In de jaren na zijn breuk met Freud begon Jung aan een merkwaardige en soms angstaanjagende reis. Niet naar een ver land, niet naar een klooster of een universiteit, maar naar binnen. Hij besloot de beelden die uit zijn eigen onbewuste opkwamen niet weg te drukken of onmiddellijk te verklaren. Hij nam ze serieus. Hij ging ermee in gesprek.

Hij ontmoette gestalten als Elia, Salomé en Philemon. Hij tekende. Hij schilderde. Hij schreef. Hij luisterde naar stemmen die zich niet zonder meer lieten herleiden tot zijn bewuste denken. Het resultaat werd een uitzonderlijk document: Het Rode Boek.

Wie het openslaat in de verwachting een handboek over analytische psychologie te vinden, komt bedrogen uit. De theorieën waarmee Jung later beroemd zou worden, zijn hier nog niet netjes geordend. We zijn getuige van iets anders: van een mens die probeert aanwezig te blijven bij wat zich in zijn eigen innerlijk aandient. Misschien is dat precies waarom Het Rode Boek ruim een eeuw later opnieuw zo fascineert.

Want wij leven in een tijd waarin bijna alles naar buiten is gericht. We meten, verklaren, analyseren en verzamelen informatie. We dragen apparaten bij ons die binnen enkele seconden toegang geven tot vrijwel de gehele menselijke kennis. Kunstmatige intelligentie kan teksten schrijven, beelden maken, patronen herkennen en verbanden leggen die voor één mens nauwelijks nog te overzien zijn.

Maar één oude vraag blijft merkwaardig onaangetast:

Wie ben ik?

Niet: wat weet ik?
Niet: wat bezit ik?
Niet: wat vinden anderen van mij?

Maar: wat beweegt er werkelijk in mij?

Jung ontdekte dat daarop geen eenvoudig antwoord bestaat. Wie werkelijk naar binnen kijkt, ontmoet niet alleen licht en schoonheid. Daar wonen ook angst, begeerte, schaamte, woede en tegenstrijdigheid. De kanten van onszelf die we liever aan anderen toeschrijven. Later zou Jung daarvoor het begrip schaduw gebruiken.

Maar in Het Rode Boek zien we hem die werkelijkheid eerst ervaren, voordat hij haar theoretisch benoemt. Dat maakt het boek zo bijzonder. We lezen niet alleen de uitkomst van een gedachtegang; we mogen bijna over de schouder meekijken terwijl een gedachtewereld geboren wordt.

En misschien ligt daar ook een opdracht voor onze tijd. We hebben geleerd de wereld voortdurend te raadplegen. Misschien moeten we opnieuw leren onszelf te raadplegen. Niet om ons af te sluiten van de wereld. Integendeel. Wie zijn eigen duisternis niet kent, loopt het gevaar haar buiten zichzelf te bestrijden. Wie zijn eigen tegenstrijdigheden niet verdraagt, zal ze gemakkelijk bij een ander veroordelen.

De reis naar binnen is daarom geen vlucht uit de werkelijkheid. Misschien is zij juist een voorwaarde om werkelijk in die werkelijkheid aanwezig te kunnen zijn. Het Rode Boek geeft daarvoor geen routekaart. Jung zou waarschijnlijk de eerste zijn geweest om te waarschuwen tegen het simpelweg navolgen van zijn weg. Ieder mens heeft zijn eigen beelden, zijn eigen geschiedenis, zijn eigen schaduw en zijn eigen weg naar heelheid.

Maar hij laat wel zien dat er iets kan gebeuren wanneer een mens ophoudt onmiddellijk weg te lopen voor wat zich van binnen aandient. Meer dan honderd jaar geleden ging Carl Gustav Jung zitten en begon te luisteren. Misschien is dat, in een wereld die steeds harder praat, nog altijd een verrassend actuele oefening.

De Nederlandse editie van C.G. Jungs Het Rode Boek is onlangs opnieuw verschenen. Lees meer.

Rinus van Warven

Rinus van Warven

Uitgever - cultuurfilosoof - trendwatcher

Uitgever – cultuurfilosoof – trendwatcher – docent – publicist – communicatieadviseur – zingever …
Profiel-pagina
Nog geen reactie — begin het gesprek.