‘Als Kamerlid initieerde ik de enquête rond de Bijlmerramp: ik wilde dat de sociale gevolgen en gezondheidsklachten van de bewoners in het rampgebied werden onder zocht. Deze mensen zijn tot op de dag van vandaag niet gehoord. De regering nam de mensen in De Bijlmer, die in het getroffen gebied woonden en opeens ziek werden, niet serieus. Hun klachten zouden tussen de oren zitten. Ook wilde ik bereiken dat de moslimslachtoffers van de etnische zuivering in Srebrenica gerechtigheid zouden krijgen.’
Tara heeft in Suriname geen makkelijke jeugd gehad; ze was het enige kind in haar moeders familie met een gemengde achtergrond. Een gemengd huwelijk werd destijds als een taboe gezien en ze werd vaak buitengesloten. Als tiener was Tara al actief tijdens studentenprotesten in Suriname om haar uit te spreken tegen onrecht. En ze werd aanhanger van een marxistische organisatie. Haar hele leven heeft Tara alles op alles gezet om zich te verzetten tegen rassenongelijkheid en discriminatie.
‘Ik ben geboren in Port New Amsterdam in Guyana. Toen ik één week oud was, ging ik met mijn moeder terug naar Suriname. Ik ben afkomstig uit een bekende en intellectuele familie in Suriname. Thuis leerden we de filosofie van de Arya Samaj, een vrijzinnige stroming binnen het Hindoeïsme. Mijn overgrootvader was een prominente leider binnen de Arya Samaj en streed in India tegen de onderdrukking door het kastenstelsel en tegen de Britse koloniale onderdrukking. Hij vluchtte vanuit India naar Suriname, waar hij zich ging inzetten voor volwaardige burgerrechten van het Surinaamse volk.
Sinds mijn jonge jaren put ik mijn kracht uit mijn familie en uit mijn hindoeïstische waarden. In die tijd las ik graag de poëzie van de Indiase hindoeïstische dichter Rabindranath Tagore; dat inspireerde mij om later in de politiek te gaan werken en mensen met elkaar te verbinden.’
‘Hoewel ik uit een welvarende familie kom, had ik niet zo’n fijne jeugd. Mijn moeder had voor mijn geboorte een relatie met een man die een mengelmoes van diverse culturen was. Hij was creools, wat inhoudt dat hij een afstammeling was van Afro-Surinamers, Joden en Europeanen. De familie van mijn moeder accepteerde deze relatie niet en verbande haar naar Guyana waar ik werd geboren. Mijn moeders familie had namelijk veel aanzien in Suriname. En een gemengde relatie werd toentertijd niet geaccepteerd in de welgestelde Hindostaanse families. In Suriname noemen ze mensen zoals ik moksi watra (gemengd ras). Ik draag mijn moeders naam met trots. Als dat mogelijk was geweest, had ik ook mijn vaders naam met trots gedragen. Helaas kreeg ik een leugen voorgeschoteld: mijn vader zou mijn moeder hebben verkracht. Mijn vader, genaamd Edgar Lucien Karg, heb ik als kind dus nooit leren kennen. Pas later, toen ik eenmaal volwassen was, vertelde mijn moeder dat dit niet waar was.’
‘Tijdens mijn jeugd woonden we met tantes en ooms in een joint family: met meerdere gezinnen bij elkaar in één wijk. Ik woonde de eerste tien jaar bij mijn tante. Mijn moeder zag ik soms wel, maar ik mocht toen nog niet bij haar wonen. Pas na mijn tiende jaar kwam ik bij haar in huis wonen. Ik was dus een ‘schuifkind’: ik ging van het ene gezin naar het andere.
Na mijn geboorte hertrouwde mijn moeder met een Hindostaanse man met wie zij ook kinderen kreeg. Ik groeide samen met hen op en zag hen als mijn volle broertjes en zusjes. In het begin werd ik niet echt geaccepteerd. Vanwege mijn gemengde achtergrond had ik een lichtere huidskleur. Soms werd in mijn eten gespuugd of zei iemand dat Sinterklaas mijn vader was. Met mijn neefjes en nichtjes had ik wel een goede band; we speelden veel samen. En we renden op het erf van onze grootouders.’
