Onlosmakelijk is de naam van de Bosnische stad Srebrenica verbonden met de moord op zo’n achtduizend moslimmannen en -jongens door het Bosnisch-Servische leger. Een misdaad tegen de menselijkheid. Niemand had gedacht dat zo kort na de verschrikkingen van de Tweede Wereldoorlog weer op Europese bodem genocide zou plaatsvinden. Het gebeurde onder de ogen van Dutchbat, het Nederlandse bataljon dat onder commando van de Verenigde Naties deel uitmaakte van de UNPROFOR-vredesmacht. Zij faalden in hun opdracht de moslimbevolking te beschermen in deze door de VN tot safe area uitgeroepen enclave.

Parlementaire enquête

Over de oorzaken en de vraag in hoeverre de Nederlandse militairen en de Nederlandse regering verantwoordelijk zijn voor dit drama, is in de afgelopen twintig jaar veel geschreven, gespeculeerd en gedebatteerd. Onderzoeksrapporten bleven vaag, verklaringen tegenstrijdig, fotorolletjes met bewijzen verdwenen. Op het NIOD-rapport over de val van Srebrenica volgt een kabinetscrisis. In april 2002 trekt het tweede kabinet Kok de politieke consequentie en treedt terug. Maar met het nemen van de politieke verantwoordelijkheid is het hoofdstuk Srebrenica nog niet gesloten. Er is geen schuld bekend en dus gaat het verhaal door. Er volgt een parlementaire enquête en in 2007 spannen de nabestaanden van de slachtoffers een kort geding aan tegen de Nederlandse staat en de VN. In drie gevallen geeft het Gerechtshof in Den Haag de nabestaanden gelijk en acht het de Nederlandse regering schuldig. En al die anderen dan? Wie vraagt de echtgenotes en moeders, dochters en zusters om vergiffenis voor de begane misdaad? Wie geeft hun de mogelijkheid om te kunnen vergeven? En, niet te vergeten, wie wordt de mogelijkheid ontzegd te worden vergeven?

Met deze geschiedenis en vragen in mijn achterhoofd vertrek ik op 3 mei 2015 naar Sarajevo. Op uitnodiging van het Joan B. Kroc Institute for Peace and Justice van de University of San Diego, het Network of Religious and Traditional Peacemakers en Medica Zenica neem ik deel aan een conferentie met ‘peacemakers’ uit zestien landen. Onder hen zijn beleidsmakers, academici, leden van veiligheidstroepen, vredesactivisten, jeugdleiders, en trainers die in crisisgebieden bemiddelen. Een zeer diverse groep mensen, van wie sommigen ervaringsdeskundige op het gebied van extremisme waren, zoals een jonge moslima uit Groot-Brittannië, die lid was van een extremistische moslimorganisatie en nu trainingen verzorgt ter preventie van radicalisering. Of een jonge man uit Noorwegen die in de zomer van 2011 aan het zomerkamp op het eiland Utøya deelnam toen de rechtsextremist Anders Behring Breivik het vuur opende en 69 van de deelnemers vermoordde. Ook zijn islamitische en christelijke vrouwen uit Bosnië op de conferentie aanwezig, die direct na de oorlog initiatieven hebben opgericht, zoals het eerder genoemde Medica Zenica, om psychosociale en medische zorg aan verkrachte vrouwen en getraumatiseerde kinderen te bieden.

Gevonden botten

Tijdens de eerste dag staat de huidige situatie in Bosnië-Herzegovina centraal. Wat is er bereikt sinds het vredesverdrag van Dayton in 1995? Hoe kan oplaaiend politiek extremisme en religieuze radicalisering een halt worden toegeroepen? Hoe islamofoob is Europa en welke rol kan de interreligieuze dialoog spelen in conflictgebieden? Vragen en mogelijke antwoorden, discussies en het zoeken naar mogelijke oplossingen volgen. Na een korte nacht staat vroeg in de ochtend de bus klaar om ons naar Tuzla en Srebrenica te brengen.

We bezoeken het Podrinje Identification Project (PIP), waar wij naar een magazijn worden gebracht waar grote stellages vol met plastic zakken te zien zijn. Ze blijken menselijke resten te bevatten. Botten worden hier verzameld, afkomstig uit de tot nu ontdekte massagraven. Hier worden ze in kaart gebracht en indien mogelijk tot een geheel lichaam samengevoegd. Dankzij nieuw DNA onderzoek gaat de identificatie van de slachtoffers in de laatste jaren met sprongen vooruit. De meeste vermisten zijn inmiddels geïdentificeerd dankzij een database met ruim honderdduizend DNA-profielen die de Internationale Commissie voor Vermiste Personen (ICMP) in Bosnië heeft aangelegd. Monsters uit de gevonden botten worden gekoppeld aan het profiel van nabestaanden die een vermiste hebben opgegeven. Als er een match is, worden de familieleden ingelicht dat hun geliefde is gevonden. ‘Soms zijn het maar een paar botten die kunnen worden begraven’, vertelt een medewerker van dit forensische instituut ons. ‘De rest is nog niet gevonden. ‘Hoezo nog niet gevonden?’ vraag ik met oprechte verbazing. ‘Sommige lichamen werden uiteengereten omdat ze met bulldozers over de verschillende massagraven werden verdeeld’, luidt het zakelijke antwoord. Alleen al van die gedachte word ik misselijk. Hoe hard moet dit aankomen bij de nabestaanden? Sommige van hen wachten twintig jaar na dato nog steeds op dat ene telefoontje: de DNA-match is er, het is uw zoon, uw man, uw broer, uw vader, uw oom, uw neef… Eindelijk zekerheid. Opluchting dat er een einde komt aan het wachten. Maar de nieuwe techniek is behalve een zegen ook een vloek. Wanneer zal het verlossende telefoontje komen? Morgen, of over een jaar, of over vijf of tien jaar? Nog steeds zijn zo’n honderd personen zoek en worden regelmatig nieuwe massagraven ontdekt. Wanneer komt een einde aan het rouwproces? Niemand kan het voorspellen.

