Zoë Auteursportret zw horizon
Zoë Deceuninck

Het was uit pure verbazing dat dit onderzoeksproject ontstond. Initiatiefnemer Zoë Deceuninck, zelf afkomstig uit België, was verbaasd dat Nederland nog zoveel invloed uitoefende in Suriname, maar nog meer over de vanzelfsprekendheid waarmee Surinamers ermee omgingen. Alsof het de normaalste zaak van de wereld is dat je in de voormalige kolonie nog elke dag naar het NOS-journaal kan kijken, de Nederlandse vlag ziet hangen, je huur of nieuwe auto in euro betaalt, juicht voor het Oranje voetbalteam en meer waardering hecht aan diploma’s, plannen en meningen uit Nederland dan die uit eigen land. Waarom zoveel liefde voor het land dat je driehonderd jaar onder de knoet hield?

Samen met collega’s verspreid over Suriname en Nederland zocht Deceuninck het uit. Op zoek naar antwoorden raakten we verstrikt in persoonlijke verhalen. Omdat iedereen in Suriname altijd wel ergens of iets te maken heeft met Nederland, en daardoor een andere reden heeft om ernaar (op) te kijken, is het antwoord op de vraag wisselend en persoonlijk. Ook het feit dat Nederland als eerste besliste dat Suriname onafhankelijk zou worden, speelt mee. In Suriname is er nooit een bloederige strijd geleverd om zich van Nederland af te scheiden, zoals dat bijvoorbeeld in Indonesië gebeurde. Integendeel: in aanloop naar de onafhankelijkheid in 1975 trokken duizenden naar Nederland omdat ze geen vertrouwen hadden in de verzelfstandiging van Suriname.

Ondanks de vele Nederlandse invloeden en symboliek die vandaag nog zichtbaar en voelbaar zijn, stelden we toch een duidelijke evolutie vast: Nederland werd in de afgelopen vijftig jaar steeds minder belangrijk voor Suriname. Tijdens een discussieavond die we recent in Paramaribo organiseerden over de relatie Suriname-Nederland, bleek er geen behoefte om daarover te praten. De avond werd gevuld met ideeën en opvattingen over wat Suriname zelf moet doen. In de plannen over de toekomst werd Nederland niet genoemd.

Sherida Mormon (tweede van links) aan het woord op de discussieavond in Paramaribo
Sherida Mormon op de discussieavond Beeld door: Magda Augusteijn

Sherida Mormon, ontwikkelingseconoom en lid van het panel, verklaart: “Het besef dat we ons eigen ding doen is aan het groeien. Er is nog altijd een deel van de samenleving dat zich nog erg afhankelijk opstelt van Nederland, maar steeds meer groepen bespreken dat we vanuit onze eigen kracht moeten handelen. Het heeft ook te maken met 50 jaar onafhankelijkheid. Je hebt generaties die nu anders denken. Voor mijn oma was alles Nederland, bij mijn moeder was dat al een stuk minder en ik denk al helemaal niet aan Nederland.” Een grote bijdrage aan dat ‘anders denken’ zijn de ontwikkelingen in het onderwijscurriculum kort na de onafhankelijkheid, blijkt uit ons onderzoek. In het herschrijven van de geschiedenis, waarbij de ervaring van het Surinaamse volk centraal staat en niet wat de Nederlanders of Europeanen hebben gedaan, werd het nationalisme doelbewust aangewakkerd.

Maurits Hassankhan. Copyright Anton de Kom Universiteit van Suriname
Maurits Hassankhan Beeld door: Anton de Kom Universiteit

“In Europa heeft nationalisme een negatieve lading. Bij ons niet”, legt historicus Maurits Hassankhan uit. “Vanwege het koloniale verleden zijn hier verschillende bevolkingsgroepen van buiten bij elkaar gebracht. Zij beschouwden elkaar vaak als concurrenten en soms zelfs als vijanden. Daarom is het van heel groot belang kinderen van jongs af bij te brengen dat ze op de eerste plaats Surinamer zijn. Wij zijn Surinamers en we moeten het Surinaams belang dienen.”

Hassankhan gaf eind jaren zeventig, begin jaren tachtig leiding aan het Project Vernieuwing Curriculum Basisonderwijs, waarin onder meer nieuwe taal- en geschiedenisboeken werden ontwikkeld met de nadruk op het ‘Surinaams perspectief’.

