Als je met de trein door het lege noord-Groningse platteland reist naar het dorp waar Marjoleine de Vos woont, onder de hoge grijze novemberlucht, kun je het gevoel hebben dat je de eenzaamheid inrijdt. Hier woont zij alleen, in een dorp van honderddertig inwoners, en van hieruit stuurt ze haar columns voor NRC-Handelsblad, voor Happinez en VolZin, haar dagelijkse kookrubriek in de krant, en haar gedichtenbundels de wereld in.

Door: Lisette Thooft

Hoe kom je hier verzeild, zo ver weg van het centrum van de wereld, Amsterdam?
“Het was aanvankelijk niet bedoeld als huis om helemaal in te wonen, maar als huis erbij. Ik was hier een keer op een excursie, ik keek om me heen en het was zo prachtig… Toen hebben we dit gekocht. Ik raakte er zo aan verknocht, ik vond het buiten wonen zo heerlijk, dat ik na twee jaar dacht: ik kies mijn hoofdadres hier. En nu woon ik hier helemaal alleen, want we zijn vorig jaar gescheiden.”

Ben je dan niet eenzaam?
“Nee hoor. Het is wel heel veel stiller dan in de stad. Wat het ook heel stil maakt, is dat ik vanuit huis werk. Dat was al een paar jaren zo. Als je een paar keer in de week naar een redactie moet en mensen ziet, is dat op zichzelf al een hele wereld. En nu… ik schuif ’s ochtends achter mijn bureau en dat is het. Er zijn dagen dat ik geen mens zie.”

Dus je hebt steeds stappen gezet naar een meer solitair leven – weg uit de stad, weg uit je redactiewerk, weg van je man. Steeds meer ben je op jezelf terechtgekomen. Is dat een spiritueel proces?
“Raar genoeg is het bijna andersom. Ik was altijd erg zoekend naar zingeving en betekenis. Maar een paar jaar geleden stierf een goede vriend van me, hier. Ik vond dat verdrietig, moeilijk, ik miste hem. Maar ik merkte dat ik me helemaal niet wendde tot iets van zingeving, laat staan tot God of zo. Ik voelde vooral heel sterk dat ik nog in leven was, en hoe fijn dat was om te voelen. In de tuin werken gaf lucht en troost. Hier buiten lopen. Met die scheiding, dat was heel moeilijk en dat is het eigenlijk nog steeds, maar ik denk bijna minder na over de zin en de betekenis van alles, en ik voel steeds meer: ik lééf. En ik wil verder leven. Het is troostrijker om de vogels buiten in de weer te zien of een haas tegen te komen, dan om hard na te denken wat de betekenis van het al mag zijn.”

Dat lijkt me niet minder spiritueel: je wordt tot de essentie bepaald.
“Als ik me matig voel of verdrietig ben of loop te malen, dan helpt het mij geweldig om gewoon een uur te gaan wandelen, hier in de ruimte. De ruimte, daar knap je ongelooflijk van op. Dat je die luchten ziet, dat licht, en de wind voelt… Ergens tijdens de wandeling, zonder dat ik er erg in heb, is er iets veranderd. Ik kom heel vaak anders terug. Dan heb ik allerlei dingen losgelaten zonder dat ik er speciale meditatieoefeningen voor heb gedaan. Het wandelen zelf, de beweging, en het buiten zijn, en ook wel dat het gewoon hard waait, dat je je in moet spannen, al die dingen helpen. Ik denk ook heel vaak aan Prediker: ‘Doe wat uw hand vindt om te doen.’ Dat is beter. Dat geloof ik zo langzamerhand.”

Maar als ik je voor me zie, in je eentje wandelend in dit lege land, lijkt het ook onherbergzaam…
“Tja, ik vind het niet meer zo onherbergzaam. Eerst is het alleen maar leeg land, maar je gaat het leren kennen en dan zie je veel meer. Dit is het oudste cultuurland van Nederland, helemaal door de mens gemaakt en op de natuur veroverd. Dorpen staan hier op wierden, dat zijn heuvels gebouwd aan een vroegere oever, soms al twee of drieduizend jaar geleden. Daar staan dan kerkjes op uit de dertiende eeuw, dat vind ik ook zo ontroerend idee, dat er in de dertiende eeuw mensen over kleine dijken en wegen naar die kerken liepen. Elk dorp heeft zijn eigen kerk en dat begrijp ik wel, want het was nog niet zo zeker dat ze naar het volgende dorp konden komen. Dat vind ik ook een vorm van betekenis: de geschiedenis. Dat er al zo lang op een plaats is geleefd.”

