Op zondag 2 september 1973 bevestigde professor Strijd mij in Zunderdorp tot predikant. Ik zeg bewust ‘professor’ Strijd. Geen haar op mijn hoofd die er dacht hem bij zijn voornaam te noemen. Het tekent hem. Hij preekte die zondag over Filippenzen 1:9: ‘en dit bid ik u, dat uw liefde nog steeds meer overvloedig moge zijn in helder inzicht en alle fijngevoeligheid, om te onderscheiden, waarop het aankomt.’ Het accent viel op de laatste woorden: om te onderscheiden waarop het aankomt. Het slot van zijn preek maakte de meeste indruk op de gemeente. Hij rondde af met de woorden: ‘Ik heb nu 17 minuten gepreekt. Ik heb gezegd wat ik te zeggen heb. Amen.’ Dit einde is typerend voor hem. Geen overbodige woorden, geen uitweidingen, ter zake. Bij het lezen van zijn werk valt dit ook op. Hij formuleert puntig, op basis van een ongekende hoeveelheid doorgewerkte literatuur.
Helemaal vanzelfsprekend was het niet dat Strijd mij bevestigde. Toen ik hem vroeg, hield hij het af en stuurde me naar huis en drong erop aan dat ik er nog eens goed over zou nadenken. Besef, zo zei hij, dat als je door mij bevestigd wordt, dat niet gunstig is voor je kerkelijke carrière. Toch hield ik vol. Helemaal ongelijk gekregen heeft hij overigens niet. Dat ik volhield, kwam door een ontmoeting eerder met hem die diepe indruk op mij maakte. Het gebeurde tijdens mijn kerkelijke examen een paar jaar eerder. Dat examen liep door met name de ondervraging van Strijd volledig uit de hand. Woedend verliet ik het examenlokaal. Strijd reageerde fel op de preek die ik ingeleverd had. Hij vond die veel te algemeen en dus niets zeggend. Ik laat nu verder de details liggen, want het gaat mij vooral om wat er volgde.
Een paar dagen na het examen ging de telefoon. Professor Strijd meldde zich. Hij nodigde me uit bij hem thuis te komen, want zo zei hij: ‘we moeten met elkaar praten want zo kunnen we de zondag niet in’. De afspraak maakte ik, onder de indruk dat een hoogleraar zo’n eerste stap zette om een en ander uit te praten. Het tweede dat nog meer indruk maakte was het gesprek zelf, op de zolderkamer in de Cliostraat. Daar vertelde Strijd over zijn teleurstelling over de opstelling van Karl Barth en Miskotte voor de oorlog ten aanzien van het geweld. Zij verlieten Kerk en Vrede. Strijd bleef, maar voelde zich door dit weggaan op het moment van de grootste verzoeking door hen in de steek gelaten. Dat speelde mee bij de beoordeling van mijn preek. Hij had verwachtingen van mij en dacht dat ik, nog voordat ik de pastorie kwam, al capituleerde en hem in de steek liet. Het is een van de beslissende gesprekken geweest in mijn leven. Sindsdien heeft Strijd als het ware bij elke preek die ik maakte over mijn schouder meegekeken.
Ik vertel dit ook omdat dit optreden van Strijd in de persoonlijke sfeer laat zien hoezeer zijn optreden samenhing met zijn theologie en de keuzen die hij maakte. Om nogmaals Filippenzen te citeren: Strijd had een helder inzicht, dat kon in gesprekken pijn doen en hij spaarde mij ook na dit gesprek niet, maar dit gesprek liet ook zijn fijngevoeligheid, zijn kwetsbaarheid zien. Houd dat in gedachten als u kennisneemt van zijn werk.
Daarmee kom ik bij het boekje dat we vandaag presenteren. Om het bij u in te leiden en aan te bevelen schets ik de hoofdlijn. Ik begin met een paar opmerkingen over de kern van Strijds kerkelijke en politieke keuzes: zijn interpretatie van de verzoening. Hoe dat uitwerkt in zijn keuzes, beschrijf ik op drie terreinen: zijn houding tegenover de NSB’ers, zijn houding in de Koude oorlog en het communisme. Ik sluit af met een paar opmerkingen over geweldloosheid.
