Twee zaken helpen de Gazanen in hun humanitaire doodsnood het meest: het beetje materiële hulp dat ze ontvangen én het contact met de buitenwereld. Dat laatste zegt hun dat ze echt geen menselijk ongedierte zijn. Het weerspreekt de boodschap van vernietiging die dagelijks op hen neerdaalt en die luidt: jouw leven is niets waard. Het bevestigt dat ze nog steeds menselijke wezens zijn die de belangstelling en het medeleven waard zijn van andere menselijke wezens, in een ander, veiliger deel van de wereld ver buiten hun omheinde stukje hel op aarde.

Ali is niet het enige contact van Suzanne in Gaza dat hiervan blijk geeft. Karam, docent aan een taalschool in Gaza-Stad, inmiddels gevlucht naar Rafah op de grens met Egypte, was vroeger een uiterst mededeelzame man, vertelt ze. Nu is hij stilgevallen, met stomheid geslagen door alles wat hij heeft meegemaakt en gezien. En toch liet hij de kunstenares weten: ‘Blijf mij vragen hoe het met mij gaat, ook al geef ik je geen antwoord, kan ik je dat meer niet geven’.

Als Palestijnen in Gaza wél een antwoord geven, klinkt dat dikwijls verbazingwekkend opgeruimd: ‘Met ons gaat het goed, al-hamdullilah’. Waarop mededelingen volgen als: ‘Onze tent staat onder water’. Groothuis weet wat er met dat ‘met ons gaat het goed’ wordt bedoeld: ‘We leven nog’. Dat is alles. Mensen zijn gebroken, berooid. Maar ze kunnen nog zeggen dat ze ademen, dat ze bestaan’.

Gaza_kunstwerk Ali
Het kunstwerk van Ali

In november was er een expositie in Brussel van kunst door jongeren uit de Gazastrook. Ali was vertegenwoordigd met een opvallende driedimensionale compositie van een surfer, die hij vervaardigde toen hij zeventien was. ‘Ik wilde een schilderij voor jullie maken van een sport die ik graag zou leren’, aldus een begeleidende tekst.

Nu zegt Ali: ‘Misschien ga ik snel dood, maar ik ben wel beroemd geweest in Brussel’.

Cynisch bedoeld? Suzanne zegt van niet. ‘Ik denk dat hij het meent. De Gazanen willen niet worden vergeten. Anderen moeten weten dat ze ooit hebben bestaan. Dat is wat erachter zit’.

Voor de kunstenares, afkomstig uit Gorredijk maar al een tijd woonachtig in Brussel, is de Gazastrook een dierbare plek geworden. Het begon toen zij in 2016 collega Ingrid Rollema ontmoette. Die had in 1992 samen met Willem Vugteveen de Stichting HOPE (Holland Office for Personal Encouragement) in de Gazastrook opgericht. Deze kleine maar veerkrachtige instelling staat getraumatiseerde en gehandicapte kinderen bij door hen op speelse wijze in aanraking te brengen met kunst en cultuur in breedste zin: beeldende kunst, muziek en dans, theater, lezen en schrijven. Zo leren ze te dromen, zich emotioneel te uiten, ontwikkelen ze een gevoel van eigenwaarde waarmee ze de omstandigheden in de Gazastrook beter aan kunnen.

Suzanne ging in op de uitnodiging van Ingrid om een keer mee te gaan naar Gaza. Dat werd geen onverdeeld succes. Het lag niet aan de mensen. Die begroetten haar heel hartelijk. Al te hartelijk, zelfs. Ze behandelden haar als Europeaan Die Kwam Helpen, met alle egards die daarbij hoorden, en daar werd ze ongemakkelijk van. Niet alleen omdat ze er niet van houdt op een voetstuk te worden gezet, maar ook omdat ze wel in de gaten had dat ze de plank missloeg. ‘Ik zag best aan hun gezichten dat ze het helemaal niets vonden wat ik deed. Mijn idee was om straatafval te hergebruiken, er bijvoorbeeld bloemetjes van te maken en daarmee huizen te versieren. Maar mensen daar vinden straatafval gewoon vies. Dat raak je niet aan, daar doe je niets mee.