Anton de Kom en marxisme
‘Als tiener wilde ik al meer weten over wat er in de wereld gebeurt. Ik kocht boeken van de Surinaamse schrijver en activist Anton de Kom. Ook was ik een liefhebber van de boeken van de Amerikaanse activiste en politica Angela Davis. Zij streed voor burgerrechten in Amerika en inspireerde mij met haar moed en kracht. Ik voelde me solidair met haar strijd. Ik kende haar naam, omdat we met familie aan tafel vaak gesprekken hadden over wereldpolitiek. We hadden dan de radio aan en gingen daarna samen discussiëren over mensenrechten. Mijn familie was progressief en droeg actief bij aan de samenleving in Suriname. Een broer van mijn opa was Statenlid in Suriname; hij heeft gestreden voor het kiesrecht voor vrouwen in Suriname. Mijn tante Carla Oedayraj Singh Varma richtte vanuit Nederland de socialistische Volkspartij Suriname mede op, samen met haar echtgenoot Ruben Lie Pauw Sam. Hij was een Surinaamse politicus en arts.
Rond mijn vijftiende werd ik aanhanger van het Marxistisch-Leninistisch Centrum Suriname, de voorganger van de toenmalige Communistische Partij van Suriname (KPS). We organiseerden vaak demonstraties om de mensen in Suriname bewust te laten worden van de ongelijkheid in ons land: de armoede, de klassenstrijd, de politieke instabiliteit. Ik kan me nog herinneren dat ik met een groep scholieren voor het ministerie van Onderwijs stond. We hadden het boek Vaderlandse Geschiedenis, een boek over de Nederlandse geschiedenis, verbrand. We wilden niet dat ons onderwijs aan kinderen de Nederlandse geschiedenis zou opleggen, we wilden onderwijs over onze eigen Surinaamse geschiedenis op school krijgen.
Uiteindelijk is mijn naam verwijderd uit het blad van de KPS; anders kon ik door de koloniale en de Surinaamse regering worden opgepakt. Suriname was geen land voor linkse mensen. We kregen niet de vrijheid om ons uit te spreken tegen onrecht, omdat we moesten waken voor de geheime dienst. De geschiedenis van Anton de Kom bewijst dat: hij werd verbannen naar Nederland. En activist Doedel werd door de koloniale regering voor straf opgesloten in een psychiatrische inrichting.’
Dekolonisatie en de CPN
‘Op mijn zestiende besloot ik naar Nederland te verhuizen. In Suriname wilden mijn familieleden dat ik zo snel mogelijk zou gaan trouwen; ik had volgens hen de leeftijd, waarop zij een man voor mij zouden zoeken. En ik vond mezelf nog veel te jong, ik zat nog vol dromen. Al was ik een gewild object onder de Hindostanen: ik kwam uit een welgestelde familie en heb een lichtere huidskleur waardoor ik meer opviel. Ik ging in Nederland bij een tante van mij wonen, in Amsterdam-Noord. Daarna ging ik op kamers bij een Nederlands gezin in Naarden. Ik zag hen als mijn opa en oma. In Amsterdam wilde ik mijn studie rechten afronden. Daarmee was ik al in Suriname begonnen. Ik was als kind goed in wiskunde en natuurkunde, maar ik wilde iets doen wat mensen niet van mij verwachtten. Daarom ging ik rechten doen! Tijdens mijn studie was ik veel bezig met activisme, waardoor ik uiteindelijk zelfs met mijn studie stopte.’
‘Ik werd tijdens mijn studententijd al snel lid van de Communistische Partij van Nederland (CPN). Deze partij sprak mij aan, omdat ze tegen het naziregime ontzettend veel verzet hebben gepleegd. En vanwege hun antikoloniale karakter: ze hadden Indonesische mensen op hun kieslijst staan en steunden daarmee de onafhankelijkheid van Indonesië. Ik wilde dat Suriname ook onafhankelijk zou worden. Daarnaast had de CPN de Zuid-Afrikaanse vrijheidsstrijder Nelson Mandela en zijn strijd tegen de apartheid altijd gesteund. Uiteindelijk werd ik rond mijn zevenentwintigste jaar, net voor de Onafhankelijkheid van Suriname, bestuurslid van de partij.’
