegevens

Christian Wiman, Mijn heldere afgrond: Overpeinzingen van een moderne gelovige. Vertaald door Willem Jan Otten. Barneveld: Brandaan 2016. 198 pagina’s. ISBN 9789460050350. € 19,90.

Voor meer informatie of om dit boek te bestellen: klik hier.

Voor deze tekst maakte Taede Smedes ook gebruik van de volgende uitgave My Bright Abyss: Meditation of a Modern Believer (New York: Farrar, Straus and Giroux, 2013).

Taede Smedes

Taede Smedes

Godsdienstfilosoof, theoloog en publicist

Taede A. Smedes is actief als independent scholar en als freelance publicist. Hij heeft gewerkt aan de universiteiten van Nijmegen, Leuven …
Profiel-pagina
Al 2 reacties — praat mee.