Belangrijk voor Nederland

Omgekeerd wordt Suriname juist weer belangrijk voor Nederland, blijkt uit ons onderzoek. Niet alleen zijn de recente, enorme olievondsten voor de kust een reden om opnieuw te investeren, ook in Nederland laat Suriname zich voelen. Zij het in de vorm van plannen voor herstelbetalingen, excuses voor het slavernijverleden, de opleving van het Sranantongo (de lingua franca van Suriname) in muziek en (straat)taal, hervormingen in de zorg of particuliere onderwijsinitiatieven die recht doen aan de geschiedenis zoals die was. Het is door de Surinaamse diaspora in Nederland, die zo’n 365.000 personen telt, dat deze zaken vandaag bovenaan de agenda staan. Iedereen werkt daarbij – al dan niet bewust – op zijn eigen eilandje.

Ook Nederland zijn relatie met Suriname wordt gekenmerkt door fragmentatie. De dagelijkse uitwisselingen van pakketten, kennis, mensen, ideeën en geld zijn ad hoc en niet structureel. Maar in haar hoeveelheid bereiken ze een heleboel. Dat is goed terug te zien in de verhalen die we verzamelden over de gezondheidszorg en het onderwijs – twee sectoren die in Suriname aan de grond liggen. De hulpverlening is hier tastbaar en – tot op zekere hoogte – meetbaar: van medicijnen, bedden, apparaten en chirurgen die de oceaan overgaan, tot Surinaamse medici die in Nederland studeren om daarna – nagenoeg verplicht – in Suriname te werken.

Voorgesteld eindbeeld
16 november 2025: duizenden jongeren vormen een ‘levende’ Surinaamse vlag Beeld door: Communicatiedienst Suriname

Hetzelfde geldt voor de onderwijssector. De Nederlandse overheid doneerde in 2023 nog 2,6 miljoen euro aan de Surinaamse onderwijsbegroting, maar stuurt ook goederen en middelen. Suriname ‘stuurt’ studenten die ervoor kiezen om – al dan niet gedwongen door omstandigheden – zich verder te ontwikkelen in het voormalig moederland. Zo loopt het land langzaam leeg. Aan de enige universiteit van Suriname studeren gemiddeld zo’n vierhonderd studenten per jaar af – drie keer minder dan het aantal dat in Nederland studeert. In zestien jaar tijd (2006-2022) steeg de trek naar Nederland onder Surinaamse studenten met 400 procent. (De Surinaamse bevolking steeg in die periode met 18,4 procent.) De gedeelde taal en familiebanden maken Nederland nog steeds de meest populaire – vanzelfsprekende – plaats om naartoe te gaan. Dat zal ook niet snel veranderen. Door nieuwe generaties die zich in Nederland blijven vestigen krijgt de hulpverlening aan Suriname alsnog een duurzaam karakter.

Of Suriname er op de lange termijn ook wat aan heeft? Niet echt, blijkt uit de verhalen die we optekenden. De hulpverlening is nu nodig – als alle uitwisselingen morgen wegvallen, stort Suriname als een kaartenhuis in elkaar – maar camoufleert tevens de werkelijke nood. Daardoor denkt de overheid ‘dat het allemaal wel loopt’ en worden structurele, noodzakelijke hervormingen en beleidsbeslissingen op de lange baan geschoven of helemaal niet genomen (los van corruptie en politieke sabotage). Vanuit Suriname is er behoefte om de hulpverlening, waaronder ook de remittances, te bundelen en coördineren zodat ze overzichtelijk en dus aangestuurd kunnen worden. Zo wil het land de impact van de hulpverlening niet aan het toeval overlaten. Nederland geeft echter geen ruimte om dit te doen. Het wil altijd meebeslissen of monitoren wat er met zijn geld gebeurt. Daarmee is er weinig veranderd sinds 1975, toen Nederland 3,5 miljard Nederlandse gulden (ruim 1,5 miljard euro) beschikbaar stelde aan Suriname om haar ontwikkeling ‘zelf’ ter hand te nemen.

Het geld ging vooral naar witte olifantprojecten, maar misschien nog wel ingrijpender: het maakte de Surinaamse overheid de belangrijkste investeerder van het land. Het was de overheid die besliste, met goedkeuring van Nederlandse consultants, waar het geld voor gebruikt werd. De vrijemarktwerking kwam niet van de grond en kleine en middelgrote bedrijven bleven op hun honger zitten. Verkeerde keuzes kwamen Suriname duur te staan. Nog steeds blijft de Surinaamse overheid zich vasthouden aan haar rol als investeerder. Ook buitenlandse investeerders zijn verplicht zich aan te melden bij het Ministerie van Buitenlandse Zaken, Internationale Handel en Samenwerking in Paramaribo.

