Nadat onze zoon was geboren en ik me realiseerde dat de manieren van ‘zorgen voor’ van zijn vader en mij zo ver uit elkaar lagen en samen zorgen niet lukte, was ik in de war. Ik had een hele andere toekomst voor ogen gehad, zeker voor onze zoon. Hoe was ik in deze situatie beland? Ik, bi-cultureel Nederlands Surinaams, opgegroeid in Nederland met een Surinaamse moeder en een Nederlandse vader. De vader van mijn zoon, Afro-Surinaams, deels in Suriname opgegroeid, met een totaal andere geschiedenis dan ik.
In mijn tienertijd vertelde mijn moeder mij, dat zij voor zichzelf, opgroeiend in Suriname, had besloten: “Voor mij geen Surinaamse man, want ze zorgen niet voor hun kinderen.” Ik voelde me juist aangetrokken tot jongens van kleur; jongens en later mannen met een Surinaamse, Antilliaanse of Zuid-Amerikaanse achtergrond. Ik zag hun vaders wel voor hun kinderen zorgen, dus ik dacht: ”Wat mijn moeder zei, is vast een vooroordeel.”
In ‘Voorvadersporen’ ga ik samen met mijn zoon en mijn Surinaamse familie op reis naar Suriname. We zijn in Paramaribo, waar mijn moeder is geboren. En we gaan naar het binnenland, en naar Coronie waar de vader van mijn zoon vandaan komt.
Daarnaast zoek ik naar antwoorden in mijzelf, in gesprekken met anderen, in boeken en studies. En ik bevraag mijn eigen creools- Surinaamse familie: Heeft het al dan niet zorgen van vaders voor hun kinderen te maken met afkomst en speelt huidskleur daarin een rol? Ik stuit op mijn eigen vadersporen en ik kom erachter dat mijn partnerkeuze beïnvloed is door doorgegeven boodschappen, maar ook door kortzichtige verbanden die ik als kind heb gelegd door wat ik in mijn eigen kleine omgeving voelde en zag. Tot mijn verbijstering ontdek ik dat boodschappen, die hun oorsprong hebben in het slavernijverleden, tot in mij zijn doorgewerkt. Een verleden dat veel dichterbij is dan ik me hiervoor had gerealiseerd.
De boodschap
Mijn familie is creools Surinaams, we hebben gemengd bloed; Chinees, Afrikaans, Inheems, Joods, Portugees en Nederlands. Mijn moeder groeide, na het overlijden van haar moeder, op in het gezin van haar opa en oma in Paramaribo. De boodschap van mijn dominante en strenge overgrootvader aan zijn dochters en later de echo daarvan aan zijn kleindochter was: “Kom niet thuis met een zwarte man.” Hoe witter de huid en hoe sluiker het haar, hoe beter.
Daarnaast zag mijn moeder de ontrouw van haar negen ooms die met meerdere vrouwen meerdere kinderen kregen en lang niet altijd voor ze zorgden. Ook zag ze de trouw en voelde de liefde en zorg van een aangetrouwde Nederlandse oom en besloot voor haarzelf: “Voor mijn geen Surinaamse man”. Zij verloor hierbij uit het oog dat ook haar eigen Nederlandse witte vader niet voor haar zorgde.
De boodschap migreerde
Mijn moeder migreerde op haar zestiende met haar twee jongere zusjes naar Nederland met de boodschap van haar oma: “Zoek geen contact met Surinamers, zij brengen je op het verkeerde pad”. Mijn moeder gehoorzaamde en ontmoette mijn vader; een zorgzame, witte Nederlandse man. Mijn vader stelde zich, uit bezorgdheid en angst, dominant op. Hij dacht dat wat goed was voor hem, ook goed voor was voor mij. Hij was mijn rots, maar ik was ook bang voor hem. Ik paste me aan en probeerde alles zo goed mogelijk te doen.
Mijn ontspanning en veiligheid vond ik bij mijn Surinaamse tante en neven die sinds de onafhankelijkheid van Suriname in 1975 in Nederland woonden. Ik merkte veel verschillen op tussen mijn Nederlandse en mijn Surinaamse familie. Bij mijn Nederlandse familie voerden, ondanks de liefde voor elkaar, gesprekken over werk, huizen, zekerheid en prestaties de boventoon. Bij mijn Surinaamse familie werd veel gelachen, samen gegeten en voelde het ontspannen, warm en gezellig. Ondanks dat niet alles had meegezeten in de familie, integendeel, klonk er muziek en er waren verhalen en foto’s uit Suriname.
