Loofhuttenfeest, Soekot, het vrolijke feest bij uitstek (z’man simchatenoe), herinnert zowel aan de herfstoogst als aan de tocht door de woestijn van Sinaï na de vlucht uit Egypte.
“Zeven dagen lang moeten jullie in hutten wonen, elke geboren Israëliet moet in hutten wonen, om jullie kinderen eraan te herinneren dat ik, God, de Israëlieten in hutten liet wonen toen ik hen bevrijdde uit Egypte.”
Leviticus 23 : 41-43
Die hut staat symbool voor het vaak zwervende bestaan van Joden en daarmee voor de nood van miljoenen mensen die op de vlucht voor onderdrukking, oorlog en geweld zijn. Het verblijf in een loofhut maakt je bewust van de kwetsbaarheid van je leven en je afhankelijkheid van de natuur. Je ervaart hoe wezenlijk bescherming is, hoe betrekkelijk alles is. Daarom wordt op de sjabbat in die week het Bijbelboek Prediker in de synagoge gelezen.
Een loofhut staat in de openlucht buiten of op het balkon, met minimaal twee schotten en een deel van een derde – de rest mag bestaand zijn. Het dak moet open genoeg zijn om naar de hemel te kijken, maar met voldoende lover bedekt zijn om schaduw te werpen. In ons koudere klimaat met veel regen is een extra, ophijsbaar dak noodzakelijk: het ‘wonen’ beperkt zich dan tot samen eten. Het versieren van wanden en ‘dak’ met takken en vruchten is ook voorgeschreven, in overeenstemming met het gebod om alles wat je bij vieringen gebruikt, er mooi moet uitzien (hidoer mitswa). Eigenlijk moet elk joods gezin een eigen loofhut neerzetten (al dan niet met een bouwpakket), maar veel synagoges bouwen een loofhut voor gemeenschappelijk gebruik.
De loofhut kom je binnen met de volgende wens: „Moge het uw wil zijn, Eeuwige onze God en God van onze voorouders, dat uw aanwezigheid (Sjechina) in ons midden verblijft. Spreid de hut van uw vrede over ons uit, en geef de hongerigen en dorstigen voldoende brood en water.” Het vreugdefeest (Deut. 16:14) is pas zijn naam waardig als je gasten in de loofhut ontvangt – Joods, niet-Joods en bijzondere gasten. Dat laatste is gebaseerd op de uitleg van de grote mysticus en kabbalist Isaak Luria (1534-72) van een tekst in de Zohar op het hierboven geciteerde Leviticus citaat. Daarin staat dat Israëlieten en “jullie” in hutten moeten wonen.
Maar wie zijn “jullie”? Dat zijn voor elk van de zeven dagen telkens één van de zeven bijzondere gasten (oesjpiziem): Abraham, Isaac, Jacob, Josef, Mozes, Aaron en David, die laatste als bouwer van de Tempel. Met die uitleg heeft hij het gebruik ingevoerd om die oesjpizien als symbolische gasten in de loofhut uit te nodigen. Goed bedacht, want de Tempel is twee keer op Soekot ingewijd (1 Koningen 8, Ezra 3:1-5 en Nehemia 8). En nog mooier als je weet dat alle aartsvaders en -moeders hun ouderlijke huis moesten verlaten, rondzwierven, Josef moest vluchten en belandde met zijn hele familie in Egypte, Mozes, zijn broer en zuster leidden de vlucht van hun volk uit Egypte, en David sloeg op de vlucht voor Saul. Hun verhalen zijn onze verhalen, en de verhalen van miljoenen vluchtelingen en daklozen vandaag.
Ik nodig daarom iedereen uit om zelf een persoonlijke gast symbolisch mee te nemen en voor te stellen – dat kan tot heel persoonlijke en onroerende verhalen leiden, die een verbinding tussen verleden, heden en toekomst leggen. Wijzelf en al onze gasten hebben ervaring met of weet van vlucht en andere onzekerheden. De passage in de Zohar die de zeven oesjpiziem voorstelt, begint met: “Ik (G’d) herinner mij hoe jij mij liefhad in je jeugd” (Jeremia 2,2) verwijst naar de zwerftocht van de Joden door de barre woestijn, na hun vlucht. Onvoorwaardelijk barmhartigheid, daar gaat het om. Die broze loofhut symboliseert de Goddelijke woning, “de vervallen hut (soeka) van David”, die misschien ooit in een messiaanse toekomst hersteld zal worden (Amos 9:11). Ondanks de vochtige herfstlucht is het verblijf in de tochtige loofhut warm en intiem – een bijzondere ervaring, een prikkelende zoektocht naar nieuwe betekenissen.
