‘Ik had niet gedacht ooit een vluchteling te zijn.’ Ernstig kijkend zit Arsalan voor me. Hij is 27 jaar maar oogt ouder. Tenger postuur. Een pluizig baardje. Kringen rond zijn vragende ogen. Voor het eerst in het gesprek zie ik iets van emotie in zijn gezicht. In vloeiend Engels vertelt hij zijn verhaal:
‘Vroeger in Kabul hadden we een aantal winkels met drogisterijproducten. Een keten van vestigingen verspreid door het land. Iedereen werkte mee in ons familiebedrijf, ik bracht voorraden naar de juiste locaties, mijn zussen hielpen inpakken en met de administratie. Mijn grootvader, het hoofd van de familie, leidde het bedrijf.
Maar toen kwam de Taliban en werd het leven lastiger. Er werden steeds meer beperkingen opgelegd aan onze activiteiten. We konden niet meer alles doen. Op een gegeven moment kwam mijn oom om het leven door een autobom, we weten niet door wie. Later is ook mijn opa vermoord. Op dat moment studeerde ik in Pakistan, natuurkunde. Ik kreeg het bericht van mijn vader dat het beter was als ik terugkwam naar Kabul. Dat heb ik ook gedaan, maar op een gegeven moment vond ik het daar te gevaarlijk. Ik ben toen naar Turkije gegaan en via Turkije kwam ik in Nederland terecht.
Toen ik na een lange reis in Ter Apel aankwam dacht ik: nu kan mijn toekomst eindelijk beginnen en is de ellende achter de rug. Ik begon heel actief mee te doen, bijvoorbeeld door mij als tolk aan te bieden, ik spreek immers zes talen vloeiend. Dat deed ik een tijdje bij de informatiebalie van het COA. Dat ging goed. Maar daarna werd ik overgeplaatst naar een ander azc. Ik kwam terecht op een unit met vervelende medebewoners. Ze veroorzaakten veel overlast en gebruikten drugs en alcohol. Sommigen waren ook betrokken bij illegale activiteiten. Er stond vaak harde muziek aan, mensen pakten etenswaren van anderen af als ze er zin in hadden. Het COA zei dat ze niet zoveel kon doen. Ik voelde me heel onveilig in die omgeving. Ik sliep slecht en had het gevoel voortdurend op mijn hoede te moeten zijn. Het gaf veel stress.
Ondertussen probeerde ik wat afleiding te krijgen door mij aan te melden voor vrijwilligerswerk. Immers ik kon goed vertalen. Ik ben naar het spreekuur geweest en heb mijn naam op een lijst laten zetten. Maar daarna hoorde ik niets meer. Ik ben toen teruggegaan en heb nog een keer verteld dat ik graag iets wilde doen. Maar ook dat leverde niets op. Op een gegeven moment begon ik te denken dat ze mij waarschijnlijk niet wilden hebben, dat ze liever anderen aan het werk hielpen. Waarom zou ik anders niets horen? Ik werd daar een beetje verdrietig van. God zij dank zit ik nu wel op een andere unit. Dat is veel beter en er is geen overlast.
Nu ben ik hier zes maanden. Maanden van stress en ellende op die andere unit. Dat heeft wel wat met mij gedaan. Niets omhanden, want geen reactie voor vrijwilligerswerk. Betaald werk kan ik ook niet doen, want ik heb nog geen BSN. Ik slaap slecht en voel me mentaal uitgeput. Vandaag heb ik voor het eerst een gesprek aangevraagd met de psycholoog van de medische dienst. Ik hoop dat hij mij kan helpen om beter in mijn vel te komen.
Ik had mij het leven hier heel anders voorgesteld. Ik had nooit gedacht dat ik ooit een vluchteling zou zijn. Twee jaar geleden was ik nog gewoon student op de universiteit. Maar nu ben ik dus een asielzoeker. En is mijn leven helemaal anders geworden. Soms vraag ik me af of ik de juiste beslissing heb genomen. Mijn leven is hier misschien nog wel minder goed dan daar.
Natuurlijk begrijp ik dat ik moet wachten op een beslissing op mijn asielaanvraag — maar zo lang? Vertel me gewoon of ik mag blijven of niet. Als het nee is accepteer ik dat en ga ik een andere oplossing zoeken. Maar vertel me het gewoon. Ja of nee. Is dat nou zo ingewikkeld?’
