moslimmmmIn zijn slotwoord stelt Mohamed Ajouaou dat hij geen oordeel velt, maar beschrijft en reflecteert. In Wie is moslim? Geloof en secularisatie onder westerse moslims beschrijft hij inderdaad de complexiteit en diversiteit van religiositeit in de islam en reflecteert hij op manieren om indicatoren van religiositeit én secularisatie te onderscheiden.

Door: Karen Ghonem-Woets

Islam en moslims. Iedereen heeft er een beeld bij, of je nu wel of niet bekend bent met deze religie of met individuele moslims. Dat de islam vandaag de dag een slechte pers heeft en vaak gelijkgesteld wordt aan radicalisme, zal dat beeld zeker niet positief beïnvloeden. Het is steeds noodzakelijker om een genuanceerd geluid te laten horen, ook al kun je je pessimistisch afvragen of dat wél iets kan veranderen… Zo’n geluid laat Mohamed Ajouaou horen in zijn nieuwe boek door onderscheid te maken tussen verschillende aspecten van religiositeit met betrekking tot geloofsleerstellingen, opvattingen en -praktijk. Zijn kritiek op publicaties als die van bijvoorbeeld het SCP is namelijk “dat deze te veel nadruk leggen op de religieuze praxis – in haar devotionele aspecten en in het sociale verkeer – als hét domein waar de rol van betekenis van de islamitische religie zouden afnemen dan wel toenemen” (p. 213). Ajouaou komt echter tot de conclusie dat indicatoren van afname vooral buiten die praxis liggen, “in het domein van de geloofsleerstellingen en -opvattingen in de brede zin van het woord” (p. 213).

De manier waarop Ajouaou tot die conclusie komt, is voor een geïnteresseerde leek als ondergetekende soms niet helemaal goed te volgen, maar dat maakt de beschreven materie en de gedachtegang niet minder interessant. Op basis van soera 23, ‘De gelovigen’, komt Ajouaou tot een basisprofiel en een uitgebreid profiel van de gelovige. Hierna beschrijft hij de verschillende aspecten die te maken hebben met het praktiseren van geloof. Na een soort uitstap naar hoe geloof in de vroege islam werd gedefinieerd, volgt een hoofdstuk over indicatoren van seculariteit, gebaseerd op diverse bronnen van zowel voor- als tegenstanders. In zijn conclusie komt Ajouaou weer uit bij religiositeit door vier dimensies van religiositeit te onderscheiden, waarin de eerder onderscheiden aspecten opgenomen zijn: de experiëntiële dimensie (vooral de zes geloofsfundamenten), de consequentiële dimensie (de vijf zuilen, geboden met betrekking tot sociale omgang, vieren van feesten etc.), de ideologische dimensie (opvattingen over o.a. umma, shari’a, niet-gelovigen, andersgelovigen etc.) en de intellectuele dimensie (kennis in brede zin, zoals: opvattingen over wetenschap bedrijven, kennis van islam en haar geschiedenis, opvattingen over religieuze overdracht etc.). Ajouaou verricht zijn analyses op basis van de Koran, theologische bronnen, andersoortige wetenschappelijke bronnen, en eigen ervaringen en observaties.