Verdoving

We gaan weer de bus in en rijden naar het Srebrenica-Potočari Memorial Centre. Een groot terrein bezaaid met witte mezars, islamitische grafstenen, ligt voor ons. De witte ‘palen’ zijn me al eerder in Sarajevo opgevallen. Ze staan in parken en tuinen, overal liggen moslims begraven. Op de begraafplaats in Potočari wordt een interreligieuze ceremonie ter nagedachtenis van de overledenen gehouden, samen met de ‘moeders van Srebrenica’, die ons later hun verhalen vertellen en hun angsten met ons delen, dat de wereld hen na twintig jaar vergeet. We verlaten de gedenkplaats en steken de straat over naar het toenmalige Dutchbat-kampement. Ik herinner mij de op televisie uitgezonden beelden van de massa wanhopige moslims die hier naartoe waren gevlucht in de hoop op bescherming door de Nederlandse militairen.

Een fototentoonstelling aan de muur van deze lege gigantische hal is de stille getuige van wat er twintig jaar geleden was gebeurd – vergeelde foto’s, aangetast door het vocht. De film die in het documentatiecentrum naast het toenmalige hoofdkwartier van Dutchbat wordt vertoond, laat geen ruimte voor verbeelding. Alles werd op film gedocumenteerd: de aanrollende tanks die de enclave binnendringen; het dramatische scheiden van de moslimmannen en -vrouwen; de bergen met koffers en bezittingen die de gevangenen achter moesten laten; de angst van de mensen; de machteloosheid van de Dutchbatters en hun assistentie om het transport van de mensen in bussen zo vlekkeloos mogelijk te laten verlopen. En tot slot de standrechtelijke executies van zeven moslimmannen, waarbij twee van hen eerst nog in leven worden gelaten om de lijken het bos in te slepen, vervolgens worden ook zij vermoord. Alles was als een soort zegetocht gefilmd. Elk spoor van medemenselijkheid was uitgewist. De overeenkomsten met de deportatie van de joden door de Nazi’s, ook wat de werkwijze betrof, zijn schrijnend. Iedereen van de aanwezigen verlaat in een soort verdoving en diep geraakt het museum, velen in tranen. De tas met mijn Nederlands paspoort erin, hangt loodzwaar aan mijn rechterschouder. In de Zembla-uitzending Andere Tijden van 6 september 2015 hoor ik onze toenmalige minister-president Kok over Srebrenica zeggen: “Nederland heeft als deel van de internationale gemeenschap, maar ook als Nederland, gefaald om die bescherming te bieden die op het moment suprême nodig was.” De persoonlijke pijn die dit “inktzwarte hoofdstuk” in de Nederlandse geschiedenis voor hem betekent is niet te overzien. Een vraag, die zich in de afgelopen jaren regelmatig aan me opdrong, steekt bij het zien van deze beelden ook nu weer de kop op: waarom hebben Nederlanders zo’n ongelofelijke moeite met het bekennen van morele (mede)schuld? Waarom is de angst voor de schonungslose zelfkritiek bij gemaakte fouten zo groot, niet alleen wat de gebeurtenissen in Srebrenica aangaat, maar ook ten aanzien van het koloniale verleden van Nederland?

Schoon schip

Als Duitse-Nederlandse ben ik opgegroeid met de pijn maar ook met het louterende van het naoorlogse Duitse schuldbewustzijn en het daarmee verbonden verwerkingsproces. Vanuit die ervaring kan ik alleen maar aanbevelen: durf schoon schip te maken met de schuld die je op je hebt geladen en open de deur naar echte vergeving – voorbij het ‘wir haben’s nicht gewusst’.

U kunt gratis verder lezen

Klik deze melding weg via het kruisje. Maar goede artikelen schrijven kost geld. Steun daarom onze schrijvers en word al vanaf € 5 per maand Vriend/in van Nieuw Wij.

Ik lees eerst het artikel verder.
Manuela Kalsky

Manuela Kalsky

Hoogleraar Vrije Universiteit

Manuela Kalsky is directeur van het Dominicaans Studiecentrum voor Theologie en Samenleving (DSTS). Sinds 1 januari 2012 bekleedt ze de …
Profiel-pagina
Nog geen reactie — begin het gesprek.