De vogels komen met twijfels en bezwaren
Een zwaluw vloog omhoog en riep uit de lucht: ‘Hoe kunnen we geloven in een vogelkoning die we nog nooit hebben gezien? Wat als hij helemaal niet bestaat?’ Ze priemde met haar snavel in de richting van Hop. ‘Je vertelt een mooi verhaal over die ene veer ergens in China… maar hoe weten we zeker dat die veer echt bestaat? En als die echt bestaat, hoe weten we dan dat het werkelijk een veer van de Simoerg is, en niet zomaar van een andere vogel? Eén veer is toch geen bewijs voor een hele vogelkoning?’
Hop knikte en antwoordde geduldig: ‘Je hebt helemaal gelijk, Zwaluw, dat de veer geen sluitend bewijs is. Maar het is wel een teken… Als je twijfelt, ga dan mee op reis! Alleen door deze reis te maken, kun je erachter komen of de Simoerg echt bestaat.’
Het was niet alleen wát Hop zei, maar vooral hóé hij het zei. Zijn toon en blik barstten van zelfvertrouwen. Dit wekte in Zwaluw een nieuwsgierigheid die sterker was dan haar twijfel. Zwaluw maakte een grote boog door de lucht, alsof er iets in haar van richting was veranderd.
Hop begon de vogels in de kringen langs te gaan. Hij maakte snelle sprongetjes naar voren en sprak toen een nachtegaal aan die juist haar keel schraapte om te gaan zingen. Ze zat op de tak van een rozenstruik, waar een prachtige rode roos aan groeide die in volle bloei stond.
‘Excuseer me, Hop,’ zong Nachtegaal zacht en dromerig, ‘mijn hart is al vervuld. Deze roos schenkt mij zo veel liefde, dat ik voor geen goud bij haar weg zou willen gaan. Als ik haar moest verlaten, zou mijn hart breken. Zij is mijn kracht, mijn reden om te zingen.’
‘Ach, Nachtegaal,’ zei Hop, ‘de roos is prachtig, ik zie het. Maar een roos zal, net als alles in het leven, uiteindelijk verwelken. Ook jouw liefde zal voorbijgaan. Zou je niet liever een liefde willen voelen die eeuwig is? De Simoerg kan jou helpen met een liefde die al het aardse overstijgt. Een hemelse liefde, zacht als veren en sterk als vleugels, die jouw hart overal en altijd zal vervullen.’
Hop hupte bij Nachtegaal weg, zodat zijn antwoord rustig kon bezinken. Hij keek naar een jachtvalk, die met een statige blik op hem neerkeek vanaf een hoge tak. Hop vloog op en landde vlak naast hem.
De jachtvalk, trots en gehoorzaam aan zijn menselijke meester, sprak: ‘Ik heb al een meester, een adellijke heer. Hij voert me, traint me en waardeert mijn kracht. Waarom zou ik iemand anders dienen? Ik ben nodig bij de jacht. Stel je voor dat mijn meester straks geen jachtvalk meer heeft – dat zou toch verschrikkelijk voor hem zijn?’
‘Ach, beste Valk,’ antwoordde Hop op respectvolle toon, ‘jij bent gehecht aan de macht en de status die jouw meester je verleent met een zilveren ringetje om je poot. Maar beste Valk, zolang jij met zijn hand verbonden bent, ben je niet vrij. Jouw vleugels, gemaakt om hoog te zweven en vrij te jagen, worden gebruikt om de eer van een ander te vergroten. Zou je niet méér jezelf zijn wanneer je loskomt van de riemen en zelf mag bepalen waarheen je vliegt?’
Valk zei niets. Hij staarde Hop verbijsterd aan.
Vervolgens ging Hop naar de eend die vlak onder de boom van Valk aan het badderen was in de vijver. ‘En jij, Eend?’ vroeg hij.
‘O, jij denkt dat we naar de Simoerg moeten om zuiverder te worden, puurder, schoner. Maar ik leef in het water en reinig mezelf constant. Mijn ritueel van spetteren en spatteren reinigt mijn ziel. Je maakt mij niet wijs dat ik mijn ziel nog zuiverder kan maken door naar een koning te vliegen.’
‘Ha,’ zei Hop. ‘Jij hebt inderdaad een mooi ritueel voor jezelf gemaakt, Eend. Dat is vast belangrijk voor jou. Maar ik zeg je, Eend, met zo’n oppervlakkig badder-ritueel reinig je je ziel niet. Voor een echt zinvol leven moet je niet alleen het water in duiken en je veertjes wassen, maar ook diep naar binnen – je ziel in duiken. Dat kun je pas doen als je je buiten je vertrouwde vijver durft te bewegen. Vlieg met mij mee!’