Ze kwam voor een moeilijke beslissing te staan: of met een vervelend gevoel naar huis gaan en niet meer terugkomen, of zich voor langere tijd aan HOPE en Gaza verbinden. De mensen en de omgeving bevielen haar, maar ze moest die beter zien te begrijpen. Dus moest ze er ook langere periodes zijn. Ingrid, die wel wat hulp kon gebruiken, vond het een goed idee en zo bracht Suzanne de afgelopen jaren een kwart van de tijd in de Gazastrook door. Het geteisterde strookje land van nog geen vierhonderd vierkante kilometer werd haar tweede thuis, waar ze veel vrienden maakte en, zoals het onder echte vrienden hoort, ook af en toe constructieve kritiek kreeg.

SuzanneInGaza
Suzanne Groothuis in Gaza

Inmiddels noemt Ingrid haar collega ‘een klankbord voor lokale mensen’. Suzanne benadrukt dat zij uitgaat van wat die lokale mensen – kunstenaars, docenten, allerlei vrijwilligers – zelf aandragen. ‘Ik heb er een hekel aan dat jij als buitenstaander even komt vertellen wat iedereen moet doen. Als je het initiatief aan de mensen zelf laat, is het voordeel dat alles doorgaat als jij er niet bent.’

Vóór 7 oktober bestierde HOPE een Studio in het Al-Amal Ziekenhuis in Khan Younis. Daar begonnen de activiteiten ooit, in wat toen nog het gebouw was van de Palestijnse Rode Halve Maan, opgericht door Fathi Arafat, broer van Yasser Arafat, die destijds in de Strook van Gaza zorgde voor een kunstminnend klimaat.

In de loop der jaren kwamen daar een Academy (voor de echte artistieke talenten), een Breakdance Academy, een Social Media Club, en de taalschool van de eerder genoemde Karam bij. De meeste vestigingen zijn in Khan Younis, sommige in Gaza-Stad. Het mag duidelijk zijn dat met het verergeren van de situatie alle reguliere activiteiten inmiddels zijn gestaakt. Er is schade, dat staat vast, maar hoe groot weet Suzanne niet.

Ze vermoedt dat ook niemand ter plaatse het weet. ‘Het Al-Amal ziekenhuis, waar onze studio is, wordt omsingeld door het Israelische leger, dus wie zijn leven lief is, blijft daar vandaan, tenzij je ziekenhuismedewerker, arts of patiënt bent. En ook rond de andere plekken is het heel gevaarlijk. Geen mens die daar komt.

De in totaal zestig tot zeventig medewerkers zijn voor zover bekend nog allemaal in leven, wel heeft iedereen naasten en dierbaren verloren. Suzanne vertelt over een medewerkster in een elektrische rolstoel: ‘Haar familie in Gaza-Stad moest vluchten omdat er acuut gevaar was. Zij kon niet mee door die rolstoel. Ze drukte de anderen op het hart haar dan maar achter te laten. Uiteindelijk wist ook zij te ontkomen. Nu zit ze met haar rolstoel zonder stroom in een tent in Khan Younis op het zand en heeft ze geen idee waar haar familie is. Dit soort verhalen grijpen je naar de keel en er zijn er natuurlijk duizenden van’.

Of HOPE nu helemaal is stilgevallen? Dat is een beetje hoe je het bekijkt. Er was een meisje dat een eigen tekenklasje was begonnen in een kamp in Khan Younis, maar dat kamp is opgedoekt en van het meisje is al weken niets vernomen. Er zijn twee medewerkers die iets proberen te doen in een kamp in Rafah, zonder enige middelen. Aan belangstelling ontbreekt het niet. ‘Het is daar verschrikkelijk druk, als er iets te beleven valt, stromen onmiddellijk honderden kinderen toe, en dat kunnen die medewerkers dan weer niet aan. Maar het zijn tekenen dat zelfs in de meest benarde omstandigheden er nog behoefte is aan spel en creativiteit.’

Niet dat HOPE zich daartoe beperkt. ‘We proberen op de simpelste manieren te helpen, maakt niet uit wat het is. Het laatste wat we vanuit Nederland hebben kunnen doen is geld sturen naar vrouwen om vijfhonderd koekjes te bakken. Daarmee zijn dan waarschijnlijk vijfhonderd kinderen heel eventjes gelukkig gemaakt, ja: elk kind één koekje.’

