We leven in een tijd van migratie, ballingschap en asiel. Oorlog, onderdrukking van tegenstanders, werkloosheid, schaarste, droogte, klimaatverandering… Om de een of andere reden onderneemt de mensheid massaal grote reizen, soms met de dood voor ogen, in een poging zich vast te klampen aan een nieuw en rechtvaardig leven. We vertrekken op een migratiereis vanuit Turkije: aangekomen in Nederland, maar nog niet begonnen aan een vrij leven, tussen aanmeldprocedures en documenten, in tijdelijke opvangcentra, met migranten van Syrië tot Ethiopië.
Het was vier uur ’s middags op een regenachtige herfstdag. Na drieënhalf uur rijden door beboste wegen arriveerde ik in Ter Apel. Tijdens de hele reis hield de regen niet op. Overal waren tientallen mensen met koffers, rugzakken of zakken; mensen liepen nerveus heen en weer, allemaal beleefden ze de spanning van de aanvraag die ze zo zouden indienen.
Eerste contact
De hekken met ijzeren spijlen van het kamp, de strenge controles bij de ingangen, patrouillerende politieauto’s en het aantal beveiligingsmedewerkers lieten dit oord op een gevangenis lijken. Ik ging door ingang A naar binnen. Bij de ingang van het kamp werd ik opgevangen door een bewoner. Na het aanhoren van de regels ging ik in de rij staan en wachtte ongeveer een uur. De meeste wachtenden waren families uit Syrië, Jemen, Palestina, Somalië, Eritrea en andere Afrikaanse landen. Er waren ook mensen uit Turkije, waarvan de meerderheid Koerden waren.
Na drie uur was ik aan de beurt. Er werkten vier mensen binnen. Mijn papieren waren compleet en mijn procedure duurde slechts tien minuten. Na een half uur werd ons verteld dat twee grote bussen naderden bij de ingang en dat we naar de poort moesten lopen. De bussen waren afgeladen vol — we hadden geen flauw idee waar we naartoe gebracht zouden worden.
Expo Assen: tijdelijke opvang
Vijfenveertig minuten later arriveerden we bij het grote beursterrein in Assen. Dit was omgebouwd tot een wachtruimte om de druk op het asielcentrum te verlichten. Medewerkers van de beurs Expo Assen verdeelden ons in groepen en brachten ons naar een container. We luisterden naar de regels, maar zij konden geen vragen beantwoorden over hoe lang we daar zouden blijven, waar we daarna naartoe zouden worden overgeplaatst en wanneer ons proces zou worden afgerond.
In deze grote ruimte stonden kartonnen containers verdeeld in blokken. De plek was ingericht om vijfhonderd mensen te huisvesten. Op de Expo vermengden de stemmen zich. Mensen uit verschillende landen en culturen vertelden elkaar over hun gemeenschappelijke verdriet: ze waren gevlucht voor oorlog, ter dood veroordeeld, of tot levenslang, vertelden over protestdemonstraties, bedreigingen vanwege hun seksuele geaardheid, of dat ze journalist of schrijver waren.
Ik werd geplaatst in de container van een echtpaar uit Turkije. Na kennismaking met het veertigjarige echtpaar schoven we de kasten naast elkaar om een soort scheidingswand te creëren. Ze kenden elkaar al tien jaar, maar omdat hun families tegen hun relatie waren, zagen ze Nederland als hun enige uitweg. Ze hadden dit land via illegale routes over de Bosnische grens bereikt. Bij de grens waren hun paspoorten in beslag genomen — ze hadden het risico gelopen teruggestuurd te worden, maar konden de grens oversteken door steekpenningen te betalen.
‘Wat in films wordt verteld, is ons verhaal’
Ik stond om zes uur ’s ochtends op en ging naar buiten voor een wandeling. Anderen die net als ik niet konden slapen of vroeg wakker werden, maakten ook een ochtendwandeling. Een van hen was Rojhat uit Kobanê. Hij was pas 36, maar zijn haar was spierwit geworden; hij had een treurige blik. Toen hij en zijn broer probeerden de Hongaarse grens over te steken, werden ze door burgers aangegeven. Na het geweld dat ze meemaakten, werden ze urenlang in de regen gehouden.
“Ze zeiden dat zulke dingen alleen in films voorkwamen. Wij zijn die film, wij hebben die films werkelijk beleefd. We werden geslagen, kropen over de grond, werden beledigd, weggeduwd.” “Hebben jullie eraan gedacht terug te gaan?” “Er was geen weg terug, want we dachten in die momenten aan onze kinderen. We probeerden het steeds opnieuw en nu zijn we hier.” Rojhat kon niet lezen en schrijven, was vroeg getrouwd en had naar eigen zeggen veel kinderen. De burgeroorlog in Syrië en de IS-aanvallen had zijn leven overhoop gehaald.