‘Vijftig jaar geleden, rond het jaar 1975, voerden partijen in de Nederlandse politiek discussies over de onafhankelijkheid van Suriname. De meeste partijen, zoals de Partij van de Arbeid, wilden de Onafhankelijkheid snel geregeld hebben: door een pak geld te geven aan de Surinaamse overheid. Onze partij, de CPN, was ook voorstander van de onafhankelijkheid. Maar met de voorwaarde dat ook aan de ontwikkeling en economie van Suriname moest worden gedacht: tot die tijd was Suriname nog volledig afhankelijk van de Nederlandse samenleving. Marcus Bakker – de toenmalige leider van de CPN – vond dat Nederland ervoor verantwoordelijk was dat de Surinaamse samenleving werd versterkt: door aan onderwijs, zorg en infrastructuur te werken. Bakker was één van de weinigen die al tijdens het debat in de Tweede Kamer waarschuwde dat in Suriname een coup zou worden gepleegd als vanuit Nederland niet voldoende steun was voor de ontwikkelingen in Suriname.
Uiteindelijk – in de jaren nadat Suriname in 1975 onafhankelijk werd – zagen we dat veel mensen uit Suriname naar Nederland trokken, omdat de situatie in het land te onrustig werd. Zoals we vanuit de CPN al hadden voorspeld, had de Nederlandse regering te weinig gedaan aan de zelfstandigheid en economische onafhankelijkheid in Suriname.’
Zorg voor Surinamers en gastarbeiders
‘Tijdens mijn werk als gemeenteraadslid hielp ik bij het opvangen van de Surinamers in Amsterdam en richtte daarvoor het Informatiepunt Surinamers op. Ik werkte samen met toenmalig wethouder Volksgezondheid Tineke van der Klinkenberg. Zij heeft de opening van het Informatiepunt verzorgd. De overheid heeft toen – in samenwerking met de Surinaamse regering – de Regeling Laagfrequente Aandoeningen, de RLA-regeling, in gang gezet. Dankzij deze regeling kregen ernstig zieke Surinamers het recht om in Nederland behandeld te worden.
De overheid regelde de financiering voor de medische behandeling, het Informatiepunt Surinamers deed de opvang en de praktische zaken. We begonnen dus met het begeleiden bij medische hulp. Later kwam daar maatschappelijke hulp bij en ontvingen we ook Marokkaanse en Turkse gastarbeiders. Toen werd de naam van het informatiepunt veranderd in ‘Informatiepunt voor migranten’. Ook hielpen wij veel Nederlandse mensen die aan de onderkant van de maatschappij zaten. Ik weet nog dat ik veel medische behandelingen uit mijn eigen zak betaalde. Mijn man grapte een keer dat we ook nog onze eigen rekeningen hebben. We hadden vanaf 1980 tot aan 1988 ongeveer dertigduizend dossiers.’
‘Ik werkte nauw samen met stichting Witte Jas. Deze stichting bestond uit artsen die op vrijwillige basis medische hulp gaven aan illegale asielzoekers en arbeiders die in Nederland nog geen toegang hadden tot de reguliere zorg.’
Kiesrecht migranten en Bijlmer enquête
‘Ik heb als gemeenteraadslid, samen met Mohamed Rabbae die destijds voorzitter was van de Nederlands Centrum Buitenlanders (NCB), heel hard gevochten voor het kiesrecht van migranten. We streden samen tegen racisme in de samenleving. We werkten ook samen met Abdou Menebhi, hij was voorzitter van het Komitee Marokkaanse Arbeiders Nederland (KMAN), en met de voorzitter van de Turkse vakbond, Mustafa Aryanci. In 1986 lukte het ons: burgers van niet-EU-landen, die langer dan vijf jaar legaal in Europa woonden, mochten eindelijk stemmen voor de gemeenteraad. Voor de migranten in Nederland was dit een grote stap voorwaarts, het heeft hun emancipatie en participatie in de samenleving bevorderd.’
