Aan de Universiteit voor Humanistiek in Utrecht vond onlangs de conferentie Dialogics of Justice plaats. Tijdens deze bijeenkomst gingen internationale academici, activisten, bestuurders en ervaringsdeskundigen in gesprek over wat werkelijk herstel van historisch onrecht inhoudt. Ook werden de resultaten van het gelijknamige zesjarige onderzoek gepresenteerd. De centrale vraag tijdens de conferentie was hoe mensen erkenning en herstel ervaren na historische misstanden of institutioneel geweld, en welke rol juridische procedures daarbij spelen.
Historisch onrecht gaat over mensenrechtenschendingen in het verleden waarvan de gevolgen tot op de dag van vandaag doorwerken, zoals slavernij en genocide. Institutioneel geweld betekent schade aan bevolkingsgroepen die door een organisatie of overheid gemarginaliseerd worden, zoals bij de Toeslagenaffaire.
Sinds 2020 bestudeert een interdisciplinair team aan de Universiteit van Humanistiek rechtszaken en herstelprocessen in dergelijke mensenrechtenschendingen in Nederland, Indonesië, Bosnië en Nigeria. Dat gebeurt onder leiding van Nicole Immler, hoogleraar Historical Memory and Transformative Justice. Het gaat om rechtszaken waarin nabestaanden van oorlogsgeweld, en getroffenen van grootschalig onrecht, overheden, kerkelijke organisaties en multinationals aanklagen in de Nederlandse rechtbank. Zo werd de Nederlandse staat gedaagd door nabestaanden van de genocide in Srebrenica, en door de weduwen van Indonesiërs die tijdens de Onafhankelijksheidsoorlog door Nederlandse militairen werden geëxecuteerd. Getroffenen van dwangarbeid door de kerk brachten een kloosterorde voor het gerecht, en Nigeriaanse gedupeerden van olievervuiling en geweld spanden zaken aan tegen Shell. “De rechtbank,” zo vertelde Nicole Immler in haar openingsspeech, “is vaak de allerlaatste plek om historisch onrecht te repareren als het eerder niet gelukt is. Getroffenen van onrecht proberen vaak eerst met de overtredende instituties zelf in gesprek te gaan, maar botsen dan tegen de weerstand om verantwoordelijkheid te nemen. Ze voelen zich dan genoodzaakt naar de rechter te stappen.”
Het onderzoek Dialogics of Justice, gefinancierd door een VICI-beurs van de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO), wilde helder krijgen of en in hoeverre dergelijke juridische processen de erkenning en rechtvaardigheid meebrengen waar de eisers naar zoeken. Dit om de grotere vraag te kunnen stellen: wanneer voelen overlevenden van historisch onrecht en mensenrechtenschending zich werkelijk erkend? Hoe zien die reparaties er precies uit? Wat hebben die voor invloed op latere generaties? Wat betekent die erkenning voor hun vaak gemarginaliseerde positie in de maatschappij waarin ze leven? En ook: wat is er nodig van overheidsinstanties, en andere gedaagde instituten om voor dat diepgaande herstel te zorgen? Hoe kunnen de mensen die getroffen zijn door geweld hierbij als gelijkwaardige gesprekspartners betrokken worden?
Over dat laatste punt gaat de term ‘dialoog’ in de onderzoekstitel Dialogics of Justice: de voortdurende interactie tussen de eisers en de beschuldigde instellingen, zoals de staat, het leger, de kerk en multinationals, maar ook met de maatschappij in het geheel. Als de getroffenen niet zelf in het gesprek over herstel worden betrokken, gaat het mis. Niet alleen omdat er zo belangrijke aspecten van hun eigen ervaringen en verlangens over het hoofd worden gezien, maar omdat het precies de buitensluiting benadrukt die het hart vormt van het vaak al generatie overstijgende onrecht.
Of het nu gaat om de weduwen van de slachtoffers in de Indonesische Onafhankelijkheidsoorlog, of de mensen die de dupe werden van de Toeslagenaffaire, malafide adoptie, dwangarbeid, dodelijke vervuiling of misbruik in en door de kerk, de getroffenen worden vaak met achterdocht benaderd, als profiteurs afgeschilderd, met schaamte overladen, maar zelden gewoon serieus genomen. ‘Kolonialiteit’ is in die onderzoeken en processen een belangrijk begrip: wie worden door mensen in machtsposities als ‘de ander’ gezien? Daar alert op zijn is een essentieel onderdeel van rechtvaardig handelen, stelde Immler. “Er is geen duurzame collectieve gerechtigheid als de verstoorde verhoudingen niet worden aangepakt,” concludeerde ze. “Het gaat om ‘relationaliteit’: de onderliggende relaties moeten hersteld worden. Wat is er nodig om mensen een betere positie te geven in de maatschappij zodat dit niet opnieuw gebeurt? Stereotypen uitdagen en discriminatie aanpakken. Anders blijven patronen van marginalisering in stand. Zicht krijgen op het complexe eco-systeem van de juiste herstelacties is het doel van deze conferentie.”