Terugkeer naar Ter Apel
Op de vijfde dag was ik eindelijk aan de beurt en keerde ik samen met het Turkse echtpaar waarmee ik een container deelde terug naar Ter Apel. Na lange incheckprocedures kregen we allemaal een kussensloop, lakens en verschillende schoonmaakmiddelen. Gele polsbandjes werden om onze polsen gedaan — nu hadden we allemaal twee polsbandjes om. Dit was een systeem dat aangaf in welke fase we verkeerden.
Ik werd geplaatst in een vierkamerappartement in de tijdelijke woonblokken. In het naastgelegen appartement woonden twee Syriërs, in een ander appartement een Iraanse familie. Elke dag om drie uur ’s middags werd er achter de blokken eten uitgedeeld. Op die momenten vormden zich gewoonlijk lange rijen in de regen. Transferlijsten werden drie keer per dag op de muren gehangen. Na de lijsten werden ze omgeroepen via luidsprekers. Na elke omroep vormden zich menigten voor de lijsten. Sommigen waren blij — anderen keerden terug naar hun container in de hoop hun kamernummer op de volgende lijst te vinden.
De vijftigjarige Turk Servet zei: “Jij bent journalist, jij weet beter dan wij dat ons land in handen is gekomen van de Syriërs; de economie wordt steeds slechter. En toen zeiden ze dat Nederland soepel is met het toekennen van asiel. Dus kwamen wij hier met vrouw en kinderen.” Ons gesprek vlotte niet. Maar terwijl hij bekende dat hij migranten in Istanbul voor een laag loon liet werken, lachte hij luid: “Wat konden we eraan doen, alles was zo duur in het land; het ging ook om ons dagelijks brood.”
‘De Turken hebben overal een hekel aan ons’
Muhammed, de Syriër die hetzelfde appartement deelde, was achtentwintig. Hij had elf jaar in Turkije geleefd. Terwijl hij de onrechtvaardigheden opsomde die hij in Turkije mee had gemaakt, zei hij: “We werkten hard, maar kregen ons loon niet volledig. Ik leerde Turks; ze maakten grappen over ons accent.”
Toen ik Muhammed vroeg naar de houding van de Turken in het kamp tegenover hen, schudde hij van nee: “De Turken hadden daar een hekel aan ons en willen ook niet dat we hier zijn. Als zij zich storen aan vluchtelingen, waarom zijn zij dan hier?”
De grensreis van de negenjarige Dîyar
Dîyar uit Kobanê [koerdische stad in Turkije – red.] was pas negen jaar oud. Hij was geboren in het jaar dat de IS-aanvallen begonnen. Een opstandig kind, hij rende constant van de ene naar de andere plek.
Zijn verhaal leek op de verhalen die Koerden al tientallen jaren meemaken: een kind dat opgroeide midden in de oorlog, dierbaren verloor en net als honderdduizenden andere Koerden op de ‘ballingschapsroutes’ terechtkwam. Hij liet zijn vader en moeder achter in Kobanê en kwam samen met zijn oom van in de twintig.
“Het was heel moeilijk om hier te komen, maar ik was nooit bang. Toen ik Kobanê verliet, zei mijn moeder tegen me: ‘Luister naar je oom, praat niet veel.’ Ik sprak niet bij de grenzen.” “Wat ga je later doen?” “Als ik groot ben?” “Ja.” “Mensensmokkelaar.” Hij lachte om mijn verbazing: “In dat werk zit veel geld!”
Naar het schip
Op de dag dat de politieverklaring werd afgenomen, werden Dîyar en ik overgeplaatst naar blokken aan de zijkant van het kamp. Om half tien ’s avonds kwam een medewerker me vertellen dat ik naar het permanente kamp zou worden overgeplaatst. De volgende ochtend vertrokken we met een taxi voor zeven personen. Toen we in de stad Haarlem aankwamen, zei de taxichauffeur: “Daar is je nieuwe huis, veel succes.”
Ik kan de opwinding die ik voelde toen ik uit de taxi stapte niet vergeten. Mijn ‘nieuwe huis’, zoals de taxichauffeur het noemde, was een schip. Voordat ik uit Turkije kwam, was het laatste dat ik wilde op een schip wonen. Ongeveer tweehonderd vluchtelingen wonen op twee schepen, naast elkaar in het kanaal. Beide schepen zijn minstens zestig jaar oud. Een schip heet Prinses Christina; het schip waarop ik verblijf heet Prinses Virginia.
