“Mijn mooiste jaren tijdens de jeugd genoot ik in het Inheemse dorp Bigi Poika. Dat ligt tussen de rivieren Saramacca en Coesewijne. Onze familie is afkomstig uit de Caraïben gemeenschap die bekend staat om vaardigheden in visserij en landbouw. En onze familie werd gezien als leider van onze Caraïbische stam. Deze status heeft ook mijn opvoeding beïnvloed. Als jongen was ik de oudste van een gezin met elf kinderen, wat bij ons inhield dat je de verantwoordelijkheid draagt. Ik hielp mijn ouders en grootouders met het kappen en het bewerken van hout en bij het verzorgen van kostgrondjes. Dagelijks baadden en speelden wij in de rivier.

Reinier Artist (1935) is geboren in het Indiaanse dorp Bigi Poika in Suriname. Als oudste van een gezin met elf kinderen genoot hij van een typisch Indiaanse jeugd in de wondere wereld van het regenwoud in Suriname. Toen de missionarissen opmerkten hoe knap de leerprestaties van Reinier waren, overtuigden ze hem om schoollessen te volgen in Paramaribo. Als één van de eerste Indiaanse jongens kreeg Reinier op zijn achttiende een beurs om in Nederland naar het hoger onderwijs te gaan, waarmee hij aan de Landbouwschool in Deventer en aan de Universiteit in Nijmegen heeft gestudeerd. Als student ervoer hij hoe andere Nederlanders hem als een ‘exotische’ Indiaan behandelden, wat zijn blik opende over hoe de Europese beschaving tegen de Inheemse cultuur aankijkt. Na zijn studie reisde Reinier af naar Suriname in de hoop iets voor de Indianen te kunnen betekenen, maar de Surinaamse regering beperkte hem in zijn werk. Zijn hele loopbaan heeft hij zich met veel toewijding ingezet voor de ontwikkeling en emancipatie van de Indianen in het binnenland. Dankzij zijn diepe en persoonlijke betrokkenheid is Reinier geridderd tot de orde van Oranje-Nassau. Hij woont nu in Oegstgeest en heeft twee zonen en twee dochters. Hij is auteur van het boek ‘Indiaans Verhaal’ (2016) waarin hij erkenning vraagt voor de Indianen. Dankzij zijn menslievende inzet dragen mensen in Oegstgeest en daarbuiten Reinier een warm hart toe.

Toen ik veertien jaar was wilden de Nederlandse missionarissen van mijn lagere school dat ik voortaan onderwijs zou gaan volgen in Paramaribo. Ik had namelijk heel goede schoolresultaten. Het onderwijs in het binnenland bleek te beperkt te zijn waardoor ik naar de grote stad moest. Omdat de afstand naar Paramaribo te groot was – meer dan honderd kilometer – adviseerden de missionarissen om te gaan verhuizen. Dit kwam als een verrassing voor mijn ouders en de rest van mijn familie die daar ook even aan moesten wennen. Ze vonden mijn leerprestaties belangrijk, maar verhuizen naar de grote stad betekende dat ik mijn vertrouwde omgeving waar ik zoveel van hield moest verlaten. In Bigi Poika leefden we namelijk echt volgens de Indiaanse traditie in collectief familieverband bij elkaar. Maar ik was als jongen ook nieuwsgierig om meer te weten te komen en leren over andere culturen. Daarom mocht ik uiteindelijk toch gaan vertrekken uit ons dorp.”

Buitenstaander in een nieuwe wereld

“De missionarissen van mijn lagere school regelden voor mij een verblijf en ik kwam terecht in een Katholiek gezin met twee kinderen. We hadden elkaar nooit eerder gezien, maar ik paste me aan door veel te helpen in de huishouding zoals ik thuis was gewend. De omgeving in Paramaribo was een compleet nieuwe wereld voor mij. Ik kwam in aanraking met veel verschillende soorten Surinamers en ik moest wennen aan het tempo van het onderwijs in de stad. Na twee jaar werd ik overgeplaatst naar een internaat, een kostschool voor jongens, omdat het gezin waar ik toen zat mij te veel arbeid liet verrichten. Dit viel de leerkrachten op en zij vonden dit niet goed voor mijn ontwikkeling. Het probleem was alleen dat mijn ouders niet de financiële middelen hadden om het onderwijs te betalen.

Ik heb het geluk gehad dat de fraters van het internaat bereid waren om een regeling te treffen waarbij het lesgeld in een latere ­periode betaald mocht worden.”