Geeft dat een gevoel van verbondenheid met de rest van de mensheid?
“Ja, er hebben altijd mensen gewoond en gewerkt. De gedachte die je troost, helpt of optilt in je leven komt altijd als je een stapje naar achteren doet en denkt: het is niet alleen maar nu, er zijn eeuwen achter me en voor me. Over een eeuw zullen hier ook mensen wonen en nu ben ik hier, toevallig, een van degenen die hier loopt en werkt en dingen vindt. Dat maakt het niet onbelangrijk, maar het zet je leven wel in een ander perspectief.”

Maar als je hier op grijze dagen alleen bent en je ziet niemand, hoe doe je dat dan?
“Ik heb in zeker opzicht makkelijk praten. Ik heb een vriend, die twee dorpen verderop woont; hij werkt door de week in het westen en is de weekends hier. Dus in de weekenden zit ik niet alleen. En ik heb hier ook andere vrienden. Het lijkt eenzamer dan het is.
Maar dat er mensen zijn, maakt je niet per se niet eenzaam. Het gaat om iets anders, het is meer: of je je thuis voelt ergens. Dat is het belangrijke. Dat begint met een gevoel van ergens grond hebben. Niet letterlijk, het kan ook zijn in je relatie, of in jezelf. Dat je weet dat het in orde is, en dan voel je je op allerlei plekken ook thuis. Als je dat niet hebt, lukt het niet, ook niet met andere mensen, dan zijn al je contacten een doekje voor het bloeden.
Het is wonderlijk maar als ik hier alleen opsta in mijn huis, dan denk ik vaak: hè, wat heb ik het hier toch gezellig.”

Het is wel echt heel stil.
“Stilte is fijn. Als ik ’s nachts wakker word en ik hoor helemaal niets, dat vind ik zo heerlijk. Overal stilte. Het is ook een kwestie van wennen. In het begin, toen ik net uit de stad kwam, voelde ik me kwetsbaar, overvalbaar – in mijn eentje in huis. Maar na een poos was het juist heel rustgevend: ik heb er totaal geen last meer van. Je gaat je echt anders gedragen in een dorp. In de stad is het agressieniveau hoger. Als ik nu in Amsterdam op de fiets zit, doe ik meteen weer mee. Iemand staat stil waar dat niet hoeft en ik hoor mezelf roepen: ‘Fietsen!’ Hier doe ik dat niet. Je stemt af op je omgeving.”

Als er stilte is en natuur word je van binnen ook stiller en natuurlijker?
“Ja ik denk het wel. En de mensen die je tegenkomt, zijn ook zo. Je maakt vaak een praatje met mensen die je niet kent, dat is fijn.
Het gevoel van eenzaamheid zit niet zo erg in het alleen zijn. Je kunt je ook afgesneden voelen van de rest van het leven doordat je één iemand niet meer spreekt, ook al zijn er andere mensen die wel om je geven en al geef jij ook om die andere mensen. Dat maakt helemaal niet uit. Als je een diepe verbondenheid hebt met één iemand en die verlies je, dan is dat moeilijk. Dan kun je je niet meer op een bepaalde manier uitdrukken, zoals dat kon met die persoon.
Het is een kwestie van harmonie, denk ik. Je kunt heel goed in harmonie zijn met je omgeving als je in je eentje buitenloopt. En ook met de mensen om je heen, als die er zijn. Maar als je in die harmonie een bepaalde toonhoogte moet missen, dan loopt het soms scheef en daardoor voel je je alleen en niet thuis. Het is dan niet dat alles is weggevallen, al zeg je dat dan soms wel, dramatisch; ‘alles is weg, het is helemaal leeg’ en dat is niet zo; de zin van alles die verdwenen lijkt, komt weer terug. Maar je mist die ene toonhoogte, dat ene akkoord.
Ik denk dat het vaak dat is waardoor mensen zich eenzaam voelen. Je kunt dan wel een verhaal vertellen aan andere mensen, maar die speciale manier waarop je het kon vertellen en waarop het begrepen werd, die is weg. Dan voelt het niet meer als een harmonie.”