‘In 1990 ging de CPN, na een fusie met andere partijen, over in de politieke partij GroenLinks. In 1994 werd ik met voorkeursstemmen als eerste allochtone vrouw gekozen in de Tweede Kamer en werkte toen opnieuw samen met Rabbae. Ik wilde al heel lang, van kinds af aan, kunnen mee debatteren over politiek. Dat ik een vrouw van kleur was, maakte het mij niet makkelijk. In die tijd hadden we de ultrarechtse Centrumpartij. Ik werd door politicus Hans Janmaat consequent niet aangesproken bij mijn naam, maar aangeduid als “zij die hier niet thuishoort”.
Als Kamerlid initieerde ik ook de enquête rond de Bijlmerramp: ik wilde dat de sociale gevolgen en gezondheidsklachten van de bewoners in het rampgebied werden onderzocht. Deze mensen zijn tot op de dag van vandaag niet gehoord. De regering nam de mensen in De Bijlmer, die in het getroffen gebied woonden en opeens ziek werden, niet serieus. Hun klachten zouden tussen de oren zitten.
Ik voelde me niet gelukkig in de Tweede Kamer. Uit respect voor het vak werkte ik als een paard, tot vier uur in de nacht. Het was een eenzame wereld: ik houd ervan om direct contact te hebben met het volk en miste mijn werk als gemeenteraadslid. Toch bleef ik in de Kamer, omdat ik me wilde inzetten voor de Bijlmer-enquête en deze zaak wilde oplossen. Daarnaast zette ik mij in voor de Wet op orgaandonatie. En ik wilde als Kamerlid bereiken dat de moslimslachtoffers van de etnische zuivering in Srebrenica gerechtigheid zouden krijgen.’
Mentale gezondheidsproblemen
‘Ik had niet door dat ik tijdens mijn werk als Kamerlid op mentaal vlak heel erg achteruitging. Ik werkte vanuit mijn hart voor mensen in onze samenleving, maar zag niet dat ik intussen zelf heel erg achteruitging. Later kwam ik erachter dat een psychische aandoening erfelijk is in mijn familie. Als ik dit eerder had geweten, dan had ik me hierop kunnen voorbereiden en tijdig hulp kunnen inschakelen. Ik herkende de signalen niet. En de mensen in mijn omgeving ook niet.
Ik kreeg psychoses en waanideeën; daardoor raakte ik steeds meer vervreemd van mezelf. Achteraf denk ik dat de nalatige houding van de overheid wat de mensen in de Bijlmer betreft en het feit dat de zieke mensen niet serieus werden genomen, mij de nek om hebben gedraaid. Als ik terugkijk naar foto’s uit die tijd, zie ik aan mijn ogen dat ik verwilderd voor me uitkeek. Ik neem de mensen met wie ik destijds nauw samenwerkte kwalijk dat ze niet mij hebben geadviseerd om naar de huisarts te gaan. Ik kookte niet meer, ik had overal dichte enveloppen in mijn huis liggen, ik zorgde niet meer voor mezelf. Hierdoor kreeg ik financiële problemen en mijn relatie stortte ook in. Mijn ex-man bleef echter wel voor me zorgen.’
‘Mijn waanideeën werden zo ernstig dat ik op een gegeven moment echt dacht dat ik zou komen te overlijden. Ik vertelde aan mijn omgeving dat ik dood zou gaan en gaf zelfs een afscheidsfeest. Ik besefte toen niet hoe, nadat men erachter was gekomen dat ik psychische klachten had, mijn verhaal door media zou worden verdraaid. Men ging ervan uit dat ik bewust loog dat ik doodging. In werkelijkheid was ik in die periode zo vervreemd geraakt van de realiteit dat ik niet meer wist wat ik zei.
