Kunt u iets vertellen over `filosofie van de voeding` en over de manier waarop er binnen het christendom over voeding is nagedacht?

“Toen ik zo’n twintig jaar geleden een boek over filosofie en voeding publiceerde was ik de eerste. Er was wel het een ander aan artikelen gepubliceerd, vooral ook in de ethiek, maar daarin ging het vooral over dieren en hoe dieren behandeld worden. Bekend is het boek ‘Animal Liberation’ van Peter Singer uit 1975. Er zijn wel filosofen die over voedsel geschreven hebben. Kant bijvoorbeeld heeft het over de maaltijd als opstap naar humaniteit. Alleen al het bereiden van een maaltijd betekent dat je je inleeft in de ander. En hij heeft het over de maaltijd als sociaal gebeuren met dialogen en discussies, waarbij ook de wijn nog weleens wil helpen. Eten is bij Kant duidelijk meer dan je maag vullen. Interessant, ook voor theologen, is Feuerbach. Voor hem gaat het in godsdienst uiteindelijk om een vorm van avondmaal, de gezamenlijke maaltijd.”

“Wat ik mij van bijbellessen herinner is dat Jezus vaak aanschuift bij grote eetfeesten. In het christendom van de eerste twee eeuwen was er nog veel aandacht voor de vruchten van het land als gaven om te genieten. Later kwam de invloed van het neoplatonisme met de scheiding van lichaam en geest en termen als `versterven`. De aarde, het materiële werd steeds minder belangrijk. De institutionalisering toen het Christendom staatsgodsdienst werd zal daar ook een rol in gespeeld hebben.”

Confessionele partijen hebben het over ‘rentmeesterschap’

“Ja, maar dat is mij teveel vanuit de mens gedacht en teveel gericht op beheersing. Het gaat niet uit van autonome natuurlijke processen en van andere levende wezens. Wat gebeurt er in de natuur en hoe kun je daar op inspelen? Nee, het Christendom is niet zo goed geweest voor onze omgang met de aarde.”

De mens als kroon van de schepping?

“Ja, precies. Ik ben een groot liefhebber van muziek. `Die Schöpfung` van Haydn bijvoorbeeld vind ik een prachtig oratorium, maar het staat gewoon in de tekst: de mens als kroon van de schepping. De mens kan met wat de aarde en wat zij opbrengt naar eigen goeddunken omgaan. Het is allemaal voor hem gemaakt en aan zijn voeten gelegd, hij kan er onbeperkt over beschikken. Het is grenzeloos. Maar er zit natuurlijk een grens aan. Als je niet goed kijkt en luistert naar wat er in de natuur gebeurt. wat er leeft en hoe het werkt, dan gaat het mis. En niet een beetje mis, maar ongelooflijk mis. Dat is waar we nu meezitten. De klimaatopwarming, de afname van biodiversiteit.”

Welke waarden zijn er in het geding als het gaat om voedselproductie en eten?

“Dat zijn: respect voor de natuur (biodiversiteit), het milieu, de dieren, het landschap de boeren en de consumenten.”

Hoe bent u ertoe gekomen zich als filosoof bezig te houden met voeding en landbouw?

“Ik was zelf altijd al wel bezig met het milieu, uit bezorgdheid, vanuit het idee dat het anders moest. Toen ik in Wageningen kwam ben ik mij ook meer gaan bezighouden met landbouw. In milieukringen zag men landbouw veelal als vervuilend, maar ik ben er heel langzaam achter gekomen dat je heel goed op een natuurlijke en milieuvriendelijke manier landbouw kunt bedrijven. Niet door de natuur te beheersen maar door erop in te spelen, er op een slimme manier mee om te gaan.

De laatste twintig jaar zijn steeds meer filosofen zich met voeding gaan bezighouden. In Nederland zijn het er nog niet zo veel maar in de Verenigde Staten heb je filosofen die in plaats van naar hun boekenkast te gaan, de natuur en het platteland intrekken, met boeren in gesprek gaan of zelf boer worden. Uit bezorgdheid over hoe het met de aarde gaat en om antwoord te vinden op de vraag hoe het anders zou kunnen.”

Dat inspelen op de natuur dat u zojuist noemde, kunt u daar een voorbeeld van geven?