Trigger

Door de jaren heeft Nederland zich op bestuurlijk niveau teruggetrokken. Dit gebeurde met name vanwege de politieke ontwikkelingen in Suriname: een militaire coup in 1980, de Decembermoorden in 1982 en nog een coup in 1990. Het waren redenen voor Nederland om de geldkraan (tijdelijk) dicht te draaien. Zonder de Nederlandse ontwikkelingshulp, na de onafhankelijkheid goed voor zo’n kwart van de totale investeringsomvang in Suriname, zat het land economisch aan de grond. Maar de stopzetting van de Nederlandse hulp vormde ook een trigger voor Suriname om het zelf te doen. Het nationalistisch bewustzijn kreeg een boost, onder andere in het onderwijs, maar ook met culturele programma’s en de oprichting van Staatsolie in 1980, het nationale oliebedrijf dat de toepasselijke slogan ‘Vertrouwen in eigen kunnen’ kreeg. Het vat het karakter van de tijd goed samen. Een nieuwe generatie werd gevormd met de focus op ‘het eigene’.

Vandaag is Staatsolie bij uitstek het bedrijf dat Suriname al watertrappelend met het hoofd boven water houdt. Het bedrijf speelt een enorm grote rol in de economische ontwikkeling van het land en is goed voor maar liefst een derde van de overheidsinkomsten. Haar (economisch) belang zal met de recente olie- en gasontdekkingen voor de kust alleen maar groter worden.

Het zijn deze economische belangen waardoor Nederland nu met hernieuwde interesse naar Suriname kijkt. En ook hier kan Suriname de hulp goed gebruiken. Niet in de vorm van goederen en middelen deze keer, maar in de vorm van mensen. “Met de enorme ontwikkelingen in de olie- en gasindustrie voorzie ik een groeiende behoefte vanuit Suriname aan technische kennis en kunde. Suriname heeft nu een tekort aan capaciteit. Op allerlei gebieden gaat er extra expertise nodig zijn”, stelt Mormon. De ontwikkelingseconoom verwacht dat de rol van de diaspora in de ontwikkeling van Suriname de komende jaren zal groeien. Daarmee breekt Suriname met haar geschiedenis, die is doordrenkt met verhalen van mensen die het land verlaten omdat ze in Nederland of de Nederlandse Antillen een beter bestaan voor zichzelf of hun kinderen voor ogen hebben.

John Brewster
John Brewster

Op dit moment ligt een wet in de De Nationale Assemblée, de Surinaamse Tweede Kamer, die buitenlandse bedrijven verplicht eerst in Suriname vacatures te vervullen alvorens ze werknemers uit het buitenland mogen aannemen. Zaak is dat de kwaliteit in Suriname wel geleverd moet worden, stelt voorzitter van het Diaspora Instituut Nederland John Brewster. De bestuurskundige ziet daarin een taak voor de diaspora. “Ik heb op 10 december een vergadering met een hoofdcontractor van Total Energies (operator van het eerste offshore olieveld in Suriname, red.), waarbij we de diaspora hebben uitgenodigd. Er zijn 6000 banen beschikbaar”, zegt de bestuurskundige.

Over de banen in de olie- en gasindustrie waarschuwt hij: “We moeten niet alleen investeren in beroepen die straks niet meer bestaan. Belangrijk is wel: als we de corruptie, het gebrek aan transparantie en goed bestuur niet oplossen, maakt het niet uit hoeveel investeerders er naar Suriname komen. Wat mij betreft moet de diaspora meewerken aan het versterken van de instituten. Het Diaspora Instituut Nederland geeft trainingen aan commissarissen en toezichthouders”, zegt hij en erkent: “Het risico op een opgeheven vingertje loop je altijd. Ik noem dat een weerstand tegen anticorruptie. Maar ik snap de sentimenten, omdat het in het verleden is gebeurd.”