Heel bijzonder was het initiatief van een medewerker om een tentoonstelling te houden van tekeningen waarop zo’n honderd kinderen hun ‘dromen’ hadden uitgebeeld. Het was een openlucht-tentoonstelling: alles in Gaza is tegenwoordig in de openlucht. De huizen zijn immers vaak kapot en onder dwang van de omstandigheden verlaten, en buiten kun je beter horen en zien wat er op je afkomt. De tekeningen hingen aan een lijn die boven de ruïnes was gespannen van een recent verwoeste woning van een van de kinderen.

Het is andermaal bewijs hoe in de diepste ellende ‘kunst’ voor verlichting kan zorgen. ‘Het blijkt niet alleen uit de deelname van de kinderen, maar ook uit de wil van de volwassenen om zoiets te organiseren’, zegt Suzanne. ‘Dat is in tijden van relatieve vrede al een heel gedoe, laat staan nu.’

Belangrijk was ook, zo onderstreept ze, het thema van die tentoonstelling op – letterlijk – de puinhopen van al die jonge levens. Dat thema was: dromen. Over de toekomst.

Gaza-tekeningen-tentoonstelling

‘Kinderen hebben een ander tijdsbesef’, zegt Suzanne. ‘Ze denken dat als een oorlog lang duurt, die voor altijd is. Ze snappen niet dat er nog een tijd kan zijn na de oorlogstijd. Tegelijkertijd kun je kinderen, door ze te laten tekenen, in een hele andere wereld zetten, en ze dan toch in contact brengen met wat misschien hierna komt. Zeker kinderen van onder de tien jaar beleven werkelijk wat ze fantaseren. De scheiding tussen realiteit en verbeelding is diffuus. Ik heb ooit een workshop gehouden met collages, waarbij ze eten bij een Gazaans kind plakten, en dan werkelijk het gevoel hadden dat kind eten te geven.’

Punt is natuurlijk wel dat kinderen vanonder die verlammende mentale koepel van eeuwigdurende oorlog moeten worden weggelokt. ‘Onze docenten zijn er in getraind dat zij kinderen aan het tekenen krijgen’, zegt Suzanne. ‘Er zijn de afgelopen tien jaar zo’n vijf oorlogen geweest, sommige kinderen hebben nauwelijks iets anders gekend, en ja, dan is het ook eigenlijk niet zo gek dat die denken dat het altijd zo zal blijven als het is. Maar er is daardoor ook aanleiding genoeg geweest om die vluchthaven van het tekenen voor ze te scheppen en erin bedreven te raken hoe dat te doen. Het lukt zeker niet bij elk kind. Niet alle kinderen vinden tekenen leuk, zo simpel is het ook. Maar sommigen hebben er gevoel voor en hen kun je dan iets aanreiken om geestelijk te overleven.’

Wat trekt Suzanne eigenlijk zo aan in Gaza, ondanks alle misère? In de eerste plaats gewoonweg de warmte, hartelijkheid, zorgzaamheid, behulpzaamheid, gezelligheid en humor die in de Arabische cultuur ingebakken zitten, zeg zij. Maar ook: ‘Het is een liefdevolle samenleving. Dat zei mijn collega Ingrid laatst tijdens een bijeenkomst en daar ben ik het helemaal mee eens. Tegelijkertijd is het een diep getraumatiseerde samenleving. Het ene houdt hoogstwaarschijnlijk verband met het andere. Er zijn veel geestelijke en lichamelijke gezondheidsklachten. Het is opvallend hoe begripvol en geduldig mensen daarmee omgaan. Er gebeurt veel vanuit het collectief, iedereen is familie voor elkaar. Ik woon al dertien jaar in Brussel, en als ik hier iets heb, komen er misschien twee vrienden opdagen, in Gaza draven er vijfhonderd op. Natuurlijk, sommige mensen mogen elkaar niet maar een vraag om hulp is nooit vergeefs. Het trauma werkt kennelijk verbindend, de mensen hebben samen verschrikkingen ondergaan, dus als iemand een beetje gek doet, weet iedereen waar dat waarschijnlijk door komt’.

Suzanne heeft hele bijzondere staaltjes van Gazaanse solidariteit meegemaakt. ‘In augustus 2022 was ik er toen Israel een korte bommencampagne ontketende. Het duurde vier dagen. Naar mijn gevoel was het een oorlog – ik ben natuurlijk niet zo veel gewend. Ik verliet de Gazastrook, en voelde mij schuldig. Ik dacht: zij zitten daar in de ellende, ik ben veilig. Wat bleek? Ze hadden juist met mij te doen. Ze zeiden: wij zijn hier samen en vinden steun bij elkaar, jij moet daar alles alleen verwerken. Was jij maar bij ons.’