Bij mijn tante was iedereen welkom en voelde ik me thuis. Ik was gek op mijn neven, keek tegen ze op en dacht op mijn beurt weer: ”Voor mij geen Nederlandse man.” Daarnaast voelde ik het gemis van en de liefde voor Suriname van mijn moeder. Ze hield zielsveel van haar familie en dus ook van haar ooms. Ik kon dat niet goed plaatsen met de andere boodschap die ze me meegaf: “Met Surinaamse mannen kun je dansen en sjansen, maar je moet er geen relatie mee hebben.”
Mijn bloed kroop waar het niet gaan kon en ik volgde mijn hart. In mijn tienerjaren heb ik veel gelachen met vrienden van Surinaamse, Antilliaanse en gemengde komaf. De jaren daarna heb ik gedanst en gesjanst met mannen van zowel Surinaamse, Nederlandse en andere afkomst én relaties gehad met mannen van kleur. Al had ik ergens in mijn achterhoofd het idee iets “fout” te doen en was er een vaag gevoel van schaamte. Ik hoopte wel een “goede” Surinamer of man van kleur te treffen. Ik wilde een relatie, maar ik wilde ook altijd “vrij” zijn. Toen ontmoette ik de vader van mijn zoon.
De boodschap ontmanteld
In mijn Surinaamse familie zijn het zowel Nederlandse als Surinaamse vaders met een witte, bruine en zwarte huidskleur die niet voor hun kinderen hebben gezorgd.
In de stamboom van mijn familie kan ik tot negen generaties terug geen voorvaders van Afrikaanse of Inheemse achtergrond vinden, alleen lege plekken: “vader onbekend”. De mannen zijn er officieel niet, maar er zijn wel kinderen. De voorvaderlijnen gaan terug naar Chinees, Nederlands, Joods, Portugees en “onbekend”. Alle voormoederlijnen gaan terug naar Afrikaanse voormoeders. De slavenhouders gaven ze een Westerse voornaam, hun eigen namen zijn “onbekend” gemaakt. Eén witte Nederlandse voorvader, de plantagehouder Van Ree, in 1800 geboren in Amsterdam, vertrok naar Paramaribo en kreeg daar kinderen met een Nederlandse vrouw die zijn achternaam droegen én met een Afrikaanse voormoeder die de achternaam Van Eer kregen. Het waren niet alleen de Afro-Surinaamse of Creoolse mannen die meerdere kinderen bij meerdere vrouwen kregen.
De ouders van mijn overgrootvader en overgrootmoeder zijn net na de afschaffing van de slavernij geboren. Doordat mijn oma en mijn moeder gehoorzaamden aan de boodschap van mijn overgrootvader, ben ik van de eerste generatie in deze familielijn die niet gediscrimineerd wordt vanwege mijn afkomst, huidskleur of haartype. Ik heb alle witte privileges die eerdere generaties ook graag zouden hebben gehad. Onbewust, heb ik door mijn hart te volgen, in de vader van mijn zoon gevonden wat er diep in mijzelf en mijn familielijn verborgen zat en voor de buitenwereld onzichtbaar was gemaakt: een zwarte man die er niet mocht zijn, een liefde waarmee je je niet mocht verbinden én dus ook zelfliefde die er niet mocht zijn.
Vanuit goede bedoelingen zijn boodschappen van racisme doorgegeven om het beter te krijgen in een samenleving gebouwd op een racistisch systeem. Dit geïnternaliseerde racisme zorgt ervoor dat een deel van wie je bent in je binnenwereld in de schaduw verdwijnt. De zwarte man die er in mijn familie niet mocht zijn is via de liefde terug in het licht, in de vorm van mijn zoon. Hij mag er zijn met alles wie hij is en wat hij in zich heeft. Ik hou van alles van hem: zijn bruine huid, zijn gemengde krul-, kroes- en stijl haar, zijn ritmegevoel, humor, slimme opmerkingen en wijsheid.
Hij vroeg onlangs aan mij: ”Mama, van wie hou je qua ziel?” en antwoordde zelf: ”Van mij!”
“Wan ogri tjari wan bun.” Mijn vader en mijn zoon zijn twee handen op één buik. In Suriname antwoordde mijn zoon, op mijn vraag wat hij nog wilde: “Ik wil dat mama en opa van elkaar houden.” Uit alles wat ik heb meegekregen, gezien en gevoeld, kan ik kiezen wat ik meeneem en welke boodschap ik doorgeef.
Voor alle mooie, lieve zielen in een zwarte, bruine of witte huid van wie ik heb gehouden en van wie ik nog steeds hou. Overlevingsgedrag staat liefdevolle verbinding in de weg, wat niet wil zeggen dat er geen liefde is. Het is alleen zo moeilijk elkaar te vinden.
Voor mijn voorvaders en voormoeders: ik voel jullie kracht en hoor jullie boodschappen, ik geef ze door.