Het onderzoeksveld ‘transitional justice’, ook wel ‘overgangsjustitie’ genoemd, gaat over trajecten in samenlevingen die in het reine moeten komen met grootschalige mensenrechtenschending in het verleden. De processen van Neurenberg (1945-1946) zijn daar een vroeg voorbeeld van, maar ook waarheidscommissies zoals die in Zuid-Afrika (1995). Die laatste wordt vaak als voorbeeld gesteld, maar heeft volgens hoogleraar mensenrechten Paul Gready juist laten zien dat waarheidsvinding zonder rechtvaardige sociaal en economische herverdeling onrecht in stand houdt. Het was onder meer Gready die mede op basis hiervan in 2014 een pleidooi hield om van een ‘transitionele’ naar een ‘transformatieve’ vorm van rechtvaardigheid te gaan, dat wil zeggen: een vorm van rechtvaardigheid die de maatschappelijke positie van slachtoffers structureel verandert.
Het onderzoeksproject Dialogics of Justice wilde dat transformatieve karakter verder onderzoeken. “Een veelgehoord misverstand is dat mensen denken dat we over het verleden praten, maar we hebben het juist over de toekomst,” zei Immler in haar openingsspeech. “Mensen willen een toekomstgerichte rechtvaardigheid. Het gaat daarbij niet alleen om erkenning van onrecht, en financiële compensatie. Ze willen werkelijke gelijkwaardigheid en waardigheid ervaren in het dagelijks leven, en daarom moet de relatie tussen getroffen groepen met de samenleving verbeterd worden.”
“Transformatieve rechtvaardigheid gaat over dit langetermijnperspectief; kijkt er ook iemand mee naar de toekomst van gedupeerden?” Dit gaat dan bijvoorbeeld over hoe getroffenen van de Groninger gaswinning herstellen van de hersteloperatie zelf.
In essentie betekent dit dat de focus verschuift van een puur juridische benadering naar een benadering die de sociale en menselijke relaties centraal stelt in het proces van waarheidsvinding, gerechtigheid en herstel.
Tijdens de conferentie gingen diverse panels specifiek in op de juridische, financiële, sociale en emotionele kanten van genoegdoening in de voornoemde zaken. Neem de reeks rechtszaken die nabestaanden van de genocide in 1995 op de Bosniak gemeenschap in Srebrenica met succes aanspanden tegen de Nederlandse Staat voor het optreden van Dutchbat, de Nederlandse VN-militairen die de gemeenschap tegen het Bosnisch-Servische leger hadden moeten beschermen. Het was, vertelde mensenrechtenadvocaat Liesbeth Zegveld die de zaak namens tolk Hasan Nuhanović aanspande, de allereerste keer dat een land dat optrad als onderdeel van een VN-vredesmissie aansprakelijk werd gehouden. Gelijk krijgen in de rechtszaal was essentieel voor zijn gevoel van gerechtigheid, vertelde Nuhanović zelf. Het heeft hem elf jaar gekost, maar ‘de waarheid juridisch bekrachtigd krijgen, geeft een gevoel van gerechtigheid.’ Daarmee houdt het alleen niet op. Het dominante verhaal over de rol van de Nederlandse militaire divisie Dutchbat-III is nog steeds niet helemaal herzien, zo bleek ook uit de vragen die de leerlingen van een schoolklas stelden die aanwezig waren. In eigen land wordt nog altijd vaak gewezen op de machteloosheid van de divisie, het niet anders kunnen dan de mensen binnen de enclave aan de Serven over te dragen. “Je moet je verhaal duizend keer vertellen,” verklaarde Nuhanović.
