Idealiter eten en drinken we 25 uur lang niets, hebben geen seks en gebruiken ons mobieltje niet. Op de vooravond staan we onopgesmukt in het wit gekleed en met eenvoudige witte sportschoenen zonder leer voor de geopende Ark met de Tora-rollen en luisteren we naar Kol Nidré (alle geloften), waarvan de indrukwekkende melodie ons al sinds mensenheugenis begeleidt en ons aanspoort tot inkeer en bezinning. Een volle dag later sluiten we het niet minder indrukwekkende slotgebed (Neïla) af met onze geloofsbelijdenis Sjema Jisra’él (Hoor, Israël) en een laatste lange sjofar-toon. Enkele minuten later zitten we opgelucht aan tafel om ons kort daarop voor te bereiden op het acht dagen durende Loofhuttenfeest, afgesloten met een feest naar aanleiding van een nieuwe cyclus van Tora-lezingen, dansend met de Tora-rollen in de synagoge.

Wat is het geheim van deze meest indrukwekkende feestdagen in de Joodse kalender, die in het Hebreeuws niet ten onrechte ontzagwekkende dagen heten (Jamiem Nora’iem)?

Neem de tijd

Deze feestdagen benadrukken het belang van het samen vieren in een gemeenschap. Want “het is niet goed om alleen te zijn”, zo staat er aan het begin van het boek Genesis geschreven (2:18). Niet goed voor jezelf en niet voor ons allemaal – en ook niet voor God, die ons immers nodig heeft om zijn geboden na te leven. Deze dagen brengen het idee over dat we niet alleen zijn – ook al voelt het soms niet zo wanneer je ziek bent, of oud, of net gescheiden, of weduwnaar of weduwe, of wees, of als je gepest en gediscrimineerd wordt, op school of daarbuiten.

Je kijkt terug op wat je bereikt hebt, maar ook op wat er mis is gegaan. Uit een lange, alfabetisch geordende reeks overtredingen en misstappen, die je gezamenlijk leest, kies je in gedachten de begrippen die op zichzelf van toepassing zijn (Chesjbon haNefesj, zelf in je ziel rekening en verantwoording afleggen). Dat is heel persoonlijk, maar wel in het besef dat degenen naast je ongeveer hetzelfde doen.

Rosj Hasjana en Jom Kipoer illustreren hoe belangrijk tijd is. We beklagen vaak dat we de tijd niet kunnen stilzetten, en dat die zo snel voorbijgaat dat je soms denkt dat een dief is die onze dagen en jaren voor onze neus weg steelt. Soms doden we tijd en vaak verspillen we de tijd. Maar zelden investeren we genoeg tijd in wat echt belangrijk is: tijd om te luisteren, om te mediteren, om weg te dromen. Aan het begin van misschien wel zijn beroemdste boek, De sabbat (1951, Nederlandse vertaling: 1987 en 2006), schrijft de Amerikaanse rabbijn en filosoof Abraham Joshua Heschel (1907-72) dat “het jodendom de religie van de tijd is, met als doel de tijd te heiligen” – dat wil zeggen, tijd in iets bijzonders te veranderen. Wij joden hebben geen kathedralen, geen heilige plaatsen, geen heilige voorwerpen, geen heilig water en geen heilige mensen, stelt Heschel vast. Maar tijdens de Hoge Feestdagen heiligen we de tijd door er de tijd voor onszelf te nemen, voor de gemeenschap, het samenzijn, om te bidden en die prachtige melodieën te beluisteren en mee te zingen, staand of zittend, vrolijk onze eigen fouten opsommend – in een eenvoudig wit gewaad, op sportschoenen.