“Op die twaalf hectare verbouwen we zonder kunstmest langzaam groeiende gewassen die diep wortelen. Alle organismen hebben zuurstof nodig, zeker zo’n dertig à veertig procent moet de bodem in. Deze gewassen maken lange, diepe, gangen die veel zuurstof doorlaten en die er bovendien voor zorgen dat de grond meer vocht opneemt.

Waarom groeien die wortels zo diep? Dat komt door microben, micro-organismen, die in die wortels kruipen en deze stimuleren om steeds langer te worden, steeds dieper de bodem in te gaan, steeds meer werk te doen. Die wortels zijn, Darwin zei het al, de zintuigen van de plant. Voor mensen is dat moeilijk te beseffen, maar die zintuigen zitten niet ergens bovenaan, maar vooral onder de grond. Een wortel gaat naar beneden op zoek naar voedsel, op zoek naar water, omdat daar haar zintuigen zitten. Het hemelse zit niet in het hogere, maar in het lagere. Dat geldt niet alleen voor die wortels. Het aardse – eten, koken, tuinieren – is essentieel voor mensen.

Van kunstmest krijg je luie planten die die microben helemaal niet meer nodig hebben waardoor die afsterven en je een dode bodem krijgt. Zonder kunstmest krijg je veel sterkere, meer resistente, gewassen waardoor je ook geen pesticiden nodig hebt. De meeste boeren weten dat ook wel maar ze zijn met handen en voeten gebonden aan contracten en hun toeleveranciers van kunstmest.”

U gebruikt in uw boek het, ook door Marx gebruikte, begrip vervreemding. Wat bedoelt u daarmee?

“Dat dat wat jou toebehoort – in de zin van wat je nodig hebt, wat onderdeel van jou is, dat waarmee jij betekenis geeft – jou is afgenomen. Als je niet meer zelf kookt, niet weet waar je voedsel vandaan komt, niets weet van al die natuurlijke processen, dan mis je iets heel essentieels. Ik maak in mijn boek de volgende vergelijking: stel dat je niet meer hoeft te schrijven en lezen, dat je dat uitbesteedt en een ander jou vertelt wat er staat…

Michiel Korthals
Michiel Korthals Beeld door: Bart Vijfvinkel

Je bezighouden met eten en alles wat daarmee samenhangt is betekenis gevend. Als je dat uit handen geeft krijg je soms heel ziekelijke processen. Bijvoorbeeld mensen die veel te veel eten zonder te weten wat ze eten. Obesitas heeft ermee te maken dat mensen veel bewerkt voedsel eten. Dat voedsel is relatief goedkoop, maar tegelijkertijd te zoet, te vet en te zout. Die samenhang is bewust gekozen, want die zorgt voor een gestage afzet. Het verzadigt niet waardoor mensen blijven dooreten. De nutriënten, dat is wetenschappelijk vrij goed onderzocht, gaan direct naar het lichaamsvet en niet naar de organen – de longen, het hart etc.- die die voedingsbronnen nodig hebben. Mensen zijn vervreemd van hun eigen lichaam en de betekenis van voeding. Daarnaast blijkt de vervreemding uit de verwaarlozing van de maaltijd. Dat zie je in het snacken, de snelle kant en klare maaltijd, het gedachteloos eten, het grazen. Mensen kunnen de maaltijd dan niet meer zien als middel tot sociaal contact, tot uitwisseling met anderen. En verder zie je de vervreemding in het gebrek aan inzicht in de processen, zowel die in de samenleving als in de natuur – de bodem, de gewassen, de dieren – , die nodig zijn om eten te maken.”

Hoe kun je die vervreemding opheffen?