Nu zwaaide Mus met haar vleugel, en Hop kwam naar haar toe. Ze zei: ‘Ik wil wel, Hop, maar kijk eens naar mij. Ik ben bijna de kleinste van allemaal! Ik ben zeker niet sterk genoeg voor alle beproevingen die ons daar te wachten staan, of wel?’
Hop keek haar vol bewondering aan. ‘Als eerste van alle vogels zeg jij tegen mij dat je mee wilt gaan, kleine Mus. Jij hebt het lef om je angsten onder ogen te zien. Dat is wat telt, niet hoe groot of sterk je bent. Vertrouwen en overgave zijn nodig. En ik geloof dat ik die dingen wel in jou zie. Nietwaar?’
Mus glom van verrukking. Het was waar. Ze vond het ongelooflijk spannend, maar in haar hart brandde een vuur: ze stond te popelen om zich bij Hop aan te sluiten.
Toen viel de blik van Hop op de pauw, die net zijn staartveren in een tooi achter zich opstak. Zijn kop was omkroond door een boog van turquoise veren met ogen. Met een verwaande blik keek Pauw neer op Hop, die rustig naar hem toe stapte.
‘Ooit woonde ik al in een paradijs,’ sprak Pauw met bekakte stem. ‘Ik ben van adel, begrijp je wel? Mijn familie is niet minder dan koninklijk. Ik hoef dus niet op zoek naar een andere koning.’ Hop trok zijn wenkbrauw op. Pauw voegde er luid aan toe: ‘Róyaal!’
Sommige vogels kuchten en grinnikten om het gepoch van Pauw. Ook Quetzal was niet onder de indruk. Hij zei lachend: ‘Ik had nooit gedacht dat mooie veren genoeg zijn om iemand tot koning te kronen. Ben ik dan ook koninklijk?’
Pauw negeerde de vraag van Quetzal en sprak tot Hop: ‘Een listige slang heeft mij verleid om het paradijs te verlaten. En nu ben ik hier, op deze simpele aarde. Maar eigenlijk ben ik veel te mooi voor deze wereld. Kijk naar mij! Ik pas hier toch niet tussen?’
‘Je bent prachtig, beste Pauw,’ zei Hop tactvol. ‘Maar je weet toch dat uiterlijke schoonheid op een dag zal vergaan? Ook jij zult ooit je veren verliezen. Is het dan niet wijzer om vrij te worden van trots en ijdelheid? Ga met ons mee om het ware paradijs te vinden: het paleis van de Simoerg.’
Terwijl Pauw zich peinzend terugtrok, riep Quetzal: ‘Ja, ga met ons mee!’
Mus keek naar de kleurrijke vogel naast haar. ‘Dus jij gaat ook mee?’ vroeg ze zacht.
‘Ja!’ zei Quetzal vastbesloten.
Hop knikte en zei zacht: ‘Ik wist het al toen ik je voor het eerst zag.’
Vandaag verschijnt De vlucht van de vogels, een eigentijdse hervertelling van het soefi-meesterwerk Mantiq at-Tayr (Arabisch: منطق الطير). Bovenstaande tekst is een fragment als voorpublicatie. De feestelijke boekpresentatie is op 21 mei om 18.30 uur in de Ulu Moskee in Utrecht. Meer informatie over deze en andere presentaties en de achtergrond van het boek, is hier te vinden.
Het oorspronkelijke werk werd geschreven door de Perzische mysticus Farid ad-Din Attar (twaalfde eeuw) en vertelt de allegorische reis van een grote en superdiverse groep vogels die samen onder leiding van de hop op zoek gaan naar de diepere betekenis van het leven. Attars poëzie vormde een belangrijke inspiratiebron voor latere mystici zoals Jalal ad-Din Rumi. Deze nieuwe bewerking verbindt de tijdloze symboliek van het verhaal met hedendaagse thema’s met na elk hoofdstuk een aantal levensvragen waar de lezer alleen of in een groep over door kan filosoferen.
De vlucht van de vogels. Een filosofische hervertelling door Sabine Wassenberg en Kamel Essabane, gebaseerd op Mantiq at-Tayr van mysticus Farid ad-Din Attār uit de twaalfde eeuw. Illustraties: Iris van der Veen. ISBN: 9789493394742. Uitgeverij Samsara. Amsterdam, 2026.


Als we één zijn met de natuur wordt ons altijd een spiegel voorgehouden.
Mijn filosofie scriptie ging ooit over spontane orde en de Fabel van de Bijen van Bernard Mandeville.
Schotse Verlichting en Soefi Mystiek. Dichter bij elkaar dan velen zullen denken. Die ratio zit ons best vaak in de weg.