Plantenbundel
De combinatie tussen natuur en geschiedenis komt ook terug in de plantenbundel (Lev. 23:40), niet alleen symbool voor een goede oogst maar ook voor diversiteit. De bundel bestaat uit een citrusvrucht (etrog), een palmtak (loelav), drie mirtetakken (hadasiem) en twee beekwilgentakken (aravot). De welriekende citrusvrucht is als het hart van een mens die zowel religieus als vroom is; de reukloze palmtak met lekkere palmvrucht is als de ruggenwervel van iemand die religieuze kennis heeft maar niet vroom is; de zoet ruikende mirte zonder vruchten is als een oog van een vrome die geen onderscheid kan maken tussen goed en fout en de reuk- en smaakloze maar ruisende beekwilg is iemand die noch religieuze kennis heeft of vroom is en zijn lippen moet beheersen geen kwaad aan te richten. In de synagoge zwaai je de hele week, behalve op sjabbat, die plantenbundel in vier windrichtingen en naar boven en beneden –alle mensen met al hun verschillen ook een eenheid vormen. Gezongen wordt Hosjana (God, help ons, Psalm 118:25). Vanwege de zeven omgangen (hakafot) door de synagoge met liturgische gedichten dat Hosjana als refrein heeft, heet de zevende dag van Soekot Hosjana Raba.
In Bijbelse tijden werden zeventig offers gebracht (Num. 29,12-39) – dat getal staat volgens het rabbijnse Jodendom voor symbool voor alle volkeren in de wereld, die ooit allemaal samen in de Jeruzalem (ier-sjalom, stad van vrede) met elkaar feest zullen vieren (Zacharia 14,16 – deel van de Bijbellezing op Soekot). Zoals het dagelijks gebed citeert: “Op die dag zal de Eeuwige de enige God zijn en Zijn naam de enige naam” (14:9). Dat is een vergezicht, waaraan dit feest herinnert. Geen omgeving is opener dan een loofhut – een wat ongebruikelijke plek om op zoek te gaan naar nieuwe inspiratie.
Loofhutten viert geen resultaat, maar een vooruitzicht: de oogst is binnen, maar nog niet genuttigd, de slavernij is achter de rug, maar het beloofde land, laat staan uiteindelijke vrede en veiligheid voor alle volkeren op aarde is nog niet in zicht.
Slotfeest
De achtste en negende dag samen vormen een afzonderlijk feest. De achtste dag heet Slotfeest, Sjemini Atseret, letterlijk de achtste dag van samenkomst (Lev. 23:36). De rabbijnen verklaren die naam als volgt: “Nadat Israël zeven dagen lang universele aspecten benadrukt had, en op het punt stond om weer aan het werk te gaan, zei God: het valt me moeilijk om nu weer wat afstand van jullie te nemen: blijf nog wat achter. Vandaar de naam: achtste dag van het nablijven”. Nog even een ongestoord samenzijn tussen God en zijn volk. Dat is meteen een goede aanleiding om de cyclus der seizoenen met een extra bede om regen af te sluiten en nieuw te beginnen. In de Middeleeuwen ontstond het gebruik om de Tora in één jaar te lezen (en niet in drie). Ook de lezingencyclus wordt op die dag beëindigd met het laatste deel van Deuteronomium en het begin van Genesis – daarmee eindigt en begint ook die cyclus. Orthodoxe Joden vieren het op de dag na Sjeminie Atseret als Simchat Tora, dus op de negende dag. In Israël en in vele niet-orthodoxe gemeentes in de diaspora zijn Sjeminie Atseret en Simchat Tora gecombineerd, op de achtste dag dus.