Foto 3 reinier Artist. Uitreiking van bul na studie in Nijmegen met traditionele ceremonie door Surinaamse Inheemsen
Buluitreiking na studie in Nijmegen met traditionele ceremonie door Surinaamse Inheemsen. Rechts: Reinier Artist

“Ik was heel serieus en deed mijn best om de fraters te gehoorzamen. Ik raakte bevriend met de jongens daar: Creools, Hindoestaans en Javaans. Zij hadden voor het eerst een Indiaanse jongen gezien. Soms plaagden ze me; ze konden niet begrijpen dat een Indiaanse jongen uit het binnenland zulke hoge cijfers kon halen.”

Goedwillige missionarissen

“Met mijn Mulodiploma op zak, kreeg ik de keus om verder te studeren als leerkracht. Maar ik wilde heel graag iets doen voor de Indianen in het binnenland. Ik was eenentwintig jaar en ik had als droom om landbouw te studeren, zodat ik later het landbouwsysteem in de omgeving van Bigi Poika kon verbeteren. In de streek waar ik was opgegroeid was de agrarische sector nog niet zo ver ontwikkeld. Alleen was er in Suriname nog geen mogelijkheid om landbouw te studeren. En ik had geen geld om naar Nederland te gaan voor zo’n studie. Het niet gehuwd zijn van mijn ouders bij de wet was een belemmering om in aanmerking te komen voor een studiebeurs. Je moest een zogeheten ‘wettenkind’ zijn, maar in onze Indiaanse cultuur was het niet gebruikelijk dat we voor de wet trouwden.

“Omdat de Katholieke missionarissen mij bewonderden om mijn wil om verder te gaan studeren en omdat ik één van de eerste Indiaanse jongens was die zo ver was gekomen in het hoger onderwijs, waren ze bereid om voor mij een uitzondering te maken. Ik kreeg een studiebeurs van de regering en ik mocht de naam van mijn vader, de naam Artist, in mijn paspoort laten zetten. Dankzij zulke bijzonderheden heb ik mijn droom om landbouw te gaan studeren waar kunnen maken. Dit was niet alleen bijzonder voor mij als jongen, maar vooral voor mijn Indiaanse gemeenschap: want door deze stap werden misschien wel voor het eerst de leerprestaties van iemand van de Indianen erkend. Ik schreef me in voor de Tropische Landbouwschool in Deventer. In de hoop om ooit, als ik zou zijn afgestudeerd, terug te keren naar Suriname.”

Een bijzondere Indiaan in Deventer

“De reis met de stoomboot van Paramaribo naar Nederland duurde in totaal achttien dagen. Het was 1956 en ik vond het een heel aparte ervaring: ik kwam uit een traditionele leefgemeenschap in Suriname en nu ontmoette ik veel vreemde mensen.

Ik was één van de weinige Surinamers aan boord. Het eten en drinken was alleen tijdens specifieke tijden en het ging er heel gedisciplineerd aan toe. De eerste keer toen ik daar ging dineren werd ik teruggestuurd naar mijn hut om me om te kleden. Ik moest een colbert aandoen. Dit was mijn eerste aanvaring met de Europese cultuur. Je kon in de avond muziek luisteren en er werd gedanst. Ik was een simpele jongeman en ik had geen behoefte aan al het luxe. Ik keek uit naar mijn tijd in Nederland.
Toen ik aankwam in Amsterdam werd ik door een meneer van het Surinaamse consulaat benaderd: “Ik zoek een meneer Artist.” Ik groette hem hartelijk en hij gaf me een treinkaartje om naar station in Deventer te reizen. Het reizen met de trein was voor mij een compleet nieuwe ervaring. De Nederlandse mensen die om me heen zaten waren heel behulpzaam en legden me de weg uit.”

‘In Deventer kwam ik te wonen in een groot landhuis, samen met twee andere Surinaamse jongens die ik kende van het internaat. Al snel merkte ik dat het hier te druk was, dus besloot ik op kamers te gaan bij een katholiek gastgezin. Het was een vrij ordelijk huis en ze maakten elke ochtend ontbijt voor me. De ouders van het gastgezin hadden wel eens wat over Suriname gelezen en wisten dat de oorspronkelijke bewoners Indianen zijn. Maar ze hadden nog nooit een ‘echte’ Indiaan gezien. Ik heb hen heel vaak het woordje “primitief” horen zeggen als ze spraken over de Indiaanse cultuur. Dus het tegenovergestelde van beschaafd. En dan, ineens, zien ze een Indiaanse man in een colbert voor zich! Ze glunderden en zeiden aan hun familieleden die op bezoek kwamen dat ze een “bijzondere Indiaan” in huis hadden. De Nederlandse familieleden die ik ontmoette zeiden dat ze verbaasd waren dat ik geen Indianenkleding aanhad en schmink. Ik had niet verwacht dat mensen zo achterlijk konden zijn. En dat in een samenleving die zich beschaafd achtte.

