De Geest waait waarheen zij wil. Dat wisten we, maar het blijkt opnieuw uit de van kleur veranderende samenstelling van christelijk Nederland. De Nederlandse christen is al lang niet meer alleen een lelieblanke protestant of katholiek, ter wereld gekomen in een Hollandse wieg en gedoopt onder de hand van de lokale priester of dominee. Integendeel: Nederland telt inmiddels pakweg een miljoen christenen met een verre herkomst (het exacte aantal is niet bekend). Vluchtelingen, expats, economische migranten, mensen uit voormalige Nederlandse koloniën – inclusief al hun kinderen en kindskinderen.

Bezoek ergens een internationale eredienst en je kunt presbyteriaanse Ghanezen zien die begeleid door drums dansen in volkskledij; Russisch-orthodoxen die zich voorover buigen om een icoon van Christus’ graf te kussen die omkranst ligt door bloemen; de bezoekers van een Syrisch-orthodoxe kerk die elkaar met beide handen vastpakken om de vredesgroet te brengen; de baptisten uit Birma die in hun traditionele veelkleurige kleding samen aan tafel gaan; de Caribische methodisten die gezamenlijk uitvoerige passages uit Gods woord lezen; de Surinamers van de Evangelische Broedergemeente die in het wit gekleed het Heilig Avondmaal vieren.

Heilige grond

Anmar Hayali (geboren in Bagdad, sinds 1999 in Nederland) is coördinator van Samen Kerk in Nederland (SKIN). Dit is de landelijke vereniging van migrantenkerken en internationale kerken. Aangesloten bij SKIN zijn zo’n tachtig migrantenkerken. Beroepshalve, en uit bevlogenheid, bezoekt Hayali geregeld internationale kerken. Kortgeleden bracht hij hierover een boek uit: De wereldkerk in eigen land. Meest recent was hij bij de Ethiopisch-orthodoxen in Rotterdam. Wat hem daar begeesterde was “het grote besef van Gods heiligheid” dat hij er meemaakte. “Als je de kerkzaal binnenkomt”, vertelt hij, “moet je je schoenen uitdoen, want het is heilige grond. Je mag niets eten en drinken in die zaal, behalve wat geheiligd is: bij de communie krijg je brood en wijn, en vlak voor je de kerkzaal verlaat krijg je een glas water. Daar is op gebeden, dat wordt beschouwd als heilig water. Als je na de dienst brood hebt gegeten in de zaal ernaast, mag je niet meer terug de kerkzaal in. Dat is de plek voor de ontmoeting met God.”

Migrantenkerken, met allemaal hun eigen vorm waarin zij God aanbidden, bestaan in sommige gevallen al eeuwen in Nederland. Neem de Scots International Church in Rotterdam, een voormalige zeemanskerk uit 1643. Schots is deze kerk overigens allang niet meer te noemen: hij bestaat nu merendeels uit Afrikaanse migranten en puur autochtone Hollanders, plus een deel Aziaten, vandaar de latere toevoeging van de term ‘internationaal’ in de naam. De eredienst voor God werd in Nederland pas echt multicultureel met de komst van mensen uit Nederlands-Indië, met daarna de toevloed van Surinamers in de jaren zeventig en de vluchtelingen in de decennia daarop, onder wie bijvoorbeeld rooms-katholieke Vietnamezen. De nu snelst groeiende migrantenkerk in Nederland is waarschijnlijk de Eritrees-Orthodoxe Kerk op zo’n 11 plaatsen in het land, dankzij het in Nederland soepele asielbeleid voor Eritrese vluchtelingen.

Ondanks al die nieuwe christenen blijft het Nederlandse kerkenlandschap betrekkelijk gesegregeerd. Een reden: veel migrantenchristenen worden liever geen lid van een traditionele Nederlandse kerk. De meeste katholieke migranten zijn, door gebrek aan keuze in hun woonplaats, wel lid van een lokale parochie, maar er bestaan ook aparte Afrikaanse en Spaanstalige parochies, vertelt Jorge Castillo Guerra, universitair docent empirische en praktische religiewetenschap aan de Radboud Universiteit in Nijmegen.

