Het begint ongeveer 2500 jaar geleden. De Eeuwige maakt gebruik van de diensten van koning Nebukadnezar om Zijn Joodse Volk te verbannen naar Babylon. De Joden leven daar in diaspora. Maar G’d verlangt er toch naar om die ‘Uitverkorenen’ in Zijn nabijheid te hebben. En ook het Joodse Volk hunkert heftig naar een terugkeer tot de Eeuwige maar weet zich door de ballingschap ver verwijderd van Zijn Almacht.

Ondanks dat wederzijds verlangen bedient G’d zich tot drie keer toe van het bezweren van Zijn volk om een voortijdige terugkeer te voorkomen. Dit drie keer bezweren gaat de Joodse geschiedenis in als “De drie eden of beloften” (Babl. Talmoed Ketuboth 111a). Aan de hand van een Bijbeltekst wordt ons getoond hoe G’d Zijn kinderen bezweert: “Bij de gazellen en de hinden, wek de liefde naar mij niet op! Laat de liefde niet voor tijdig ontwaken!” (Hooglied 2:7).

Volgens de Talmoed gaat het hier om een dringend verbod aan het Joodse volk om de diaspora wanneer dan ook voortijdig te verlaten. Ook niet vanwege haar niet-aflatende liefde voor de Eeuwige en het Heilige Land. Op straffe van dat zij verlaten en opgejaagd worden zoals ‘gazellen en hinden’ moeten de ballingen blijven waar ze zijn. “Trek niet gewapende hand op naar Erets Jisraeel, het Heilige Land. Blijf tussen de volkeren totdat Mijn Gezalfde, de Messias, jullie oproept om terug te keren naar het land van jullie aartsvaders”.

Iets later worden in datzelfde Hooglied deze woorden herhaald. Voor de Talmoed betekent deze herhaling dat de Eeuwige de Kinderen Israëls opnieuw bezweert. Nu niet over het voortijdig verlaten van de ballingschap. Deze keer gaat het over de manier hoe Zijn Volk zich moet blijven schikken in haar onderdanigheid ten opzichte van de volkeren onder wie zij is veroordeeld te leven. Dus op de plaats van de ballingschap zelf: Bij de ‘gazellen en de hinden’, sta niet met gewapende hand op tegenover de volkeren waar de Eeuwige jullie naartoe heeft verbannen.

En dan is er nog een derde keer dat G’d de bewoording van het bezweren gebruikt. Deze keer in het laatste hoofdstuk van het Hooglied. Alleen deze laatste keer is het geen verwijzing naar de Kinderen Israëls maar naar de volkeren om hen heen. G’d bezweert de Gojim, de volkeren, om de in hun midden verblijvende Kinderen Israëls niet bovenmatig te onderdrukken zolang zij zich schikken in hun diaspora-lot, in afwachting van de openbaring van de Messias.

De allegorische toepassing van ‘de gazellen en de hinden’ vindt via de uitleg van deze ‘drie eden’ haar weg naar de wetgeving voor de Jood. Vroegmiddeleeuwse schrift- en wetsgeleerden zoals Maimonides, Nachmanides, Bahya ben Asher ibn Halawa en anderen leggen ‘de drie eden’ vast in onze wetboeken met de kanttekening dat de eden niet alleen golden voor de Babylonische ballingschap maar ook voor alle diaspora’s die volgen. Dus ook voor de ballingschap die aan het begin van de algemene jaartelling begon in het Romeinse rijk en waar het Joodse Volk na twintig eeuwen nog steeds in verkeert.

Zoals gezegd, gaat het er dus om dat …

a) het Joodse Volk niet op eigen initiatief voortijdig vanuit de diaspora mag terugkeren naar Erets Jisraeel, het Heilige Land;
b) het Joodse Volk zich niet gewapenderhand mag verzetten tegen de volkeren waartussen zij verblijven;
c) en dat de volkeren die heersen over de Joden in Diaspora, het volk niet bovenmatig zullen onderdrukken.

De seculiere zionistische voormannen van het eerste uur, zoals de in de eerste aflevering van deze serie genoemde Theodor Herzl, Max Nordau of Ze’ev Jabotinsky, lieten zich bijna vanzelfsprekend weinig gelegen liggen aan deze Bijbelse en Talmoedische beschouwingen. Wat G’d eeuwen geleden heeft bezworen is voor Joden, zuchtend onder het juk van verdrukking en vervolging in de negentiende en de twintigste eeuw, in hun ogen niet meer relevant. Ook niet wanneer de wetgevers ‘de drie eden’ als bindend vastleggen. Dit nog afgezien van de vraag of er in de gedachtewereld van deze mensen sowieso sprake was van enige erkenning van een G’ddelijk gezag.

Veel interessanter is hoe de religieuze zionisten van het eerste uur hiermee omgingen. In het Noord Poolse Toruń woonde rabbijn Tsvi Hirsch Kalischer (1795-1874). Anders dan velen in Oude Jisjoew, de oorspronkelijk Joodse bevolking in het Heilige Land, was hij een van de vroege zionisten, maar dan wel vanuit orthodox-joodse achtergrond. De armoedige situatie van de Oost-Europees Jood bracht hem op het idee om veel van ‘de bedelaars’ uit Polen over te brengen naar het Heilige Land en daarnaast de ‘bedelaars’ die daar al woonden, kennis en praktijkervaring bij te brengen om in hun levensonderhoud te voorzien. Vanuit dit idee kwam hij ook in contact met de ondersteuners van het seculiere idee van het oprichten van een Joodse Staat.

