“Het is lastiger om van iets te dromen als je geen rolmodellen hebt. Dan is het nog verder van je bed. Ik vind het extra belangrijk vanwege mijn eigen ervaring dat mijn studenten zich op hun gemak voelen.” Docent Burgerschap Najat Ahmadi (50) had zelf weinig rolmodellen in haar schooltijd. Er waren nauwelijks leerlingen en docenten met een vergelijkbare achtergrond. Het is een van de redenen waarom ze zich dag in dag uit met hart en ziel inzet voor haar studenten op het Zadkine in Rotterdam. De samenstelling van de havenstad is in de afgelopen decennia in rap tempo veranderd. Hoe ervaart Najat Ahmadi het lesgeven in deze superdiverse stad?

Is lesgeven een roeping geweest?

“Ik wilde altijd iets voor anderen betekenen. Dat gaf mij voldoening. Tijdens mijn middelbareschooltijd was ik echt een boekenwurm. Via de bibliotheek kwam ik bij oudere mensen thuis om voor te lezen. Zo kwam ik op het idee dat ik mensen die de taal niet goed (meer) machtig waren kon helpen met het invullen van formulieren. Ik ben mij gaan verdiepen in sociale zekerheid en ik koos voor de opleiding sociale arbeid. Ik werd consulent bij de sociale dienst, maar daar haalde ik na een aantal jaar weinig voldoening meer uit. Sommige mensen kon ik echt helpen, maar ik zag ook dat er misbruik werd gemaakt van voorzieningen ten koste van anderen. Ik werd gezinscoach bij multi-probleemgezinnen in Rotterdam Noord. Daar kon ik veel meer betekenen. In die tijd kwam ik vaak bij Zadkine om kinderen uit de gezinnen die coachte in te schrijven voor opleidingen. Mijn contactpersoon daar vroeg me of ik niet wilde komen lesgeven. Het werd me in de schoot geworpen, maar het voelde direct goed.”

Vond u het niet spannend om ineens voor de klas te staan?

“Ik vond het spannend, maar tegelijkertijd voelde ik mij als een vis in het water. Ik stelde in het begin hele hoge eisen aan mezelf en aan mijn studenten. In mijn eigen schooltijd was ik de enige Nederlander met een migratieachtergrond. Ik vond het leuk ook leerlingen met een Marokkaanse achtergrond en allerlei andere afkomsten in de klas te hebben. Ik heb dat zelf gemist. Ik kon het goed vinden met mijn medeleerlingen, maar het was toch anders. Hun thuissituaties en gesprekken waren anders. Ik had niemand met wie ik mij kon identificeren. Zeker niet bij de docenten van wie ik zelf les kreeg. Het is lastiger om van iets te dromen als je geen rolmodellen hebt. Dan is het nog verder van je bed. Ik vind het extra belangrijk vanwege mijn eigen ervaring dat mijn studenten zich op hun gemak voelen.”

De superdiverse realiteit stelt andere eisen aan het onderwijs én aan de docent. De maatschappij verandert, maar de student blijft een mens die allerlei processen doorloopt.

Waarom is het zo belangrijk om jezelf in iemand te herkennen? Een rolmodel te hebben?

“Het kan helpen als je iemand als voorbeeld hebt met dezelfde achtergrond. Je kan leren van haar pad. Als je tegen iemand opkijkt die een hele andere achtergrond heeft en een totaal verschillend pad heeft bewandeld, waarvan je weet dat dit voor jou – om wat voor redenen dan ook – niet mogelijk is dan staat het verder van je af. Het lijkt minder realistisch dat jij dat ook kan bereiken.”

Waar krijgt u energie van als docent?

“Je ziet studenten onervaren en speels binnenkomen. En daar mag je dan wat mee. Ik zit al bijna negentien jaar in het onderwijs. Als je nog weinig ervaring hebt, denk je misschien: ‘Wat moet ik met deze klas? Dit is hopeloos!’ Maar ik weet waar ze naartoe kunnen groeien. Ze zijn zelf vaak nog onzeker. Ze twijfelen of ze op de goede plek zitten en of het wel goedkomt met ze. Maar ik zie alleen het moois dat ze kunnen worden. Ook al zitten ze bijvoorbeeld bij onze opleiding niet op de goede plek. Dan staat er ergens anders iets leuks op ze te wachten, daar zorg ik voor. Ik vind het een voorrecht dat ik aan hun ontwikkeling en groei mag bijdragen. Je komt als docent in het leven van deze jongeren terecht en je mag ze coachen, begeleiden en ergens naartoe leiden. Dat vind ik heerlijk.”