Wat de doorwerking van historisch onrecht inhoudt, verwoordde de dochter van Hasan Nuhanović, Nasiha (1998), zelf jurist. Hoewel ze nog niet geboren was toen het geweld plaatsvond, ervaart ze een verantwoordelijkheid om de herinnering aan het geweld tegen haar familie levend te houden. Ze heeft niet alleen te maken met pijn over de verliezen in het verleden, maar om structuren die doorwerken in families en samenlevingen. Zo maakt ze deel uit van een maatschappij waarin een deel van de bewoners de eigen betrokkenheid bij het geweld tot op de dag van vandaag ontkent. “De uitkomsten van het Joegoslaviëtribunaal konden niet verhinderen dat ontkenning van de genocide nog steeds onderdeel is van de samenleving.” Ook in Nederland wordt het nog vaak als niet Nederlandse geschiedenis gezien. Historisch onrecht is volgens Nasiha Nuhanović: systemisch, intergenerationeel, en blijvend aanwezig.
Uit de conferentie bleek in dit opzicht ook hoe er juist door die herstelpogingen weer nieuwe dilemma’s kunnen ontstaan. Zo ontvangt het genocidemuseum in Srebrenica/Potočari steun van Museum Westerbork. Het museum heeft zich, tot ontsteltenis van velen, nog niet geuit over wat zich in Gaza voltrekt. “Onderwijs over genocide kan zelf ook een vorm van genocideontkenning worden,” zei genocide-expert Alma Mustafić. “Het hangt ervan af wie het verhaal mag vertellen.”
“Genocide begint nooit met de genocide zelf,” zei ze, “maar met het proces van ontmenselijking dat eraan vooraf gaat. Als een samenleving slachtoffers blijft negeren, of hun ervaringen minimaliseert, dan duurt het geweld in zekere zin voort.”
De juridische erkenning voor getroffenen van grootschalige mensenrechtenschendingen heeft onnoemelijk veel haken en ogen. Neem alle inspanningen voor erkenning en schadeloosstelling bij misbruik door de kerk de afgelopen decennia. Zo leidde zaken over (seksueel) geweld in de Nederlandse Katholieke Kerk tot individuele schadeloosstelling, maar, zo is het dilemma, veel méér mensen zijn decennialang, zo niet eeuwenlang door die kerk benadeeld of erger. Hoe baken je dan af wie erkenning en compensatie verdienen? Hoe gaat een samenleving ermee om als slechts een handjevol representanten van het onrecht naar voren stapt, zoals de negentien vrouwen die de Kloosterorde van de Goede Herder aanklaagden vanwege jarenlange dwangarbeid, terwijl daar tussen 1860 tot 1978 maar liefst twintigduizend meisjes ‘met een moeilijke jeugd’ gehuisvest werden?
Naast deze problemen rond ‘representativiteit’ bij collectieve acties, schetste het panel van belangenbehartigers en onderzoekers andere obstakels. Vertragingen, verjaringstermijnen, geen rechtsbijstand, beperkte financiering voor procedures, beperkte toegang tot archieven, en de schaamte die slachtoffers vaak voelen, terwijl die bij de andere partij hoort te liggen. Het ongemak dat slachtoffers kunnen ervaren om in de rechtbank gerechtigheid te eisen, wordt versterkt als kerkelijke instituten hen verwijten alleen maar op geld uit te zijn, en de kerk schade te berokkenen. “Zo’n vijandige rechtbankcultuur kan weer leiden tot hertraumatisering,” zei James Gallen, expert op het gebied van misbruik door kerkelijke instanties.
Belangrijk voor gevoelens van gerechtigheid is ook empathie. Victoria Bera is een van de weduwen van de negen vermoorde activisten die in de jaren negentig tegen Shell opstonden. Zij heeft het dan over de empathie van de bevolking van een land (Nederland in dit geval) dat profiteert van de inkomsten van een nationale multinational, met mensen ver weg, zoals zij, die de dupe zijn van diens ingrijpende milieuschade en mensenrechtenschendingen. Bera is van de vier weduwen die Shell zonder juridisch succes aangeklaagden vanwege de vermeende betrokkenheid op de dood van hun echtgenoten. ‘Wij vechten voor rechten, niet voor compensatie’, zei ze. Ook andere bewoners van de door oliewinning vervuilde Nigerdelta stonden op tegen het bedrijf, ondersteund door Nederlandse organisaties als Milieudefensie en Amnesty International.
De financiële compensatie die het bedrijf een deel van de eisers betaalde, betekende nog geen gerechtigheid, vertelde de Nigeriaanse advocaat Chima Williams, die voor het herstel van de natuur strijdt. Dat heeft volgens de advocaat te maken met de macht van multinationals, en met corruptie. Dat is volgens Williams dan ook de definitie van historisch onrecht: wanneer een misdaad zich voortzet in het heden. “Als je kunt aantonen dat je nog steeds schade ondervindt, overstijg je de verjaringstermijn, omdat het oorzakelijk verband zichtbaar blijft. Dus: organiseer zichtbaarheid.” Voor hem was een rechterlijk bevel om een lekdetectiesysteem te installeren van groot belang, omdat het olielekken kon voorkomen.