“Nu wij in een betere positie zijn, moeten we beleid maken waardoor het voor Surinamers in het buitenland aantrekkelijk en makkelijk wordt om hier te komen wonen en werken”, vult Mormon aan. “Als we dat goed organiseren kunnen we elkaar versterken.” Met goed organiseren bedoelt ze dat Suriname eerst bepaalt wie en wat hij nodig heeft om zijn eigen doelen te realiseren, en op basis van die plannen de specifieke kennis binnenhaalt. Een beleid van brain gain, in de plaats van de huidige brain drain. “Daarbij moeten we rekening houden met het menselijk gevoel dat leeft bij zij die achter zijn gebleven in Suriname.” Dat betekent: “Niet discrimineren in salaris of behandeling.”

Maar is een gelijkwaardige relatie tussen een voormalige kolonie en kolonisator überhaupt mogelijk? “Een gelijkwaardige relatie staat haaks op de orde die we geërfd hebben van het kolonialisme, waarin Westerse landen zoals Nederland economisch, diplomatiek en cultureel overwicht hebben in de wereld”, ziet Guno Jones, hoogleraar van de Anton de Kom-leerstoel aan de Vrije Universiteit Amsterdam. De excuses voor het slavernijverleden noemt hij een begin. Suriname heeft weinig aan louter symbolische gebaren vanuit Nederland. De behoeften in Suriname zijn ook materieel, dus de samenwerking moet zich ook materieel vertalen. Een gelijkwaardige relatie tussen beide landen is wellicht beter te realiseren in een concrete samenwerking tussen instellingen dan op landelijk politiek niveau, waar grote belangen een rol spelen. Bijvoorbeeld artsen uit Nederland die met artsen in Suriname samenwerken om hartoperaties uit te voeren of tijdens de coronapandemie bijspringen.”

FotoGunoVoorNieuwsBriefVUVereniging foto Eric van Rossum
Guno Jones Beeld door: Eric van Rossum

Volgens Jones moet samenwerking beginnen met een gedeelde vraag vanuit Suriname en Nederland. “Het kan niet dat de agenda vanuit Nederland bepaald wordt, maar Nederland heeft wel een verantwoordelijkheid. De verantwoordelijkheid is bijvoorbeeld het bevorderen van het afschaffen van de visumplicht voor Surinamers. Voor hen is die visumplicht een obstakel om hun familie in Nederland te bezoeken. Van de Nederlandse kant kunnen mensen vrijelijk naar Suriname reizen, ze moeten alleen een entry fee betalen. Ook daar zie je asymmetrie in die relatie” zegt de antropoloog.

“In Suriname heb je nog steeds overwaardering voor alles wat uit Europa komt. Wat dat betreft moet er nog veel gedekoloniseerd worden. Hoe we de dingen waarderen, wat we als belangrijk cultureel erfgoed zien en wat niet. Je ziet een langzame verschuiving. Kort na de onafhankelijkheid was alles gericht op Nederland. In de loop der jaren is de oriëntatie verbreed naar landen in het Mondiale Zuiden. Dat vind ik een positieve ontwikkeling.”

Uit ons onderzoek blijkt ook dat de waardering van Suriname voor Nederland groot blijft, omdat er nog steeds veel succesverhalen zijn van Surinamers die ‘het’ maken in Nederland. Het zorgt ervoor dat veel jongeren blijven kijken naar Nederland als ‘het land van de toekomst’. Om dit te veranderen moet Suriname in de eerste plaats aan zichzelf werken. Ondanks vele pogingen, zijn transparantie en goed bestuur geen goederen die je kan opleggen of importeren, noch is corruptie iets wat Nederland kan helpen bestrijden. Dat moeten Surinamers, in Suriname, zelf doen. Ze zullen daarbij wel altijd kunnen rekenen op steun uit Nederland – gevraagd en ongevraagd. De relatie tussen familie en vrienden tussen beide landen is gebaseerd op (vaderlands)liefde, en komt – in tegenstelling tot bestuurlijke relaties – niet met voorwaarden. De liefde is nooit eindig, en de relatie dus ook niet.

Dit artikel is onderdeel van de serie ‘Surilines’, een onderzoek naar de banden tussen Suriname en Nederland in de aanloop naar vijftig jaar onafhankelijkheid. Bezoek de website www.surilines.nl voor meer informatie. Deze publicatie is tot stand gekomen met steun van het Fonds Bijzondere Journalistieke Projecten.

1633395119093

Zoë Deceuninck

Zoë Deceuninck is werkzaam als journalist in Suriname.
Profiel-pagina
Jamila

Jamila Meischke

Jamila Meischke is journalist.
Profiel-pagina
Nog geen reactie — begin het gesprek.