Op een dag was ik heel erg in de war en probeerde van vierhoog van een flat te springen. De politie en omwonenden hielden me tegen. Ik kan me niet meer herinneren hoe het precies ging, maar ik weet nog wel dat ik riep dat ik doodging. Een meisje dat ik toen als een vriendin zag, had mijn post opengemaakt. Daarin stond dat ik financiële problemen had. Zij had dat aan de pers laten zien. Vanaf dat moment ging de pers over mijn financiële problemen schrijven. Hetzelfde meisje had duizenden euro’s en sieraden van mij gestolen.
In 1999 was ik op mijn kwetsbaarst en stortte ik in met psychoses en waanideeën. Mensen maakten misbruik van me. Toen heeft mijn advocaat Richard Korver juridische hulp aan mij verleend, waardoor ik mijn leven weer op de rails kon krijgen. Hij is mijn held!’
Nelson Mandela en rassenongelijkheid
‘Mijn hele leven heb ik me aan politiek gewijd. Ik kan niet tegen onrecht en tegen hokjesdenken. Het mooiste moment dat ik ooit heb meegemaakt, is toen ik tijdens mijn periode als gemeenteraadslid Nelson Mandela ontmoette op een welkomstlunch die werd georganiseerd door de gemeente Amsterdam. Ik mocht naast hem zitten en ik durfde hem eerst niet aan te spreken. Ik voelde me net een klein Surinaams meisje.’
‘Op een gegeven moment vertelde de toenmalig burgemeester Ed van Thijn aan Mandela wie ik was en noemde dat ik had gepleit voor een boycot van de apartheid in Zuid-Afrika. En toen pakte hij mijn hand vast en zei tegen mij: “You are a true sister.”
Inmiddels is het vijftig jaar geleden dat Suriname onafhankelijk is geworden. Ik zie helaas nog heel veel armoede en de gezondheidszorg loopt nog achter. Wat ik gehoopt had voor Suriname is dat het één natie zou worden. Het stelt me zwaar teleur dat de scheidslijn tussen de verschillende culturen nog steeds bestaat. Aan de andere kant zie ik veel potentie voor Suriname. Suriname is een prachtig land met een rijke bodem. Ik wil graag dat de inkomsten van het goud en olie ook bij de arme bevolking in Suriname terecht komen en dat Suriname een voedingsindustrie gaat opzetten dankzij alle vruchtbare grond. De rijkdom bereikt het volk nu niet, omdat er nog te veel rassenongelijkheid is. Zolang dat niet wordt doorbroken, wordt Suriname niet één volk.’
Tara Oedayraj Singh Varma (1948-2026) groeide op bij haar tante en woonde vanaf haar tiende jaar bij haar moeder. Tijdens haar jeugd in Suriname was Tara al actief bij studentenprotesten en marxistische organisaties om zich te kunnen uitspreken tegen onrecht. In Nederland werd ze lid van de Communistische Partij Nederland, een partij die later opging in GroenLinks. Jarenlang zette ze zich als gemeenteraadslid in voor Surinamers, gastarbeiders en illegalen in Nederland. In 1994 begon Tara als Tweede Kamerlid voor GroenLinks waar zij de Bijlmer-enquête initieerde. Nadat ze mentaal ziek werd en waanideeën kreeg dat ze zou overlijden, stopte ze in 2001 als Kamerlid. Op 14 september 2026 is ze op 78-jarige leeftijd overleden.
Bestel het unieke boek 50 jaar onafhankelijkheid Suriname met 50 interviews waaronder dit interview. Wie waren de eerste Surinamers in Nederland? Wat bracht hen hierheen? Wie waren sleutelfiguren of andere mensen met bijzondere verhalen? Bestel het boek hier!


Tara Oeday Singh Varma, zo staat haar naam in de ondertitel geschreven. Oeday moet zijn: Oedayraj. In het naschrift onderaan het artikel staat haar naam wel goed geschreven: Tara Oedayraj Singh Varma. Kunnen jullie haar naam in de ondertitel a.u.b. corrigeren?
Met excuses, we passen het nu aan, Usha! Theo