Wat Ajouaou laat zien, is hoe groot de diversiteit in geloofsbeleving en het uitdragen hiervan kan zijn onder moslims. Wanneer je spreekt van indicatoren, zoals Ajouaou doet, kan echter wel sprake zijn van subjectiviteit. Dat spreekt voor mij uit de koppeling van seculariteit aan de ideologische dimensie. Een toename van seculariteit, en dus afname van religiositeit, gaat in de context van de islam samen met onder meer “rationalisatie; aanvaarding van de moderniteit als levensstijl en als referentie voor het verstaan van de religieuze bronnen; (…) universeel denken; kritisch denken; religieuze vrijheid en tolerantie…” (p. 214). In een filmpje op Youtube zegt Ajouaou het wat directer: secularisatie bestaat in de islam en een seculiere moslim is onder meer voor gelijkheid van iedereen, gelijkwaardige man-vrouwverhoudingen en tegen discriminatie (zie: https://www.youtube.com/watch?v=N5Rg7aaO2O4’). Waar problemen als radicalisering kunnen optreden, gaat het volgens Ajouaou om de ideologische dimensie, om opvattingen die de relatie tot de ander betreffen. Verwijzend naar de sociologische onderzoeken zoals hierboven aangehaald, concludeert Ajouaou dat de daarin aangevoerde indicatoren, “die focussen op het uitwendige religieuze gedrag – de vijf zuilen van de islam, de religieuze voorschriften – onbetrouwbaar zijn wanneer ze worden benaderd en geïnterpreteerd los van de innerlijke motivatie, persoonlijke opvattingen en religieuze denkbeelden van de betreffende individuele moslim” (p. 215-216). Het lijkt voor de hand liggend: twee moslims bidden allebei vijf keer per dag, gaan op vrijdag naar de moskee, vasten in Ramadan en geven zakaat, maar kunnen hemelsbreed verschillen qua opvatting over bijvoorbeeld het gebruik van geweld tegen andersgelovigen of het al dan niet zelf kunnen interpreteren van de islamitische bronnen, om maar eens iets te noemen. Dit roept de vraag op waarom het verschil in opvattingen op de meetlat van een term als secularisatie gelegd moet worden. Veel moslims zetten zich er immers voor in, om met behoud van hun religiositeit, de door Ajouaou genoemde indicatoren van secularisatie juist in de islam te vinden. De term seculier suggereert dat je daarmee een stapje buiten je religie hebt gezet. Met andere woorden: zetten we hiermee orthodoxe moslims tegenover seculiere moslims? Zijn “rationalisatie”, “aanvaarding van de moderniteit als levensstijl”of “kritisch denken” per definitie niet te verbinden met de islam of met een sterke mate van religiositeit? En wat lossen we op met een op de islam gerichte invulling van het begrip secularisatie?

Andere kritische punten: in de ondertitel gaat het over westerse moslims, maar in de praktijkvoorbeelden zijn het niet alleen westerse moslims die aan het woord komen. Ajouaou haalt ook regelmatig discussies aan die in Marokko spelen. Verder is er veel aandacht voor opvattingen van imams die in het gevangeniswezen werken en opvattingen van gedetineerden. Dit is wel verklaarbaar vanuit een van de functies van Ajouaou, maar de aandacht hiervoor is erg prominent in een boek dat over moslims in het algemeen gaat. Verder zou je soms wat meer uitleg willen, zoals bij het onderwerp kennis en religiositeit. Ajouaou gaat hier nauwelijks in op de verschillende manieren waarop een gemiddelde moslim kennis opdoet of kan opdoen, op opvattingen over de omgang van ‘leken’ met bronnen en interpretaties, en dus ook niet op de grote waarde die aan overleveringen wordt gehecht en het mogelijke gevaar daarvan.

Terug naar het slotwoord, waarin Ajouaou als volgt eindigt: “Ik hoop dat ik hiermee het maatschappelijk debat en het wetenschappelijk bedrijf omtrent deze vraagstukken heb gevoed met nieuwe inzichten en stof voor verder nadenken én handelen” (p. 217). Misschien heeft de vooral theologische verhandeling van Ajouaou nog een aantal vertaalslagen nodig voordat er daadwerkelijk inzichten kunnen worden toegepast, maar stof tot nadenken geeft zijn boek zeker.

Voor de boekgegevens of om het boek te bestellen: klik hier.

Karen Ghonem-Woets werkt aan de Universiteit van Tilburg binnen het NWO-project Emergent Cultural Literacy aan een tweede proefschrift over deugden en dilemma’s in jeugdliteratuur. Daarnaast is zij recensent en schrijft zij artikelen over het gebruik van jeugdliteratuur in het onderwijs en in interculturele/-religieuze communicatie.

Nog geen reactie — begin het gesprek.