Het was warm en zonnig aan de Lloydkade in Rotterdam waar Nationaal Monument Ulu Kora werd ingehuldigd. “Mijn vader heeft geen last gehad van de warmte, maar een pet en zonnebril kon hij goed gebruiken.”
Waarom Latuheru in het Koninklijk Nederlands Indisch Leger (KNIL) diende? “Je had weinig keuze, er was nauwelijks werk. Al mijn vrienden gingen,” zo vertelde hij vorige week in een interview in het Algemeen Dagblad. De Tweede Wereldoorlog die net was afgelopen had indruk op hem gemaakt: “Ik heb gezien hoe Japanse bommen de moestuin verwoestten die ik had aangelegd. Het scheelde niet veel of ik was geraakt.”
De reis naar Nederland duurde zo’n drie tot vier weken. “De helft van de mensen op het schip was zeeziek. Ik niet. Daarom deed ik corvee in de keuken,” zegt hij in het AD-interview. “Op de Molukken blijven was geen optie. In het onafhankelijk geworden Indonesië werden KNIL-militairen gezien als verraders. De Nederlandse overheid koos ervoor om Molukse soldaten en hun gezinnen naar Nederland te brengen in afwachting van een onafhankelijke Molukse staat. “Maar we zijn gewoon voorgelogen. Ik wist al snel dat ons verblijf niet tijdelijk zou zijn.”
Elf jaar geleden overleed zijn vrouw Martha, ook afkomstig uit de Molukken. Zij was met één van de andere schepen naar Nederland gekomen. Met haar kreeg hij negen kinderen en inmiddels zijn er twaalf kleinkinderen en zestien achterkleinkinderen.
Ruim twintig jaar van zijn leven woonde Latuheru in Nederland in diverse kampen en in een Moluks woonoord. Pas in 1972 kwam er voor het inmiddels grote gezin een reguliere woning in een Molukse woonwijk, met in de slaapkamers van de kinderen vooral stapelbedden.
Latuheru kijkt al met al terug op een goed leven en vindt het eerherstel voor de Molukse gemeenschap terecht en van grote betekenis voor de toekomst.