Verzoening
In zijn (gedegen) proefschrift Structuur en inhoud van Anselmus’ ‘Cur Deus homo’ (1958) gaat Strijd in gesprek met Anselmus. Zijn kritiek op Anselmus richt zich op diens opvatting over gerechtigheid. Deze gerechtigheid gaat bij Anselmus bepalend voorop. God vraagt genoegdoening, straf, boetedoening van de mens. Daaraan ontkomt de mens niet. God is de ongenaakbare voor wie de mens buigen moet. Hij moet schuld belijden. De mens moet, om weer in een rechte relatie met God te komen, de eerste stap zetten. Als dat gebeurt, toont God zich ook barmhartig. Ik laat nu maar liggen hoe Anselmus dat uitwerkt. Het is uiteindelijk God zelf die die verhouding in Jezus weer recht zet. Strijd wijst deze opvatting van rechtvaardigheid af. Voor hem staat de rechtvaardigheid in het teken van de barmhartigheid. Niet de rechtvaardige God is barmhartig, maar de barmhartige God is rechtvaardig. Zeker: de mens wordt gevraagd boete te doen, maar vooropgaat dat hij door God met mededogen benaderd wordt. God buigt zich naar ons toe. Niet de mens als zondaar moet de eerste stap doen om de relatie te herstellen, maar God doet de eerste stap om tot herstel te komen. Hij accepteert de zondaar. Dat is zijn barmhartigheid. De mens wordt niet als zondaar aangesproken maar als geliefde. Dat geeft de mens de ruimte om de zonde onder ogen te zien. De straf die hij krijgt, is niet gericht op genoegdoening, maar is erop gericht dat hij weer voluit kan deelnemen aan de samenleving.
Deze interpretatie van verzoening is herkenbaar in drie zaken waarover Strijd zich in het openbaar uitgelaten heeft. Voordat ik daarop inga, eerst nog een waarschuwing. Het is niet zo dat Strijd de verzoening zoals hij die interpreteert, in de praktijk gaat toepassen. Het is eerder omgekeerd. Omdat hij zich intensief bezighoudt met de praktijk, dwingt hem dat daarover intensief als theoloog te reflecteren. Er is bij Strijd sprake van een intensieve wisselwerking tussen de praktijk en het denken. Dat is ook de eerste zin van zijn proefschrift: ‘Door de problemen, die samenhangen met de confrontatie: evangelie en oorlog, evangelie en doodstraf werd ik telkenmale gedwongen mij op de verhouding van gerechtigheid en barmhartigheid, recht en liefde te bezinnen’. Later neemt hij het op voor de Latijns-Amerikaanse bevrijdingstheologen, voor wie theologie vooral bezinning op de praxis is. Wat was nu de praxis waarover Strijd in zijn proefschrift reflecteerde? Ik noem drie zaken.
Omgang met NSB’ers en Duitsers
Na de oorlog stond de Nederlandse samenleving voor de vraag hoe er met NSB’ers en Duitsers omgegaan moest worden. De overgrote meerderheid koos voor vergelding, genoegdoening. Een hard oordeel moest klinken, de straf – en in veel gevallen was dat de doodstraf – moest in overeenstemming zijn met de daad. Alleen dan werd het geschonden recht hersteld. Strijd kiest een andere weg en spreekt daar de samenleving, en met nadruk de kerken, op aan. Hij laat er geen misverstand over bestaan dat de NSB’ers en Duitsers gestraft moeten worden, maar die straf moet menselijk zijn, niet gericht op vergelding, maar gericht op genezing. Hardvochtigheid die geen uitzicht biedt, maakt, zo stelt hij, de samenleving alleen maar onveiliger. Het frustreert de betrokkenen die op die manier gestraft worden. De samenleving moet perspectief op terugkeer in die samenleving bieden. Dat is de openheid, anders gezegd: de eerste stap, die gezet en geboden moet worden. Met zijn pleidooi voor rechtvaardigheid die in barmhartigheid gedrenkt was, riep Strijd veel weerwoord in de samenleving en ook in de kerk op.
Koude oorlog
Dat is ook het geval als hij zich in de jaren vijftig uitspreekt over de houding in de Koude oorlog. Hij verzet zich dan heftig tegen het denken dat de confrontatie met Rusland zoekt. Een dergelijke politiek maakt de wereld en Europa niet veiliger. Het tegendeel is eerder waar. De uitdrukking van dat denken is de NATO. Vanaf het allereerste begin verzet Strijd zich tegen de NATO en roept hij kerken op protest tegen de confrontatiepolitiek aan te tekenen. Daarbij herinnert hij de kerken opnieuw aan de verzoening. Is het niet zo, zo vraagt hij, dat juist de kerken weten dat voor ontspanning niet gewacht moet worden op eerste stappen van de ander, maar dat de kerken zelf juist de eerste stap naar de ander moeten zetten? Concreet betekent dat, dat de aan de gang zijnde wapenwedloop alleen doorbroken kan worden door vertrouwenwekkende stappen die – het spreekt voor hem vanzelf – door de kerk gezet moeten worden, of beter: waartoe de kerk de politiek moet aansporen. Voor hem is zo’n eerste vertrouwenwekkende stap het uittreden uit de NATO.
