vloeibareTwintig jaar na zijn boek Hoe overleven we de vrijheid?, waarin de Vlaamse filosoof Herman de Dijn de postmoderne tijd onderzocht, maakt hij de balans op. Hoe heeft de samenleving zich sindsdien ontwikkeld? Het beeld dat hij schetst is weinig optimistisch.

Door: Bert Altena

De Dijn signaleert in Vloeibare waarden. Zorg en onderwijs in de laatmoderne tijd dat de ideologie van de individuele zelfbeschikking zich overal in de maatschappij heeft doorgezet. Dit gaat ten koste van traditionele instellingen, die invloed verliezen of zelfs helemaal zijn verdampt. De verzuilde maatschappij is voorgoed verleden tijd.

Maar met deze teloorgang gaat ook een ander, fundamenteler verlies gepaard. Namelijk de erosie van het maatschappelijk vertrouwen die het samenleven van verschillende individuen en groepen mogelijk maakt. In plaats van vertrouwen wordt onze moderne tijd bepaald door geïnstitutionaliseerd wantrouwen, waardoor er op allerlei terreinen politieken van beheersing worden ontwikkeld. Berucht is de regelzucht in de zorg en in het onderwijs. Werknemers op de ‘werkvloer’ zijn daardoor steeds meer tijd kwijt aan rapportage en verantwoording, waardoor ze steeds minder aan hun eigenlijke werk toekomen.

Hiermee verbonden is het gegeven dat de (laat)moderne mens niet meer kan omgaan met tragiek en eindigheid, volgens De Dijn. We accepteren niet dat er voor sommige (gezondheids)problemen geen oplossing voor handen is. Mensen zijn geobsedeerd door veiligheid. Elk risico dient uitgesloten te worden. Er is een groot geloof dat door steeds betere en verfijnde regelgeving op allerlei vlak, het leven beheersbaar kunnen maken.

In verschillende hoofdstukken, grotendeels gebaseerd op eerder gepubliceerde artikelen, gaat De Dijn de maatschappelijke tendens na in de domeinen van zorg, hulpverlening en onderwijs. Steeds wijst hij daarin op de paradox dat de zelfbeschikking die wordt gepredikt en nagestreefd, juist het tegenovergestelde maatschappelijke effect met zich mee brengt. Het individu wordt minder vertrouwd en zijn of haar autonomie door een politiek van controle en beheersing steeds meer ingeperkt:

“Nog nooit in de geschiedenis leefden wij in een zo beschermde maatschappij. Nog nooit lijkt het gevoel van onzekerheid en onveiligheid zo groot te zijn geweest (…) Om het complexe samenleven en zijn gevolgen enigszins te beheersen, interfereert de staat meer en meer in het leven van individuen en groepen. Er ontstaat een nieuw soort moraal en disciplinering van staatswege. Met nieuwe waarden als diversiteit, tolerantie, anderen niet tot last zijn of geen overlast veroorzaken; met nieuwe regels in verband met milieu, gezondheid, mobiliteit, duurzaamheid, lawaaihinder, enzovoort” (p. 57).

Op alle genoemde terreinen detecteert De Dijn nauwkeurig hoe de laatmoderniteit vast dreigt te lopen. ‘Vermarkting’ en ‘vermanaging’ (p. 113) die gepaard gaan met het beheersingsstreven gaan voorbij aan de diepere drijfveren voor het menselijk handelen. Volgens De Dijn vergeten we datgene waar het eigenlijk om gaat, namelijk dat de mens een fundamentelere behoefte heeft aan zingeving en aan erkenning voor het eigen leven als iets dat in zichzelf waardevol en van betekenis is. Het is malaise van de laatmoderniteit “dat de technisch-wetenschappelijke-organisatorische rationaliteit niet in staat bleek om het verlangen naar zin te bevredigen. De moderne krachten waarvan de mensheid zoveel verwachtte, leken daarbij soms veeleer tot ondergang dan tot vooruitgang te zullen leiden” (p. 159).

De analyse van De Dijn wordt helder en met overtuiging gebracht. Ze vindt ook steun bij tal van andere denkers, zoals Paul Verhaeghe en Dirk De Wachter (een Vlaamse school?). Hier en daar lijkt er een zekere nostalgie naar het rijke roomse verleden door te klinken, maar De Dijn is filosoof genoeg om te beseffen dat een terugkeer naar vroeger ondenkbaar is.

Hoe het dan wel moet? Daarover heeft hij helaas weinig tot niets te melden. Hij komt niet veel verder dan gratuite opmerkingen dat er “zelfs in een woestijn oases zijn” (p. 78) of dat “zolang er kinderen worden geboren, er hoop is andere tijden”, een zin waarmee het boek eindigt (p. 163).

Misschien is het ook te veel gevraagd om van de filosoof antwoorden te verwachten. In ieder geval bieden zijn tijdsanalyses voldoende aanleiding om naar die antwoorden op zoek te gaan, of is dat ook niet meer dan een gratuite verzuchting?

Klik hier voor de boekgegevens.

Bert Altena is predikant in Assen. Voor meer informatie: www.bertaltena.com.

Nog geen reactie — begin de discussie!