Waar ligt u weleens wakker van?

“Ik ben lange tijd studieloopbaanbegeleider geweest van groepen studenten. Dan heb je nog nauwer contact met ze. We hebben een keer een pilot gedraaid met een ‘moederklas’. Door alle jonge moeders in een klas te plaatsen konden zij herkenning vinden bij elkaar. Zij zijn met zulke andere dingen bezig dan de gemiddelde mbo’er: kind ziek, oppas regelen, zorgtoeslag, schuldenproblematiek enzovoort. Het waren moeders met één, twee, soms vier kinderen. Veel van hen hadden geen partner en vaak heel weinig of geen steun van hun omgeving. Je bent soms naast docent ook maatschappelijk werker. Ik heb toen een extra telefoonnummer genomen, zodat zij mij daarop konden bereiken als het nodig was. Ze maakten daar nooit misbruik van. Van hun situaties kon ik weleens wakker liggen. Zij hadden zoveel op hun bord.

Het was een hechte, geweldige groep. Onlangs werd ik uitgenodigd op een reünie van die klas. Ze zijn allemaal aan het werk. Het gaat goed met ze. Ze voelen zich beter thuis in de maatschappij. Toen ze bij mij in de klas kwamen hopte een deel van opleiding naar opleiding, maar we hadden afgesproken: “niemand vertrekt van de opleiding zonder diploma!” En samen hebben ze elkaar erdoorheen gesleept.

Hoe kan je als docent bijdragen aan zo’n hechte groepsvorming?

“Oprechtheid en betrokkenheid. En bereid zijn nét iets meer voor ze te doen. Daarmee staat of valt het slagen van zo’n klas. Studenten merken het gelijk als je je als docent op afstand plaatst, heel corrigerend of voorwaardelijk bent.”

Najat Ahmadi 2
Beeld door: Zoë Papaikonomou

In de superdiverse samenleving die we zijn geworden, zeker in Rotterdam, worstelen sommige docenten ermee hoe ze met deze voor hen nieuwe realiteit kunnen omgaan in de klas.

“De superdiverse realiteit stelt andere eisen aan het onderwijs én aan de docent. De maatschappij verandert, maar de student blijft een mens die allerlei processen doorloopt. Het is belangrijk open te staan voor al die verschillende studenten ongeacht hun achtergrond. Zij worden aan het begin van de opleiding allemaal samen in een klas geplaatst. Het is elke keer weer een uitdaging om van al die persoonlijkheden – vaak dertig in één klas – een geheel te maken; een cultuur vorm te geven waarin ze zich veilig voelen in de komende drie jaar. Het is belangrijk om gelijk zo’n cultuur te vormen, want dan steunen ze elkaar en trekken ze zich aan elkaar op.”

Hoe gaat u te werk om zo’n veilige cultuur tot stand te brengen?

“De eerste dagen zijn altijd erg spannend voor nieuwe studenten. Ze zoeken naar bevestiging. Ze vragen zich af of ze gezien of gehoord worden door mij en hun medestudenten. Ik probeer de tijd te nemen. En zelf altijd oprecht te antwoorden op de vragen die ze mij stellen.”

Ze mogen u als docent ook leren kennen?

“Dat is essentieel. Het is een wisselwerking. We stellen ons open voor elkaar. Daarom is het belangrijk oprecht te zijn, want alleen op die manier kunnen ze mij leren kennen.”

Hoe zorgt u voor die openheid?

“Bij het vak dat ik geef, Burgerschap, begon ik in het verleden altijd met het politiek-juridische deel van het vak, omdat het in september Prinsjesdag is. Dat kwam dan mooi uit. Maar ik ben daar twee jaar geleden mee gestopt. Het sociaal-maatschappelijke deel – dat pas veel later in het jaar op het programma stond – heeft veel meer handvatten om een groep te verbinden. Daarbij kan ik onderwerpen behandelen als discriminatie, pesten, identiteit, cultuur en socialisatieprocessen. Dat bespreek ik nu in het eerste blok. Daarin neem ik mee dat ze zichzelf ook leren kennen door allerlei opdrachten.”