Op de vooravond worden de Tora-rollen dansend en zingend door de synagoge gedragen, en vroeger ook daarbuiten. De volgende ochtend lezen ‘bruidegom van de Tora’ en ‘bruidegom van Genesis’ respectievelijk einde en begin van de Tora. Israël is als het ware getrouwd met de Tora: processie en omgangen met de rollen herinneren aan het Joodse huwelijksfeest.
Een bijzonderheid is dat ook kinderen jonger dan dertien jaar – dus nog niet Joods meerderjarig – worden opgeroepen om de lezing bij te wonen. Dit gebeurt tijdens de herhaling van de laatste verzen, waarbij een gebedsmantel over hun hoofden wordt uitgestrekt, zoals een huwelijksbaldakijn. De kinderen worden gezegend met de woorden: “de engel die mij heeft bevrijd van alle onheil, geve deze kinderen zijn zegen. Moge mijn naam door hen voortleven, en ook die van mijn voorouders Abraham en Sara, Isaak en Rebekka zich over de hele aarde uitbreiden.” (Genesis 48:16). De kinderen worden daarna verwend met bruidssuikertjes uitgedeeld.
Met een vrolijk einde en de hoopvolle start begint het nieuwe Joodse jaar echt. Van voor af aan, met de oorsprong van wereld en de mensheid, met Abraham, Sara en Hagar en hun nakomelingen, met slavernij en bevrijding, woestijn en beloften, oorlogen en vredesvisioenen, met wetten en voorschriften voor alle dag. Dat leert je menselijke karakters kennen, dat zijn de bouwstenen voor een rechtvaardige samenleving. Die oude feestdagen hebben een moderne boodschap, als voorbereiding op een betere toekomst.

Geachte rabbijn, Sjalom!
Het boeiende van de joodse feestdagen is dat zij een universeel karakter hebben. Vergeving voor alle mensen, wereldwijd; Vrijheid voor alle mensen, wereldwijd, Gods onderwijzing voor alle mensen, wereldwijd, Gods bescherming voor alle mensen, wereldwijd. Dat is ook de kracht van het jodendom, niemand hoeft zich tot deze godsdienst bekeerd te worden. Hoe God zich ook openbaart, bekend maakt aan mensen en hen onderwijst Hij is niemands bezit, geen volk en religie kan Hem opeisen. Het is dan ook onze opdracht van mensen die in God geloven te erkennen dat wij van Godswege geen vijanden van elkaar zijn maar bij elkaar horen en samen een soeka kunnen bouwen. Een loofhut waar iedereen zijn medemens als medemens erkent en niet bezig is met ”wij” en ”zij”. Een soeka in een wereld waar antisemitisme, moslimhaat en christenvervolging wel ”gewoon” schijnt te zijn, voelt niet goed. De soeka is voor mij dan ook een teken dat er iets helemaal niet goed is in de wereld van vandaag. De soeka geeft ook een waarschuwing af. Antisemitisme, moslimhaat en christenvervolging blokkeren dat er een soeka gebouwd kan worden door en voor alle mensen. Net zomin als wij vandaag het feest van de vrijheid wereldwijd kunnen vieren en het feest van Gods onderwijzing. En toch…het moet toch mogelijk zijn in een wereld waar multireligieus en multicultureel samen wonen toeneemt, wij samen voor elkaar in staan en erkennen dat iedereen het onbetwistbare recht heeft op Gods bescherming, vergeving en onderwijzing, dat godsdienstvrijheid de normaalste zaak van de wereld is.
Wordt het niet de hoogste tijd, zo wil u u vragen, dat joden, christenen en moslims samen gaan bidden tegen antisemitisme, moslimhaat en christenvervolging. Samen bidden voor een wereld waar het goed wonen is voor al wat leeft en we erkennen dat iedere in God gelovige in alle vrijheid kan ervaren hoe God hem onderwijst, vergeeft en beschermt? Ik hoop dat u wilt reageren. En natuurlijk zit ik in de soeka en bidt dat alle mensen die in God geloven Zijn bescherming en vergeving en onderwijzing in alle vrijheid ervaren als een bron van zegen en vrede. .
Uw reactie afwachtend teken ik met vriendelijke groet, Binjamin Heyl