“Mensen kunnen die vervreemding tegengaan door het aanleren van voedselvaardigheden: ingrediënten uitzoeken, zelf voedsel verbouwen, koken, de maaltijd organiseren, mensen uitnodigen, et cetera. Dat vraagt kennis van voedingsmiddelen, je moet weten wat je eet, misleidende plaatjes en teksten op verpakkingen kunnen doorzien. Daarnaast moet je kunnen omgaan met normatieve vragen. Hoe zit het met de dierenrechten, de eerlijke behandeling van boeren, de belasting voor het milieu? Verder gaat voedselvaardigheid ook over het kunnen genieten van de smaak van voedsel, echt proeven, en over de uiterlijke verzorging en aankleding van de maaltijd. In de culturele praktijk komt dit allemaal samen. Voorwaarde voor het ontwikkelen van die voedselvaardigheden is voedseldemocratie. De overheid en instituties moeten mensen ondersteunen om eten, en alles wat daarmee samenhangt, weer zelf ter hand te nemen. Voeding zou geïntegreerd moeten worden in het onderwijs, in scheikunde – als ik kook is dat chemie – biologie, aardrijkskunde, maar ook in het taalonderwijs. Een van de dingen die ik zelf ook heel belangrijk vind is dat bijvoorbeeld de tegels van de schoolpleinen verdwijnen en er meer plaats komt voor groen, tuintjes.

Die band met voedsel krijg je alleen als voedsel lokaal geproduceerd wordt. Er is een transitie op gang gekomen naar kortere ketens volgens het ideaal: lokaal zoveel mogelijk en bovenlokaal als het moet. Wat je steeds meer ziet is de stadslandbouw. Mensen zaaien samen een stuk land in en bewerken het. Ze komen met elkaar in contact, leren elkaar kennen.”

Een andere visie op voeding en landbouw lijkt het tij mee te hebben, maar de economische machten die verandering tegenhouden zijn sterk. Wordt u daar niet moedeloos van?

“Daar word je soms weleens een beetje moedeloos van ja, Als je ziet hoe ongelofelijk machtig de veevoerbedrijven zijn, net als de chemische industrie, de bedrijven die niet alleen kunstmest maken maar ook pesticiden. Dat zijn bedrijven met een ongelooflijk sterke lobby die een grotere omzet hebben dan Nederland. Veevoer gaat in containerschepen de hele wereld over van Brazillië naar Thailand en Europa. En dan heb ik het nog niet over genetische modificatie en hele grote bedrijven als Bayer en Monsanto.”

Die zullen beweren dat zij het wereldvoedselprobleem kan oplossen.

Ja, dat zeggen ze ook, met heel gelikte campagnes en websites. Maar ik geloof niet dat het genetisch manipuleren van gewassen bij kan dragen aan duurzame landbouw, dat wil zeggen landbouw die weinig klimaatgassen uitstoot en de biodiversiteit in tact laat.
Genetische modificatie betekent over het algemeen dat je meer kunstmest nodig hebt en meer gewasbeschermingsmiddelen. Genetische modifactie betekent: monoculturen. De gewassen zijn heel zwak, hebben heel weinig weerstand tegen ziektes, omdat ze allemaal klonen van elkaar zijn. Als er dan één virus komt die ze allemaal op kan vreten dan gebeurt dat ook. Dat is ook wat aan de hand is met mais en soja, beide veevoer. Ze zijn zo’n twintig jaar geleden ontworpen, er zijn geen nieuwe varianten ontwikkeld. En het punt is: ‘bugs are quicker than drugs‘, dus de insecten, de plagen, zijn slimmer dan de bestrijdingsmiddelen die wij kunnen gebruiken. Dat is evolutie, ze passen zich aan. Dus je loopt altijd achterop, zo’n vijftien à twintig jaar. Boeren in de Verenigde Staten moeten nu al veel meer gewasbeschermingsmiddelen gebruiken om al die andere, nu resistent geworden insecten, dood te maken. Zowel de gemodificeerde gewassen als de bestrijdingsmiddelen komen van Monsanto.

In Wageningen hebben ze de afgelopen tien jaar mengteelt, of strokenteelt, ontwikkeld. Dat betekent dat je verschillende gewassen naast elkaar zet. Dan hou je de zogenoemde plaagorganismen tegen. Ze kunnen wel een strook van drie meter opvreten, maar niet die drie daarnaast want die vinden ze niet lekker. Genetische manipulatie zouden we nog weleens nodig kunnen hebben, maar het is geen oplossing. We moeten veel meer naar de natuur kijken, met de natuur samenwerken. De insteek is dan niet hoe je de insecten kunt doodmaken, maar hoe je ze kunt inperken. Monocultuur leidt echt tot grote problemen.