Wat maakt dan vooral indruk in die eerste weken van kennismaking?

“Als we het over pesten hebben, komt er veel los. Ze delen pestervaringen van de basisschool en het voortgezet onderwijs. Ze durven kwetsbaar te zijn. Sommige studenten geven bijvoorbeeld ook toe dat ze wel eens iemand gepest hebben.”

Hoe zorgt u ervoor dat studenten zich zo veilig voelen dat ze dit soort ervaringen durven te delen?

“Ik probeer continu te benadrukken dat de studenten iets delen met elkaar. Zoals ik dat vroeger met mijn eigen kinderen deed als ze bijvoorbeeld samen zaten te smoezen. Ik gaf aandacht aan hun gezamenlijkheid, aan hun verbondenheid. Dat schepte een band. Dat doe ik met de studenten ook. Ik licht telkens hun gedeelde ervaringen uit.”

Het zou mooi zijn als onze studenten binnen hun eigen school kunnen zien dat ze docent, teamleider of zelfs directeur kunnen worden.

Uw studenten zijn op allerlei fronten heel divers. Levert dat soms ook ongemak op?

“Ik vind dat wel meevallen. Bij de politiek-juridische dimensie van Burgerschap bespreken we alle partijen en de verschillende opvattingen. Studenten hebben daar ook hun voorkeuren in. Ik richt het gesprek dan vooral op respect. We moeten op het einde van de les uiteindelijk allemaal door één deur de klas uit. Respect voor elkaar keuzes – ook al begrijp of deel je ze niet – is belangrijk. Dat is soms best moeilijk voor studenten. Ik probeer ervoor te zorgen dat ze altijd blijven praten. Ook al is het lastig of pijnlijk.”

Deelt u zelf ook uw mening in dit soort gesprekken?

“Zeker, maar functioneel. Het moet altijd ten dienste staan aan de studenten. Ze leren ook van mijn mening. Maar mijn ervaring of visie moet er bijvoorbeeld niet voor zorgen dat één student het gevoel krijgt alleen te komen te staan. Ik wil niet een student kwetsen of in de steek laten. Ik wil er voor iedereen zijn.”

Sommige docenten vinden het lastig om over gevoelige onderwerpen als politieke voorkeur, religie en discriminatie te praten met hun studenten.

“Ik begrijp het heel goed als collega-docenten dat lastig of spannend vinden. Het is ook spannend. En het past misschien ook niet goed bij elke docent om dit soort gesprekken aan te gaan.

Het is voor studenten overigens belangrijk om te leren omgaan met deze docenten. Daar focus ik me op tijdens de les. Want ook op hun toekomstige stage of werk zullen studenten mensen tegenkomen die moeite hebben met dit soort onderwerpen.”

De besturen van mbo’s zijn vaak nog homogeen en soms wat conservatief in hun aanpak. Merkt u dat als docent?

“De top is nog erg wit en man, helaas geen afspiegeling van de school. Op de meeste mbo-scholen verandert alles in rap tempo, maar die top verandert heel traag. En dat is jammer, ook weer vanwege die herkenning. Het zou mooi zijn als onze studenten binnen hun eigen school kunnen zien dat ze docent, teamleider of zelfs directeur kunnen worden.”

Wat zou u beginnende docenten willen meegeven?

“Blijf dichtbij jezelf, want de studenten zien of het gemeend is en daar reageren ze op. Durf jezelf te laten zien en out of the box te denken. Onderwijs is meer dan kennis overdragen alleen, durf die ruimte ook te nemen!”

U kunt gratis verder lezen

Klik deze melding weg via het kruisje. Maar goede artikelen schrijven kost geld. Steun daarom onze schrijvers en word al vanaf € 5 per maand Vriend/in van Nieuw Wij.

Ik lees eerst het artikel verder.
Zoe7

Zoë Papaikonomou

Verslaggever Superdiversiteit

Zoë is onderzoeksjournalist, mediadocent en onderzoeker & adviseur diversiteit en inclusie. Ze is auteur van het boek ‘Heb je een …
Profiel-pagina
Nog geen reactie — begin het gesprek.