De kajuiten op de begane grond en het benedendek van de schepen zijn smal, ontworpen voor twee smalle bedden en een kleine tafel. Mijn kajuit bevindt zich op de begane grond. Op het schip verblijven vooral Jemenitische, Somalische, Palestijnse, Eritrese, Egyptische en Syrische vluchtelingen. Het aantal mensen uit Turkije en Iran is niet meer dan twintig.
‘Mijn vader werd gedood terwijl ik hier was’
Mike, een veertigjarige Tigraanse fotojournalist, is een van mijn beste vrienden op het schip. Hij heeft een verlegen en stille persoonlijkheid. Hij kan niet loskomen van de gemoedstoestand die vijfentwintig maanden op het schip verblijven heeft veroorzaakt – hij vreest constant dat er iets ergs zal gebeuren met zijn familie in zijn land.
Mike studeerde af in communicatie in Tigray, Ethiopië en begon daarna in de journalistiek. Voordat hij naar Nederland kwam, werd hij gearresteerd en werden zijn nieuwe camera, computer, aantekeningen en harde schijf in beslag genomen. Maar wat hem echt pijn deed, was niet dat zijn materialen werden weggenomen, maar dat zijn vader werd vermoord terwijl hij in ballingschap was: “De dood van mijn vader was hartverscheurend voor mij. Ver weg zijn, niet kunnen rouwen is erg zwaar. Daarom probeer ik hier zo min mogelijk ruzie te maken, niet betrokken te raken bij discussies, stil te blijven. Want mijn hoofd is bij mijn familie; als de kleinste discussie hier tot afwijzing van mijn asiel leidt, kan ik mijn familie geen goede toekomst bieden.”
'Ik mis Istanbul en raki drinken'
Terwijl ik luisterde naar wat de tweeëntwintigjarige Dilovan uit Afrin vertelde, die in dezelfde weken als ik op het schip kwam, dacht ik aan wat Mike was overkomen. Dilovan was pas acht jaar toen hij gedwongen werd Afrin te verlaten. Het gezin vestigde zich in Istanbul. Toen hij op negenjarige leeftijd begon te werken in een textielatelier, sprak hij nog geen Turks. Hij kreeg nooit een volledig salaris.
Dilovan mist nog steeds zijn jeugd en vrienden in Afrin. Hij hoopt ooit terug te keren naar zijn land. Hij mist ook Istanbul, de straten van Beykoz: “Tussen jou en mij gezegd, ik mis ook het drinken van raki.”
Vluchtelingen controleren elke dag de lijst op het schip of er post voor hen is gekomen. We hebben veel mensen naar andere kampen zien vertrekken. Degenen die weggingen omdat hun verblijfsvergunning kwam, ervaren de vreugde van een gevangene die maanden wacht op vrijlating uit de gevangenis. Zodra vluchtelingen het schip verlaten, komen anderen in hun plaats; deze cyclus gaat door.
Mijn verhaal
Mijn verhaal verschilde van dat van Mike uit Tigray, Dilovan uit Afrin, Rojhat en Dîyar uit Kobanê. Ik bevond me niet midden in een oorlog, ik werd ook niet met de dood bedreigd. Maar een artikel dat ik schreef toen ik pas zeventien was (getiteld ‘Koerd zijn in Turkije’) bezorgde me grote problemen. Op een koude winterochtend verschenen tientallen soldaten voor ons huis in het Koerdische dorp in Konya. Ik werd gearresteerd vanwege wat ik op mijn blog had geschreven. Na een lange ondervraging en een nacht in de cel — waar een soldaat zijn wapen op mij richtte en zei: ‘Als ik je vannacht hier zou doden, wie zou mij daarvan kunnen weerhouden?’ – werd ik naar de gevangenis van Konya gestuurd, waar ik zeven en een halve maand doorbracht.
Zestien jaar zijn voorbijgegaan sinds dit proces. Er zijn verschillende onderzoeken tegen mij geopend, mij werd een uitreisverbod opgelegd, mijn paspoort werd me afgenomen. Aan het einde van het zestiende jaar besloot ik het land te verlaten.
Maar ballingschap was voor mij geen nieuw concept. Mijn verhaal begon toen de Koerden uit Koerdistan naar het binnenland van Anatolië werden verbannen, en daar onderworpen werden aan gedwongen vestiging. Zelfs na driehonderd jaar voelde de plek nog niet als thuis – maar ook hier op deze boot in Haarlem ben ik niet thuis, op deze vreemde plek.
Deze reportage verscheen eerder bij RFG Media. RFG Media is een organisatie met en voor gevluchte journalisten. RFG staat dan ook voor ReFuGee en heeft een dubbele missie. De eerste is gevluchte journalisten te helpen een plek te veroveren op de Nederlandse arbeidsmarkt. De tweede is de stem van gevluchte journalisten vaker en duidelijker laten klinken.

May I copie this story and send it to my collega’s at Vluchtelingenwerk?