De boodschap van jongeren is helder: zij willen niet nog meer weerbaarheidstrainingen maar erkenning, veiligheid en gelijke kansen. Het KIS-rapport biedt beleidsmakers, scholen, jongerenwerkers en werkgevers nieuwe inzichten. Het geeft handvatten om gelijkwaardigheid, veiligheid en vertrouwen te versterken.
De jongeren vertellen in het rapport over openlijke uitsluiting, subtiele opmerkingen, aannames en bepaalde blikken. Het zijn alledaagse ervaringen die zich opstapelen en hun gevoel van veiligheid en eigenwaarde onder druk zetten. ‘Je merkt hoe mensen je aankijken, van top tot teen. Geen goedemorgen. Alsof natuurgebieden alleen voor witte Nederlanders zijn. Dan voel ik me niet welkom. Vaak ontwijk ik zulke plekken,’ legt een jongere uit.
KIS-onderzoeker Jeroen Vlug vult aan: ‘Jongeren geven aan dat zij voortdurend alert zijn op hoe zij overkomen. Ze voelen dat ze zich moeten aanpassen of bewijzen. Die waakzaamheid is uitputtend. Het beïnvloedt hun keuzes: waar zij naartoe gaan en hoe zij zich presenteren. Ook negatieve mediaberichten maken hen somber. Ze versterken het gevoel dat hun plek in Nederland niet vanzelfsprekend is.’
Gelaagde identiteiten: kracht én druk
Moslimjongeren bewegen dagelijks tussen verschillende sociale werelden: thuis, school, werk, moskee en online. Deze meervoudige identiteit is voor velen waardevol. Ze leren schakelen en kijken vanuit verschillende perspectieven. Dat maakt hen flexibel en empathisch.
Tegelijk laat het onderzoek zien deze kracht niet overal wordt erkend. KIS-onderzoeker Fatima Acherrat geeft aan: ‘Sommigen maken hun religieuze of culturele identiteit minder zichtbaar om negatieve reacties te voorkomen, terwijl anderen juist druk voelen om zich voortdurend te verantwoorden.’
Ondanks die druk vormt religie voor veel jongeren een stabiele basis. Het is een bron van zingeving, juist als zij zich niet geaccepteerd voelen. Een jongere vertelt: ‘In moeilijke momenten merk ik dat ik altijd terugval op het geloof; daar vind ik een bepaalde rust die ik nergens anders op dezelfde manier kan vinden.’
Veerkracht met een grens
De jongeren in het onderzoek laten veel veerkracht zien. Ze ontwikkelen verschillende strategieën om met uitsluiting en discriminatie om te gaan. Ze relativeren, zoeken steun bij vrienden en familie of vinden troost in hun religie.
Maar deze veerkracht kent grenzen. Vlug: ‘Jongeren ervaren dat de verantwoordelijkheid om met discriminatie om te gaan vaak bij hén wordt gelegd, terwijl de oorzaken structureel en maatschappelijk zijn.’
Moslimjongeren zijn duidelijk over wat zij nodig hebben. Structurele erkenning van de uitsluiting die zij ervaren en concrete actie van instituties. Acherrat: ‘De jongeren vragen geen uitzonderingspositie, maar een eerlijk speelveld: veilige scholen, inclusieve werkplekken en eerlijke kansen bij sollicitaties.’ Zoals een jongere zegt: ‘Ik hoop dat mensen ons kunnen accepteren… dat ze ons gewoon zien als mensen, net als iedereen.’
Tweede Kamerleden vergroten online discriminatie
Het KIS-rapport met conclusies over het racisme dat moslimjongeren ondervinden, verscheen daags voordat de Staatscommissie tegen Discriminatie en Racisme met andere schokkende conclusies naar buiten kwam. Deze commissie stelt dat racisme en discriminatie online toenemen na negatieve uitspraken van politici in de Tweede Kamer over bevolkingsgroepen. Het risico bestaat dat daardoor discriminerende taal in het publieke debat als steeds normaler wordt gezien, zo stelt de Staatscommissie na onderzoek van de Universiteit van Amsterdam.
De onderzoekers analyseerden tienduizenden toespraken en interrupties in de Tweede Kamer van de afgelopen tien jaar. Ook keken ze naar krantenartikelen en bijna 3 miljoen opmerkingen onder video’s van de YouTube-kanalen van De Telegraaf, NOS, NOS Jeugdjournaal en NU.nl. Voorzitter van de staatscommissie Joyce Sylvester zegt tegenover de NOS dat uitspraken via media en sociale media snel worden versterkt. “Het effect is dat uitspraken worden overgenomen door nationale kranten. Vervolgens zie je een explosie op de sociale media en daarmee worden dit soort uitspraken verder verspreid. Dan treedt er een soort normalisatie op en denken mensen: het is eigenlijk heel gewoon om dit soort uitspraken te doen.”