church-window-1843910_1920
Beeld door: Pixabay

Een wereld van verschil

Castillo Guerra vindt het niet gek dat migranten hun eigen club opzoeken. De culturele kloof kan groot zijn. Hij herinnert zich dat de Spaanstalige parochie in Utrecht ooit met het oog op Spaanse migranten een meditatie over Jezus organiseerde. “Zij dachten: we gaan iets leuks doen en gebruiken tijdens de mis dia’s met schilderijen van Dali en Picasso, en abstracte kunst, over de passie. Maar de Spanjaarden vonden dat saai. Die beelden zeiden hen niks. Zij wilden Jezus met bloed, huilend, met een doornenkroon op zijn hoofd. Ik dacht toen: die iconografie is heel cultureel bepaald. In een Nederlandse kerk is de abstractie hoger. Maar het is ook een wereld van verschil als je naar de Afrikaanse katholieke gemeenschap gaat, als je kijkt hoe zij bewegen, muziek maken met trommels en meer enthousiasme laten zien. Laatst was ik een keer in de Bijlmer, bij de doop van een kind. Op een gegeven moment verlieten veel mensen de kerk. Wat gebeurt er nou?, dacht ik. Maar daarna kwamen ze terug met bruikbare cadeautjes voor de familie, zoals luiers en melkpoeder. Dat was een Afrikaans ritueel dat hoort bij hun katholicisme. Je moet niet vergeten dat het katholicisme vorm heeft gekregen binnen specifieke culturen: de Filipijnse, de Vietnamese, de Braziliaanse. De interpretatie ervan kan een wereld van verschil zijn.”

De Ghanese predikant Albert Abraham zegt iets vergelijkbaars. Tot eerder dit jaar was hij de coördinator van de vele tientallen migrantenkerken in Den Haag. De taal is het eerste wat christenen in Nederland scheidt, blijkt uit zijn verhaal. Ook onder migranten zelf: de Engelstalige Ghanezen kerken niet samen met de Franstalige Congolezen. Helemaal lastig wordt het als die laatsten hun eredienst zelfs houden in het Kingali-dialect. Maar niet alleen de taal brengt scheiding aan, ook de cultuurverschillen doen dat. “Traditie kan niet uit de kerk gehaald worden”, poneert Albert Abraham. “Voor Afrikanen is hun manier van aanbidden heel belangrijk”, vertelt hij. “Hun inrichting van de dienst is meer gebaseerd op de evangelische manier van doen. Ze willen zichzelf vrij kunnen uitdrukken, ze willen zich laten leiden door de Geest, en niet door rigide regels. Ze willen zich vrij voelen om te dansen, in hun handen te klappen of om te zingen en te roepen.”

Maar ondanks al die verschillen krijgen autochtone en internationale kerken steeds meer met elkaar te maken. De reden daarvoor is zowel nood als wens.

Relaties opbouwen

“Eén van mijn idealen is dat iedere protestantse gemeente een relatie opbouwt met een interculturele kerk, zodat mensen de diversiteit direct onder ogen krijgen”, zegt dominee Simon de Kam, de Verbindend Specialist Migrantenkerken van de Protestantse Kerk in Nederland (PKN).

De Kam vindt niet dat verschillende christelijke gemeenschappen per se samen met elkaar in de kerk hoeven te zitten, want daar zijn de behoeftes te uiteenlopend voor. Wel kan een kerkgebouw gedeeld worden, of samengewerkt worden in de diaconie. “Met die veelkleurigheid van onze samenleving gaan we als protestantse kerk in de toekomst aan de slag”, zegt hij. “Dat is ook het behoud van onze kerk, omdat onze samenleving steeds veelkleuriger zal worden. Als we als kerk wit blijven zullen we niet in de breedte van de samenleving aanwezig zijn, maar in de marge terechtkomen.”

Ter stimulering beheert de PKN de website www.interculturelekerken.nl, met daarop een adressenbestand van migrantenkerken. Ook is er een online database van migrantenparochies, samengesteld door Jorge Castillo Guerra namens het Nijmeegse Instituut voor Missiewetenschappen.

Anmar Hayali van SKIN noemt het hoopgevend, de samenwerkingen die hij ziet tussen aloude Nederlandse kerken en hun interculturele tegenhangers. “De rooms-katholieke migrantenparochies in Den Haag werken bijvoorbeeld samen met de autochtone parochie, en elk jaar wordt een internationale eucharistieviering gehouden waar zo’n tien tot vijftien kerken aan bijdragen. Maar je kunt ook kijken naar protestantse gemeenten: de Gereja Kristen Indonesia Nederland, dat is een Indonesisch-Nederlandse kerk, heeft een associatieovereenkomst met de PKN. Drie jaar geleden is bovendien de Pakistaanse Urdu-gemeente lid geworden van de PKN, en meest recentelijk is ook de Indonesische PERKI aangesloten bij de PKN. Dat is een belangrijke stap, omdat je dan niet meer enkel als een migrantenkerk gestempeld wordt, maar nu ook als een volwaardig deel van christelijk Nederland.”