Maar zelf was hij niet bezig met de oprichting van die staat. En al helemaal niet met ‘massaal optrekken naar het Heilige Land of zich met gewapende hand verzetten tegen de volkeren waar de Joden tussen verblijven’. Mogelijk zou die weg hem deels in botsing hebben kunnen brengen met ‘de drie eden’. Maar misschien had hij zich ook geschikt in de inmiddels lopende discussie hierover, zoals vastgelegd door Maimonides en Nachmanides. Het debat ging natuurlijk ook over de derde van ‘de drie eden’ die gericht was aan de volkeren. Zij zouden de Joden in diaspora niet bovenmatig mogen onderdrukken. Maar ja, deze volkeren hielden zich niet aan hun door G’d afgedwongen eed. Onderdrukking en het vervolgen van Joden was gemeengoed in het Europa van toen. Daarmee gaven zij reden voor Joden, ook in sommige orthodox-religieuze kringen, om toch na te denken of de Jood zich nog wel moest houden aan de eed van het “niet terugslaan” of aan de eed van het niet in bezit nemen van het oorspronkelijke thuisland door massaal terug te keren vanuit de gedachte: ‘Uiteindelijk moeten we overleven!’

Wat voor rabbijn Kalischer gold, was ook van toepassing op zijn tijdsgenoot rabbijn Jehoeda Alkalai (1798-1878). Deze geestelijke beschouwde de terugkeer van het Joodse Volk naar het Joodse Land voor een goed deel niet alleen vanuit de Talmoedische bronnen, maar ook nadrukkelijk vanuit de Kabbala, de veel meer mystieke benadering van het Joodse Bijbels gedachtengoed. Vanuit zijn benadering was het van essentieel belang dat de Joden terugkeren naar het Heilige Land opdat daardoor de komst van de Messias een realiteit wordt. Maar ‘de drie eden’ dan? Kabbala hecht zich niet altijd aan de halacha. Kabbalistische, meer mystieke, benaderingen overstijgen nog weleens de letter van de wet.

Belangrijk is het om te beseffen dat de stellingname van deze twee rabbijnen al tientallen jaren eerder ontstond dan dat het seculiere zionisme van Herzl en Nordau van zich liet horen.

Na het eerste zionistische wereldcongres in 1897 waar Herzl zijn plannen ontvouwt, komt ook religieus Europa in beweging. Ter ondersteuning van de Oude Jisjoew in het Heilige Land, keert het orthodoxe Jodendom vaak in felle bewoordingen tegen het ontstane zionistische seculiere leiderschap. De geestelijke leiders van de Chassidische stromingen in Oost Europa, de orthodoxe rabbijnen in het Duitsland van de negentiende en later de twintigste eeuw, naast ook een goed deel van de Nederlandse rabbijnen en opperrabbijnen, moeten niets van zionisme weten. ‘De drie eden’ zijn heilig voor hen. Zonder enige concessie.

Aan de andere kant van het spectrum gebeurt ook veel. Binnen voornamelijk het Oost-Europees religieus establishment komt een nieuwe stroming op gang. Onder de noemer religieus zionisme ontstaat in 1902 de organisatie ‘Mizrachi’ in het Litouwse Vilnius. Het is een verbond van Joden die zowel het leven volgens de Thora als het zionistisch nationalisme uitdragen. Deze stap is natuurlijk tegen het zere been van de niet-zionistische religieuze gemeenschap. Maar zij zet toch door. En haar invloed wordt ook duidelijk zichtbaar in het Heilige Land van de vroeg twintigste eeuw.

De verschillen zijn groot tussen seculiere en religieuze zionisten. Toch ontstaat er een soort gezamenlijk optrekken om de zionistische droom van een ‘Joodse Staat’ uiteindelijk te verwezenlijken.

Opperrabbijnen Sonnenfeld en Kook
Opperrabbijnen Sonnenfeld en Kook Beeld door: Wikimedia

En de Oude Jisjoew? Deze houdt voet bij stuk. En dat kan zij heel goed. Zij heeft nieuw leiderschap gekregen. In 1873 vertrekt vanuit Oostenrijk de jonge rabbijn Yosef Chaim Sonnenfeld naar het Heilige Land. Als een zware opponent tegen het zionisme wordt hij in Jeruzalem in 1919 tot opperrabbijn benoemd. Twee jaar later is hij medeoprichter van de Eda Hachareidis, de georganiseerde orthodoxe gemeenschap voor de Oude Jisjoew. De Eda Hachareidis is tot op vandaag de krachtige op religieuze grondslag gebaseerde tegenpool van het zionisme.

Rabbijn Sonnenfeld vindt wel snel een krachtige opponent tegenover zich. De religieuze zionisten komen met de in Rusland geboren Rabbijn Abraham Isaac Kook, eveneens in 1919 benoemd tot opperrabbijn van Jeruzalem. Twee jaar later wordt hij opperrabbijn van geheel Palestina. Dit gebeurt allemaal tijdens de Britse mandaatperiode.

We zien hier twee grote geleerden, krachtige geestelijk leiders die de confrontatie aan moeten gaan over zionisme in een Joodse Staat waarvan de oprichting steeds dichterbij komt. Twee grote geestelijken die hun wijze hoofden gaan buigen over de voorbereidingsperiode voor de komst van de Messias. Mét een Joodse Staat of zonder een Joodse Staat…

Lody van de Kamp2

Lody van de Kamp

Rabbijn

Afkomstig uit een Joods gezin waarvan de vader twee jaar doorbracht in het concentratiekamp Auschwitz en de moeder als onderduikster de …
Profiel-pagina
Nog geen reactie — begin het gesprek.