Ook tijdens mijn opleiding aan de Tropische Landbouwschool in Deventer was ik door een docent uitgenodigd bij hem thuis omdat hij nog nooit een Indiaan had gezien. Ik was onder de indruk, maar het voelde ietwat vreemd. Een heel mooi moment was toen ik als eerste Indiaan in Nederland was uitgekozen om een bos bloemen te overhandigen aan koningin Juliana tijdens haar bezoek aan onze Hogeschool. Ik heb daarna met de koningin nog even gepraat en zelfs in de krant in Suriname stond een foto van ons.”

Valse beloften

“Het was vlak voor afstuderen dat ik mijn vrouw Riet heb ontmoet tijdens een feestje. We waren allebei heel verliefd en we wachtten daarom niet lang om met elkaar te trouwen. Toen ik in 1959 werd opgeroepen door de Surinaamse regering om daar weer te gaan werken, was mijn vrouw bereid om samen met mij te migreren. Zij was nooit eerder naar Suriname geweest en ze was onder de indruk van het land en de mensen. Mijn ambitie was om na mijn opleiding het Indiaanse volk vooruit te helpen in de landbouw. Maar tot mijn teleurstelling vond de regering mij een te dure kracht om in het binnenland te werken. Dit was voor mij een grote tegenslag. Ze hadden zich niet aan de belofte gehouden. Maar dat ze me te duur vonden laat zien dat ze niet de inzet voor de ontwikkeling van de mensen in het binnenland respecteerden en ons niet als gelijkwaardig zien.”

Foto 2 Reinier Artist. Jong gezin in Nederland tijdens 2de studie van mijn vader
Het jonge gezin Artist in Nederland

“Uiteindelijk moest ik meewerken aan een project in Nickerie waarover tegen mij werd gezegd dat daar ‘echte’ landbouw werd gedaan. Hier waren Nederlandse deskundigen die hier belangrijke proeven ontwikkelden en ik moest hen daarbij assisteren.

Na vijf jaar werken aan de landbouwprojecten van de regering, groeide het verlangen om verder te gaan studeren en een opleiding te doen waarmee ik meer mogelijkheden had om het Indiaanse volk te kunnen helpen. Ik wilde de Surinaamse regering laten zien dat zij ongelijk hadden in hun benadering van het Indiaanse volk. En de academische weg leek mij hierbij het slimste. Daarom ging ik vanaf 1964 in Nijmegen de studie Culturele Antropologie studeren en betrokken we een huis in Wageningen. Het onderwijs was een aparte ervaring. Want alles wat ik als Indiaanse jongen had beleefd in het binnenland, de oneerlijke verhoudingen tussen ons Inheemse volk met de rest van Suriname en de repressie door de regering, dat werd ineens aan ons uitgelegd tijdens de lessen. Maar dan in academische taal en terminologie waar ik nog niet mee bekend was.”

“Vanwege mijn gedrevenheid kreeg ik na mijn afstuderen het advies om aan Harvard in de Verenigde Staten een vervolgopleiding te doen. Maar in die periode, toen bekend werd dat Suriname onafhankelijk zou worden, werden ontwikkelplannen gemaakt vanuit niet-gouvernementele organisaties, gefinancierd door Nederland. Ik wilde zoveel mogelijk initiatieven nemen om de achterstand van het Indiaanse volk tegen te gaan. Dit bleek een grote uitdaging omdat weinig mensen mij steunden. Veel mensen kozen ervoor om of namens de Nederlandse of namens de Surinaamse regering te werken, maar zij behartigden niet de belangen van de mensen in het binnenland. Daarom ontwikkelde ik met behulp van medefinancieringsorganisaties van de Nederlandse overheid een eigen initiatief om de gezondheidszorg, de landbouw, de infrastructuur en het onderwijs te verbeteren.