Interculturele misverstanden

De Rotterdamse afdeling van SKIN bracht halverwege 2017 de publicatie Kerken Delen uit, waarin samenwerkingen beschreven staan tussen autochtone kerken en soms gloednieuwe migrantenkerken. In de beschreven voorbeelden wordt vaak een kerkgebouw gedeeld. Maar ook gebeurt het dat kerkgebouwen zijn doorverkocht aan migrantenkerken. Was dat niet gebeurd, dan hadden die gebouwen gesloten moeten worden. “Denk aan de Chinese gemeente in Utrecht die de Pniëlkerk van de PKN heeft gekocht”, vertelt Anmar Hayali. “Als ik een trend hierin kan signaleren, dan is dat de volgende: migrantenkerken zijn eerst huurder bij een autochtone kerk, maar ze groeien en bloeien, met kinderen, jongeren en jonge gezinnen. Tegelijkertijd zie je bij sommige autochtone kerken een krimp en soms vergrijzing. Daardoor kan die kerk op een gegeven moment het gebouw niet meer behouden en wordt het beschikbaar gesteld. Helaas moet ik zeggen: wij hebben al veel kerkgebouwen verloren zien gaan. Die zijn niet overgenomen door een andere christelijke gemeenschap, terwijl het had gekund.”

De reden daarvoor is soms het interculturele onbegrip tussen de aloude kerken en migrantengemeenschappen. Om er van te leren staan in Kerken Delen vele tot de verbeelding sprekende misverstanden. De protestantse Noorderlicht-gemeente in Zeist deelt een gebouw met de Assyrische Kerk van het Oosten. Een vrijwilliger van de Nederlandse kerk liep op een dag per ongeluk óver het altaar van deze oosterse christenen heen. “Nadat ze mij uitlegden dat dit niet was toegestaan uit respect voor de heiligheid van het altaar voor God, heb ik daar gewoon rekening mee gehouden en het niet meer gedaan”, schrijft de man.

Migrantengemeenschappen worstelen nog weleens met de Nederlandse zakelijkheid, en de oer-Hollandse nadruk op punctualiteit. Of men beantwoordt e-mails niet uit gêne over de eigen gebrekkige beheersing van de Nederlandse taal. De Nederlands-Gereformeerde Kerk in Dordrecht verhuurde het eigen gebouw eens voor een internationale Ghanese conferentie. Tijdens een voorbereidende vergadering kwam geen van de Ghanezen opdagen, beschrijft de dominee van de Nederlandse kerk. De conferentie zelf was “rommelig en luidruchtig”. “Maar ja”, oppert de dominee, “dat hoort misschien weer bij die gemeenschap.”

De toon in het boekje is soms opvallend kritisch aan het adres van de autochtone kerken: “Het is apart om te merken dat waar autochtone kerken zeer actief zijn op het vlak van armoedebestrijding, voedselbanken en vluchtelingenwerk, deze dienstbare houding diametraal kan omslaan wanneer de doelgroep van hun diaconale hulp zich ineens als kerkgemeenschap gaat organiseren en kerkdiensten wil gaan houden.” Dat schrijft een medewerker van SKIN-Rotterdam in de eindconclusie.

Krimp en groei

Migrantenkerken kunnen vaak wel wat hulp gebruiken, want ze hebben het niet makkelijk. Ze zijn vaak arm, en kunnen ook hard getroffen worden door maatschappelijke ontwikkelingen. Veel Haagse migrantenkerken zijn de laatste ruim tien jaar aanzienlijk gekrompen, vertelt Albert Abraham. Als gevolg van de economische recessie en de strengere migratieregels hebben veel leden Nederland verlaten. Migrantenkerken hadden, en hebben soms nog, veel ongedocumenteerden in hun gemeenschap. Zij gingen hun heil in andere landen zoeken. Anderen remigreerden omdat ze hun gezin niet over konden laten komen. “De meeste migrantenkerken hebben daar erg onder geleden”, vertelt Abraham. Een voorbeeld is de Afrikaanse Eglise Evangélique de la Haye, die in 2010 de Exoduskerk kocht. Door de aderlating in het ledental kreeg de kerk moeite haar hypotheek af te betalen.