In het dagelijks leven proberen de meeste mensen zo goed mogelijk met elkaar om te gaan. Niet voor niets staat precies in het midden van de Tora: Je moet je naaste liefhebben als jezelf (Leviticus 19:18). Naastenliefde staat in schril contrast met de ‘ik-cultuur’, waarin die zegt: ik sta, mijn persoonlijke wensen centraal staan en mijn behoeften liefst zo snel mogelijk vervuld moeten worden. De Hoge Feestdagen belichamen het idee van naastenliefde – hoofdstuk 19 wordt in veel Liberale synagogen op Jom Kipoer ’s middags voorgelezen.

Naastenliefde als fundament

Rabbi Hillel citeerde tweeduizend jaar geleden de Bijbeltekst „Je zult je naaste liefhebben als jezelf, ik ben de Eeuwige“ en zei: „Dat is het belangrijkste gebod, al het andere is commentaar, ga heen en leer!“ (b.Talmud, Sjabbat 31a). Naastenliefde is het fundament, niet alleen van het jodendom, maar ook van het christendom en de islam – een grondbeginsel dat ook in andere religieuze en filosofische teksten is overgeleverd en bekendstaat als de Gouden Regel: “Wat jij niet wilt dat jou wordt aangedaan, doe dat ook niemand anders aan.” Dit belangrijkste gebod vereist een voortdurende vernieuwing van je perspectief op je persoonlijke relaties en maakt het je verplaatsen in de situatie van je medemens tot het criterium voor je moreel handelen. Juist dat hebben we niet serieus genomen: anders zouden vrouwen en seksuele minderheden niet worden lastiggevallen, en zouden vluchtelingen genereuzer in Europa worden opgevangen, anders zouden er geen oorlogen, geen honger en geen geweld zijn. We hebben deze feestdagen nodig om ons dat gebod van naastenliefde weer voor ogen te krijgen en ons kompas opnieuw te stellen.

Op Rosj Hasjana en Jom Kipoer gaat het erom ons medeleven met andere mensen, maar ook met dieren en ons milieu te hervinden. Ons vermogen om kennis te vergaren en door te geven geeft ons een bijzondere verantwoordelijkheid voor de schepping. De natuur kent geen medelijden, dieren kennen het nauwelijks, maar wij wel. We hebben daarvoor een heel mooi Hebreeuws woord – rachmanoet, rachmones in het Jiddisch – afgeleid van rechem, baarmoeder. God zelf is ons voorbeeld: een van zijn namen is HaRachaman, de Barmhartige, de God die innig en intiem liefheeft en op wie we op de hoge feestdagen een dringend beroep doen in een van de mooiste en vaak herhaalde gebeden op die dagen: Avinoe malkenoe, onze vader, onze koning. Alleen als we barmhartigheid in de praktijk brengen, kan er een rechtvaardige samenleving bestaan. Dat is de boodschap van die dagen.

Maar het gaat ook om het benoemen van het tegendeel van mededogen, ouderwets gezegd: onze zonden en overtredingen, het leed dat we anderen aandoen, de pijn waarvan we de gevolgen op deze dagen benoemen. Omdat wij als Joden weten wat pijn en wreedheid betekenen, omdat wij de gevaren kennen van uitsluiting, vlucht, discriminatie en erger – ook en juist daarom moeten wij rachmones hebben met onze vervolgde, gediscrimineerde en gevluchte medemensen, met mensen die ook hun identiteit willen definiëren en beleven.

Daarvoor hebben we deze wake-up call nodig: de klanken van de sjofar en de melodie van Kol Nidré. Dat is het geheim van de Hoge Feestdagen, van het Jodendom en van ons mens-zijn: hard blijven werken aan het nieuw kalibreren van lichaam en ziel: een achtbaan.

Ik wens iedereen: Sjaná tová oe-metoeká – een goed en zoet Nieuwjaar! Gmar chatimá tová – moge u worden ingeschreven in het Boek des Levens!

1517494923824

Edward van Voolen

Edward van Voolen studeerde kunstgeschiedenis en geschiedenis in Amsterdam en is geordineerd als rabbijn door het Leo Baeck College, …
Profiel-pagina
Nog geen reactie — begin het gesprek.