Een krachtig middel om gerechtigheid te ervaren, is archivering van onrecht en misstanden. Archieven bepalen mee wie zichtbaar wordt in de geschiedenis, vertelde UvH-onderzoeker Siri Driessen. “Ze registreren niet alleen maar de werkelijkheid, ze vormen ook wat als werkelijkheid geldt.” Omdat institutionele en staatsarchieven vaak bestaande machtsverhoudingen spiegelen, en soms bewust kennis vernietigen, zijn ‘community archives’ belangrijk. Dat zijn archieven waarin bepaalde groepen zelf hun geschiedenis vastleggen, in plaats van afhankelijk te zijn van de staatsalternatieven. Niet alleen om kennis en ervaringen te registreren van een onderdrukte of gemarginaliseerde groep, maar ook als manier om verzet te organiseren. Dat doet bijvoorbeeld Khazaaen, een Palestijn gemeenschapsarchief. Via een online verbinding vertelde directeur Fady Asleh dat deze archivering een effectieve methode was om heel veel verschillende verhalen op te slaan, en later ook weer te kunnen raadplegen. Weten dat gebeurtenissen en onrecht worden geregistreerd biedt troost. Asleh: “Archiveren, om de schaal van de catastrofe te documenteren, is een proces van genezing.” Ook toekomstige generaties zijn geholpen als ze door de archivering begrijpen dat hun onrecht niet individueel maar systemisch is.
De conclusies van de conferentie waren tegelijk hoopvol en ontnuchterend. Rechtszaken kunnen bijdragen aan wat in academische kringen ‘het eigenaarschap van het narratief door eisers/slachtoffers’ heet. Dit betekent dat slachtoffers of nabestaanden via een rechtszaak hun eigen verhaal kunnen laten horen en erkenning kunnen krijgen voor hun perspectief. Niet alleen staten of instituties bepalen dan het officiële verhaal, maar ook degenen die schade hebben geleden.
Rechtszaken helpen ook om feiten boven tafel te krijgen: wat er precies is gebeurd, wie schade heeft geleden, en welk onrecht is aangedaan. Er wordt juridisch vastgesteld wie aansprakelijk of verantwoordelijk is, wat bij genoegdoening kan helpen. Zodra een rechter aansprakelijkheid vaststelt, zoals in de rechtszaken rondom Srebrenica en Shell, kan ook de waarneming kantelen van het publiek. Paul Gready noemt dergelijke rechtszaken daarom in het slotdebat ‘publieke klaslokalen’ (civic class rooms).
Ook als zaken niet gewonnen worden, belicht de bijbehorende media-aandacht de verhalen van de ervaringsdeskundigen, en kan er een brede maatschappelijke discussie ontstaan. Alleen al de eigen ervaringen kunnen verwoorden in zo’n officiële juridische setting, kan helpend zijn. Hoewel de claims van de vrouwen die de kloosterorde van de Goede Herder aanklaagden door de rechtbank werden afgewezen, heeft het mogen spreken in de rechtbank hen goed gedaan. “Zij hebben hun stem teruggepakt,” vertelde Annemie Knibbe, vertrouwenspersoon historisch kindermisbruik RKK.
Zo’n zaak aanspannen is echter vaak wel een langdurig en zeer ingrijpend traject. En echte verandering hangt af van politici, media, onderwijs en burgers. Hoe worden de relaties hersteld, hoe wordt bijvoorbeeld voorkomen dat onderliggende veronderstellingen over bevolkingsgroepen opnieuw hun beslag krijgen in discriminerende algoritmes, zoals in fraude-onderzoeken bij de Toeslagenaffaire en de DUO gebeurde? De gedupeerden daarvan weten: dit is geen incident, dit is gebaseerd op structurele marginalisering.
Werkelijk herstel is “een heel gelaagd proces”, concludeerde UvH-onderzoeker Niké Wentholt. “Als je een van de lagen over het hoofd ziet, kunnen mensen over de hele linie miskenning ervaren.”
Immler: “Al die lagen zijn in kaart gebracht. De vraag is alleen, zijn instanties zoals de kerk, Shell of de overheid bereid tot zo’n gelaagd herstelproces? Dat vraagt namelijk om institutionele veranderingen.”