Ik zie de oplossing voor de voedselproblematiek veel meer in lokale productie. Belangrijk is voedselsoevereiniteit. Voedsel moet niet over de hele wereld vervoerd worden. Ik haal vaak de bekende uitspraak aan: ‘Geef een visser geen vis maar een hengel, geef een boer geen voeding maar zaad en kennis. Je moet mensen niet voeden, maar hulp geven zodat ze zichzelf kunnen voeden.’ ”

Wat zou u doen als niet Staghouwer maar Michiel Korthals de nieuwe minister van landbouw was? Wat zou er moeten gebeuren?

“Ik word dan geconfronteerd met een aantal hele grote problemen. De landbouw is verantwoordelijk voor twintig procent van de klimaatgassen. De productie van kunstmest en pesticiden is enorm. Alleen al de productie van kunstmest, er zijn drie of vier kunstmestfabrieken in Nederland, absorbeert vijf procent van onze totale hoeveelheid aardgas.
Daarnaast is er de enorme uitstoot in de veehouderij van methaan en ammoniak.

In de tweede plaats is er het probleem van het gebrek aan biodiversiteit. In de derde plaats het probleem van ongezonde voeding, met teveel aan zout, suiker en vet. In vierde plaats het probleem van de bodemgezondheid door het gebruik van kunstmest en, in de vijfde plaats, de manier waarop we met dieren omgaan.

Ik vind dat je naar stadlandbouw zou moeten gaan waar groente en fruit zou kunnen groeien. Dat betekent dat je daar geen kunstmest meer gebruikt en geen beschermingsmiddelen, maar dat je je afval composteert. Dat ten eerste.

Mais-pixabay
Beeld door: WhiskerFlowers via Pixabay

Ten tweede moet je de diversiteit op het land veel meer stimuleren, mengteelt, geen monocultuur. Dan heb je ook minder gewasbeschermingsmiddelen nodig. En ten derde de afbouw van het vee. Tachtig procent van de Nederlandse dierlijke productie is voor de export. Dat is niet eens zo veel, Als je ziet hoeveel vlees en melkproducten Engeland, Duitsland en België van ons importeren, dan is dat hoogstens een tiende van hun totaal. Maar bij ons betekent het een enorme dichtheid van vee. We hebben iets van anderhalf miljoen koeien, vijfentwintig miljoen varkens, meer dan vijftig miljoen kippen per jaar. Een enorme hoeveelheid waardoor we met die grote problemen zitten. We moeten af van die grote aantallen, ook geen veevoer meer importeren uit het buitenland. In plaats van de eindeloze maisvelden akkers met houtachtige gewassen die kunnen worden gebruikt bij duurzaam bouwen. Het moet allemaal veel minder.”

Vegetarisme?

Ja, zeker. Punt is wel dat tachtig procent van onze dierlijke productie naar het buitenland gaat. Dus we kunnen wel vegetarisch worden, maar dat maakt op het totale plaatje niet eens zo heel veel uit.

Hebben we dieren nodig?

“We kunnen ze een stuk beter behandelen. Dat sowieso. Maar we hebben ze nodig. Mest van dieren is heel belangrijk. En dieren bevorderen de kwaliteit van het landschap, het plezier dat we eraan beleven, de esthetische appreciatie.

Als je de dieren helemaal weg zou halen weten we ook niet meer hoe ze groeien, lopen… dat ze anders zijn dan wij. Maar het besef daarvan hebben we nodig. We moeten het andere niet wegduwen en alleen maar kijken naar onszelf, maar we hebben die dieren nodig om weer inzicht te krijgen in wat wij zelf zijn.”

Tot slot: ik ga boodschappen doen. Waar moet ik op letten?

“Koop lokaal!”

Dit artikel is oorspronkelijk gepubliceerd in Ophef, het ’tijdschrift voor hartstochtelijke theologie’ van de Vereniging voor Theologie en Maatschappij. Het interview verscheen op 13 april 2022 op deze website en is opnieuw geplaatst in het kader van de Nieuw Wij Zomerherhalingen.

Bart Vijfvinkel

Bart Vijfvinkel

Predikant

Bart Vijfvinkel (1965) werd geboren uit een Indische moeder en een Hollandse vader. Hij studeerde theologie in Utrecht en Amsterdam (UvA). …
Profiel-pagina
Al 3 reacties — praat mee.