Om dit op te zetten reisde ik vlak na de Onafhankelijkheid in 1975 af naar Suriname. Dit project opzetten was zeker niet eenvoudig; ten eerste omdat de gemiddelde Surinamer uit de hoofdstad, als die al bereid was mee te werken aan mijn project, niet wilde wonen in het binnenland om het ontwikkelingswerk uit te voeren. De dorpjes in het binnenland waren voor hen ook een heel andere omgeving, ze voelden zich heel erg beperkt. Terwijl de mensen in Paramaribo juist toegang tot moderne middelen zoals medische hulpmiddelen en lesmateriaal kregen. Nu is dat nog steeds zo: het contact tussen de mensen in de stad en de mensen in het binnenland is nog steeds beperkt. Het kostte me moeite om de Surinamers in de stad te overtuigen dat als ze echt de Inheemsen wilden helpen, ze toch echt een aantal maanden in het binnenland moesten verblijven. Ik heb voor mijn ontwikkelingsprojecten soms maandenlang in het binnenland gewoond om alle hulp te coördineren.”

Foto 5 Reinier Artist. Volbracht project, polikliniek in Bigi Poika, Suriname
Volbracht project, polikliniek in Bigi Poika, Suriname. Rechts: Reinier Artist

Coöperatie onder Inheemse vrouwen

“Daarnaast was ik met mijn project de eerste die een handreiking deed naar het Indiaanse volk en bij hen moderne methoden introduceerde. Zo bracht ik Inheemse vrouwen op het idee om geld in te zamelen om machines te kunnen kopen waarmee ze op een eenvoudige manier een grote hoeveelheid voedsel konden bereiden. Deze vrouwen waren oorspronkelijk gewend om op hun traditionele manier gezamenlijk op de kostgronden te werken. Voor de verwerking van cassave, het hoofdgewas, werd de cassaverasp ingezet waardoor de verwerking sneller ging en vrouwen meer konden produceren in een kortere tijd. De coöperatie vormde een andere manier van samenwerking waarbij financiële opbrengsten op een nieuwe manier werden gedeeld.”

“Daarnaast zorgde ik ervoor dat waterleidingen bij veel huizen werden gerealiseerd. Leidingen die de Indiaanse bevolking zelf heeft leren aanleggen. Vroeger had men een centrale waterput en daar moest je het maar mee zien te doen. Ook leerde ik om het elektriciteitsnetwerk uit te breiden. Vanuit de Surinaamse regering is er ook nooit het idee gekomen om zulke verbeteringen aan te brengen voor de mensen in het binnenland. Men had ook helemaal geen oog voor de behoeften van ons volk. Ik hielp ook met het opzetten van eigen medische posten die worden beheerd door de Medische Zending, waardoor ze niet meer afhankelijk waren van de artsen uit de stad. Vroeger moesten de mensen in het binnenland vaak meerdere dagen wachten totdat ze hulp kregen. Nu zijn in veel dorpen bezoekende artsen en gezondheidsassistenten die dagelijks beschikbaar zijn voor de Indianen. De Indianen zijn me nog steeds heel erg dankbaar voor mijn inzet, en ik word ook feestelijk ontvangen als ik in de Indiaanse dorpen kom. Ik was een beetje verbaasd toen ik vorig jaar werd ontvangen door de kapitein van mijn geboortedorp in een prachtig kantoor met Indiaanse meisjes zittend op moderne bureaustoelen en werkend op computers. Dat is een opvallende tastbare verbetering.

Dankzij deze emancipatie hebben de Indianen de mogelijkheid om over hun zorgen en behoeften te communiceren met de Surinaamse regering door zelf rapporten op te stellen. Dit vind ik soms nog steeds moeizaam gaan, omdat we daarvoor nooit werden opgeleid.”

Twee beschavingen

“Toen eenmaal de voormalig president Desi Bouterse het land leidde, kon ik het niet meer aanzien hoe ons Indiaanse volk in alle opzichten gediscrimineerd werd. Ik voelde het als een plicht om me uit te spreken tegen de politieke leiding die een gehele bevolkingsgroep, dus de Inheemsen, uitbuitte. Dit werd me niet in dank afgenomen. Vanaf dat moment werd het me moeilijker gemaakt om mijn ontwikkelingswerk voort te zetten. Ik ben toen met mijn gezin naar Oegstgeest verhuisd en ik ging werken voor de KPN en werkte daar als leidinggevende voor verschillende onderwijs- en ontwikkelingsprojecten. Na verloop van tijd vroeg de Surinaamse regering mij om weer te komen werken ten bate van de Indiaanse bevolking. Om te voorkomen dat de Surinaamse regering zich te veel zou bemoeien met mijn werkzaamheden, heb ik hier mijn eigen consultancy bureau genaamd Artist Consultancy opgericht. Mijn dochter is ook veel betrokken bij het werk voor de Inheemsen. Zij is woonachtig in Suriname en werkzaam bij de Vereniging Inheemse Dorpshoofden Suriname (VIDS) waarmee ze de emanci­patie van de Indianen voortzet.