Tegelijkertijd is er een andere kruisende lijn: migrantenkerken die groeien en autochtone kerken die bezorgd naar hun ledental kijken. “Bij de autochtone katholieken zie je kerkverlating”, vertelt Jorge Castillo Guerra, “terwijl bij de migrantengroepen nieuwe parochies worden gesticht. Dat is geen triomfalisme, want deze groep is klein en zal nooit de 170.000 regelmatig kerkgaande rooms-katholieken vervangen. Maar het is een groep die wel significant aanwezig is in de grote steden.” Castillo Guerra vindt dat nieuwe priesters en kerkelijk medewerkers moeten worden opgeleid met oog voor “de toenemende diversiteit binnen het katholicisme in Nederland”.

Veelgenoemd bloeivoorbeeld is ook de situatie in de Bijlmer. Dit stadsdeel werd in de jaren zeventig gebouwd. Met de secularisering in het achterhoofd was er toen geen gebedshuis te bekennen. Nu is het de christelijkste plek in Amsterdam, met op zondag de meeste mensen in kerken.
Zo blijft de Geest waaien waarheen zij wil.

Theologie van de migratie

Opgegroeid in Panama kwam theoloog Jorge Castillo Guerra begin jaren negentig via Zwitserland in Nederland terecht. Via zijn werk als pastoraal medewerker in de Spaanstalige parochie in Amsterdam leerde hij de toen moeizame wereld van veel andere immigranten kennen: Latijns-Amerikanen die zich flink in de schulden hadden gestoken om naar Europa te reizen, of de ‘witte illegalen’ die wel belasting betaalden maar alsnog geen verblijfspapier kregen.

Rond die tijd kreeg hij het idee dat er noodzaak was aan een ‘theologie van de migratie’. “Mijn ervaring met migranten was dat het hier ging om een nieuwe identiteit van mensen: de migratie-identiteit”, vertelt hij. “Hun theologische beleving gaat om iets anders, om een verandering van levenswereld. Die verandering zet aan tot vragen over het geloof, over het lid zijn van een kerk. Het geloof wordt een basis voor veiligheid, voor empowerment. God komt dichterbij, en de kerk wordt een tweede huis. De gemeenschap wordt veel belangrijker dan in het land van herkomst.”

Met de theologie van de migratie wil hij woorden vinden voor die nieuwe godsbeleving en zodoende binnen de kerkelijke wereld stem geven aan de migranten. Daarnaast moet deze nieuwe theologie een hulp zijn voor priesters en pastores in hun omgang met katholieke migranten.

Toerustingscursus en ambtsopleiding voor migranten

De leiders van migrantenkerken hebben het vaak niet makkelijk, vertelt Anmar Hayali, coördinator van SKIN. Ten eerste zijn veel van hen overbelast, omdat ze naast hun kerkelijk werk nog een betaalde baan hebben: van krantenbezorger tot automonteur. Bovendien wordt hun theologische opleiding in hun vaderland vaak hier niet erkend. Maar voor een extra studie in Nederland ontbreekt al snel zowel het geld als de tijd.

Voor deze leiders organiseert SKIN een toerustingscursus van zestien zaterdagen. Een areaal aan onderwerpen komt voorbij, zoals discipelschap, leiderschap, kerkgeschiedenis en fundraising. Veel aandacht is er ook voor crossculturele training: hoe kun je kerk-zijn in een geseculariseerd land?, hoe ga je om met de eigen jeugd die hier tussen twee culturen opgroeit? Maar ook het pastoraat komt uitgebreid aan de orde: hoe gaan de kerkleiders om met verslavingen, misbruik, met echtscheiding, met ziekte, met conflicten?

Naast deze geregeld terugkerende toerustingscursus is in september de tweede editie begonnen van de postdoctorale ambtsleiding voor leiders van internationale kerken. Voor deze nieuwe academische studie sloegen SKIN en de Vrije Universiteit in Amsterdam de handen ineen.

Dit artikel werd eerder geplaatst in het blad Volzin (nr. 10 van 2018). Voor meer informatie over Volzin: klik hier.

Wilt u verder lezen?

Dat kan. U kunt deze melding gewoon wegklikken, want wij doen niet aan betaalmuren. Maar goede artikelen schrijven kost geld. Steun daarom onze missie als u ons werk belangrijk vindt en word al vanaf € 4 per maand Vriend/in van Nieuw Wij.

Ik lees eerst het artikel verder.
jurgen

Jurgen Tiekstra

Freelance journalist, publiek interviewer

Profiel-pagina
Al 6 reacties — praat mee.