Dat Strijd, als hij voor deze stap pleit, niet naïef is, blijkt uit het feit dat hij zich uitgebreid informeert en verdiept in de tegenstander. In 1951 – dus een paar jaar voor zijn proefschrift – publiceert hij een studie over het Communisme en welke houding daartegenover ingenomen moet worden. Het is typerend voor Strijds werk. Hij komt tot oordelen nadat hij zich grondig in de materie verdiept heeft, of scherper gezegd, zich intensief met de denkwereld van de tegenstander beziggehouden heeft. Hij neemt de dreiging van het communisme serieus, maar bepleit ook in deze kwestie dat het Westen de eerste stap zet. Dat doet het door de uitdaging van het communisme in de eigen samenleving serieus te nemen en zich in te spannen voor de opbouw van een sociale samenleving, voor een radicale democratie, die niet alleen formeel is maar ook in de bedrijven doorgevoerd wordt. Dit verzet tegen de kapitalistische samenlevingsopbouw is de enige manier om het communisme de wind uit de zeilen te nemen. Het is de eerste stap om tot verzoening, tot ontspanning en vrede in Europa te komen.
Geweldloosheid
Met het zetten van de eerste stap is voor Strijd onverbrekelijk geweldloosheid verbonden. Daar is hij misschien wel het meest bekend door geworden. Hij is pacifist. Geloven betekent voor hem afzien van geweld. De God van de bijbel is geen God van geweld. Hij komt ontwapenend in kwetsbaarheid naar ons toe. Een van de eerste woorden die van hem bekend zijn, is zijn pamflet tegen de oorlog dat hij samen met andere Friese predikanten vlak voor het uitbreken van de oorlog deed uitgaan. In dat pamflet spreekt hij uit wat hem zijn hele leven blijft bezighouden: ‘Oorlogsgeweld kan niets verdedigen, wel alles verwoesten. Met diepe verontrusting constateren wij, dat steeds meerderen dit niet meer beseffen. God roept ons toe: Gaat niet den verderfelijke weg van het oorlogsgeweld.’ Dat velen dat toch doen is de oorzaak van de frustratie die tijdens mijn kerkelijk examen bij hem naar boven kwam. Het pamflet sluit af: ‘Daarom kunnen en willen wij niet anders dan ten opzichte van oorlog en mobilisatie uitspreken: een onvoorwaardelijk neen!’ Dat dat geen loze woorden zijn, heeft Strijd in de oorlog bewezen. Hij werd geïnterneerd, maar bleef bij het nee, ook al ervoer hij de verzoeking toch maar een ja uit te spreken. Het is een nee in vrees en beven. Vandaar de slotwoorden van het pamflet: ‘God sterke ons allen in woord en daad …’
In zijn latere werk verbindt hij in toenemende mate de strijd voor een rechtvaardige samenleving met geweldloosheid, of zoals hij het dan noemt: geweldloze weerbaarheid. Een sociale revolutie is ook in de westerse kapitalistische samenleving nodig, maar anders dan velen die daar in zijn tijd voor pleitten, is voor hem die revolutie geweldloos. Een gewelddadige samenleving met geweld bestrijden leidt uiteindelijk toch weer tot een gewelddadige samenleving.
Actualiteit
Strijd schreef en streed in zijn tijd, een tijd die anders is dan de onze, maar ten principale nog altijd door geweld bepaald wordt. Wij zullen in onze tijd opnieuw onze weg moeten gaan en onze keuzen moeten maken. Strijd zet ons aan om met name over de middelen na te denken. Zijn pacifisme is geen particuliere keuze. Zijn pacifisme en zijn strijd voor sociale gerechtigheid zijn direct verbonden met zijn interpretatie van de Heilige Schrift. Daarom spreekt hij vooral de kerk en christenen aan. Wat denkt u van de verzoening? Bent u bereid als antwoord daarop ook zelf de eerste stap te zetten? Kunt u zich, het evangelie horend, neerleggen bij de status quo of betekent dat zich inzetten voor een radicale verandering? Het zijn vragen die in onze tijd onverminderd actueel zijn, onze tijd die gekenmerkt wordt door opnieuw een ongekende wapenwedloop; onze tijd waarin vijandsbeelden ons handelen bepalen. Strijd helpt ons bij het doordenken van deze vragen en wijst richtingen die bevrijding en uitzicht bieden.
Ik bied het boekje vandaag aan aan mensen van een nieuwe generatie in de hoop dat het hen, getuigend van Jezus Christus, inspireert in onze tijd een bevrijdende en geweldloze weg te gaan. Ik hoop ook dat zijn denken de kerken aanzet in onze dagen een krachtig getuigenis te laten horen.
Inleiding door At Polhuis bij de presentatie van zijn boek in de VTM-theologenreeks op 10 oktober 2025 in het Johannescentrum in Utrecht. Hartstochtelijk getuigen van verzoening. Een theologisch portret van Krijn Strijd. Skandalon 2025. 128 blz. €18,99.