We hebben tot nu gepraat over eenzaamheid als iets dat je vooral moet vermijden, maar er is misschien ook iets positiefs aan. Jij hebt de eenzaamheid opgezocht.
“Ja zeker, en dat vond ik ook aantrekkelijk van dit huis. Ik ben hier vanaf het begin veel alleen geweest en daar heb ik over nagedacht: of er ook een soort waarheid is in alleen zijn. Ben je het meest jezelf als je alleen bent? Dat weet ik nog steeds niet. Later dacht ik: het is geen goede vraag, want er is niet zoiets als het meest jezelf. Je bent tegenover verschillende mensen anders, maar dat is niet een ander soort jij of een minder soort jij, dat hoort er allemaal bij. Maar er is iets aan hoe je jezelf kent, binnendoor zal ik maar zeggen – een ander soort zelfkennis, die je het meest voelt als je alleen bent. Die is ook niet erg mededeelbaar.
Dat is al zo als je een lange autorit maakt in je eentje. Je laat je gedachten de vrije loop en je emoties soms ook, en dan kun je denken: waarom ben ik ineens zo verdrietig of zo opgetogen? Die emoties stromen ook maar door je heen. Dat is iets wonderlijks van het alleen zijn. Het is niet verkeerd, het geeft je een andere kennis van jezelf.
Ook je eigen grondtoon ga je beter kennen, je eigen basishumeur. En hoe stabiel je daarin bent. Het is verrassend dat je ook in je eentje in de lach kunt schieten, dat vind ik wel vrolijk: je kunt met jezelf dus weleens lachen. Ik heb het gevoel dat je met jezelf moet omgaan en dat klinkt schizofreen, want er zijn geen twee zelven – wie gaat dan met wie om? Maar je hebt toch een beschouwende en een doende kant: de één becommentarieert wat de ander doet. Misschien is het een kwestie van het bewuste en onbewuste. Je moet jezelf bijvoorbeeld dingen voorschrijven, het is fijn om vaste gewoonten te hebben als je alleen bent. En je mag ook aardig zijn en jezelf iets toestaan. Dan ben je als het ware je eigen schooljuf, en je merkt wat voor iemand die schooljuf is. Ook die bekijk je weer – blijkbaar doe ik het zo. Wat vind ik daar dan weer van? Er is een veelheid van stemmen. Dat is wat je in jezelf allemaal aantreft, ook aan tegenstrijdigs. Dat is ook wel een rijkdom.”

Je moet wel van jezelf houden, hoor je vaak.
“Dat vind ik een moeilijke uitspraak. Ik weet nooit wie dat dan is. Die schooljuf, is dat wel jezelf, of is dat je moeder of andere personen van vroeger? Of is het hoe je denkt dat de omgeving zou willen dat jij je gedroeg? Je hebt vaak een denkbeeldig publiek, waarvoor je sommige dingen doet of laat. Misschien dat heel gelovige mensen alles doen voor het oog van God. Dat kan zeker een vorm van zingeving zijn, maar dat heb ik niet.
Bij het schrijven denk ik niet aan publiek, want ik heb geen flauw idee wie dat zou moeten zijn. Maar ik heb wel een soort innerlijke lezer die meeleest en commentaar geeft: als je dit zegt, zou je ook dat kunnen tegenwerpen… Dan zit je met jezelf te praten.
Dus als je alleen bent, kom je terecht in een innerlijke massa, ha ha. Terwijl je ook jezelf op een bepaalde manier leert kennen: blijkbaar ben ik tamelijk netjes. Ik ben redelijk gedisciplineerd. En ik ben goedgehumeurd, ook als ik verdrietig ben. Ik ben in mijn eentje nooit chagrijnig. Ik kan wel door iets bedrukt zijn, of melancholisch, maar niet chagrijnig. Kennelijk heb ik daarmee geluk gehad. Als kind had ik al als basis een goed humeur. En ik ben gelijkmoedig.
Het geheim van een goed humeur is aandacht, concentratie. Als je je echt op iets moet concentreren, iets met je volle aandacht doen, dan voel je je goed. Dan ben je ook niet eenzaam. Het maakt niet uit waarvoor je aandacht hebt: je tuin, of je filosofiestudie; voor het gevoel van zinvolheid maakt dat niet veel uit. Al is het wel belangrijk dat je af en toe een denkinspanning moet doen, het jezelf moeilijk maken. Niet alleen zwoegerig moeilijk, zoals het graven en trekken in je tuin – dat is ook fijn – maar je moet ook af en toe hard nadenken over iets. Anders ga je je toch vervelen. Misschien is het gewoon zoals het in de Bijbel staat, van die talenten: als je er een hebt, moet je die ene verdubbelen, en als je er vijf hebt, moet je die vijf verdubbelen.”

Lisette Thooft is publiciste, spreekster en freelance journaliste. Voor meer informatie: www.lisettethooft.nl.

Nog geen reactie — begin het gesprek.