Extra foto Reinier Artist2

Ik heb veel waardering gekregen van de mensen in Suriname en Inheemsen in Nederland die mij vroegen of ik een boek wilde schrijven over mijn leven in Suriname. Terwijl ik met mijn ontwikkelingsprojecten bezig was, heb ik tussendoor gewerkt aan dit boek. Ik wilde hiermee de Inheemsen laten zien hoe waardevol hun tradities zijn en hen trots laten voelen op wie zij zijn. En ik hoop dat mensen begrijpen hoe ik me heb moeten bewegen tussen twee beschavingen – de Indiaanse en de Nederlandse – en wat voor invloed dit had op mijn identiteits­vorming.”

Koninklijke onderscheiding

“Ik heb een heel veelbewogen leven doordat ik regelmatig betrokken word bij Surinaamse activiteiten. Ik probeer hier en daar te helpen en advies te geven hoe ze zich voor de Surinaamse samenleving kunnen inzetten. Maar ik ben ook betrokken bij maatschappelijke organisaties in Nederland zoals de Lions club, een wereldwijde serviceorganisatie, en de parochie van de kerk, die hulp bieden aan Suriname. Ik wil mensen in Nederland bewust maken over hun opvattingen over allochtonen in het algemeen, omdat ik merk dat men nog vaak neerkijkt op mensen die niet een Nederlandse achtergrond hebben. We worden nog steeds gezien als ‘de ander’. Ik heb afgelopen jaar een koninklijke onderscheiding gekregen. Ik was verrast, want ik deed mijn werk nooit voor een lintje. Mensen die mijn werk kenden, hebben mij voorgesteld.”

“Ik woon inmiddels meer dan veertig jaar in Oegstgeest en iedereen kent mijn gezicht. Ik heb een breed sociaal netwerk opgebouwd; niet alleen met de mensen die me helpen bij mijn projecten, maar ik heb ook mooie vriendschappen opgebouwd. Als ik hier in het dorp loop dan glimlachen mensen naar me, of ze knikken naar me. Ook mijn vrouw heeft zich ingezet voor de stad omdat ze veel heeft gedaan in het onderwijs en werkzaam is in de kunstwereld. De burgemeester van Oegstgeest beschouw ik als een vriend. Op Koningsdag werden mijn vrouw en ik uitgenodigd op een koninklijk ontbijt georganiseerd door de gemeente bij te wonen. We werden warm en gastvrij ontvangen.

Ik hoor ook van andere Nederlanders dat ik behulpzaam ben. En ik moet zeggen; zo nu en dan protesteer ik. Want als Nederland iets van mij zal moeten leren is dat mensen hier meer tijd mogen maken. Men heeft hier altijd haast. Wij als Indianen hebben vanuit onze cultuur geleerd om voldoende tijd te maken voor anderen. Voor jouw familie en voor de mensen om je heen. Alleen de kunst is: hoe krijg je dit voor elkaar in deze moderne samenleving? Want het is niet makkelijk om tijd te maken. Ik heb geleerd om ook in moeilijke tijden kalm en rustig te blijven door je op één doel te focussen. En proberen niet te veel dingen tegelijkertijd te doen.

Soms heb ik nog wel de behoefte om terug te gaan naar Suriname. Suriname is een prachtig land en ik voel nog altijd die band. Dat ik in Nederland woon en mijn leven hier heb opgebouwd, heeft ook te maken met mijn band met Suriname. Omdat het niet zo kan zijn dat een land waar ik zoveel van houd mij daar niet meer zou willen hebben, hoeveel jaren ik ook in Nederland woon. Ik probeer nog vaak naar Suriname te reizen. En ik wil de jongere Surinamers leren om niet alleen van het land te houden, maar om ook iets voor het land terug te doen. Mensen die echt van Suriname houden, die maken het land groot.”

Bestel het unieke boek 50 jaar onafhankelijkheid Suriname met 50 interviews waaronder dit interview. Wie waren de eerste Surinamers in Nederland? Wat bracht hen hierheen? Wie waren sleutelfiguren of andere mensen met bijzondere verhalen? Bestel het boek hier!

1759869269376

Shawintala Banwarie

Shawintala Banwarie is journalist en redacteur en oprichter van We Speak. Ze studeert Religiewetenschappen in Leiden.
Profiel-pagina
Nog geen reactie — begin het gesprek.