Juist een samenleving met littekens kan dus hele mooie trekken hebben, maar dat maakt die littekens niet minder ernstig. Daar zijn tal van verontrustende rapporten over verschenen. Vooral kinderen – de helft van de bevolking – betalen het gelag. De trauma’s uiten zich in nachtmerries, bedplassen, verlatingsangst, niet meer praten.

Suzanne heeft ook veel kinderen ontmoet met leerproblemen en wijst nog op een ander veel voorkomend, maar minder vaak genoemd verschijnsel: doofheid. ‘We hebben een hele klas van dove kinderen gehad. Dat kan komen door slechte voeding tijdens de zwangerschap, maar ook door het oorverdovende geluid van bommen. Het is met kinderfeestjes ook altijd afwachten hoe de ballonnen worden gewaardeerd. Sommige kinderen vinden ze leuk, andere lopen meteen weg. Je kunt wel raden waarom: ballonnen klappen uit elkaar, dat is eng, dat verdragen sommige kinderen niet. Ik denk niet dat je op veel plekken in de wereld voorzichtig moet zijn met een doodgewoon kinderfeestattribuut om associaties met oorlog te voorkomen.’

Er zijn veel wrede ironieën in dit conflict. Een ervan is dat er in de straten van westerse steden nooit zo veel sympathie voor de Palestijnen is betuigd als de afgelopen maanden. Evenzo heeft de Stichting HOPE, waarvan de toekomst nu volkomen onzeker is, nog nooit zo veel aandacht gekregen van Nederlandse media. Een prachtige dubbele pagina in NRC Handelsblad, aanschuiven in de praatshow van Humberto Tan.

Vindt Suzanne dat ook niet een beetje wrang? Ze zucht. ‘Zo zit de wereld nu eenmaal in elkaar. En er zijn nog zo veel meer plekken en mensen op de wereld die aandacht verdienen en die helemaal niet krijgen. Wij zijn blij dat de verhalen van Palestijnen in Gaza nu gehoord worden, en dat daar eindelijk gezichten bij zijn. Dat opent harten, terwijl foto’s van mensen in het puin bij velen iets op slot zet en aantallen van twintigduizend doden abstracties blijven. Daar is weinig identificatie mee, er zijn zo veel zielige mensen in de wereld.’

Tijdens de tentoonstelling van jongerenkunst uit Gaza in Brussel, eind vorig jaar, zag zij dat bezoekers overmand raakten door emotie. ‘Juist omdat het zo gewoon en herkenbaar was wat ze zagen. Een tekening van een meisje van elf, met een begeleidende tekst dat ze graag een prinses wil zijn. Zoiets komt aan, dat blijft in je hoofd hangen, en dat is ook de kracht van kunst. Verder geven die tekeningen en schilderijen Gaza de kleur die je al kende als je er vaak was geweest. Maar bijna niemand is in Gaza geweest. Dus overheerst er een beeld van gauwe ellende. Pas als het grote publiek die kleur óók te zien krijgt, komt er brede sympathie voor de Palestijnen in Gaza los, dan wordt Gaza de moeite waard om je hart aan te geven.’

Heeft ze nog hoop? ‘Altijd, want zo ben ik opgevoed. Ik hoop dat Gaza ooit weer tot bloei komt. Of het ooit heeft gebloeid, gedurende de bezetting? Ik vind van wel, hoe moeilijk het leven er ook was, hoeveel armoede en oorlogsgeweld er ook waren. Het bloeide dankzij de mensen. Het bloeide in zijn kern, waar het ertoe doet. Maar ik ben heel bang dat die bloei niet meer terugkomt, dat het licht in veel mensen voorgoed is gedoofd. Ze hebben zo veel te verduren gehad, zo veel doorstaan. Misschien dat het nu te veel is geweest. Iedereen is totaal op. De huizen in Gaza zijn kapot, maar de bewoners ook, en het zou wel eens heel lang kunnen duren voordat zowel huizen als mensen zich weer een beetje hebben opgericht.’

Dit artikel verscheen eerder in Soemoed januari-februari nr. 1

Carl Stellweg

Carl Stellweg

Carl Stellweg is journalist, schrijver en vertaler.
Profiel-pagina
Al één reactie — praat mee.