Het is een spannend boek, ik heb het geboeid gelezen. Ik vroeg me wel af hoe het nu met je relatie gaat. Je vertelt er weinig over.

Jan Geurtz: “Ja, zo min mogelijk. Voor mezelf is het geen probleem, maar mijn vriendin vindt het niet zo leuk als er over haar geschreven wordt.

Het is nog steeds een proces. Het is een zoeken, met wederzijdse instemming, naar een manier om te kunnen liefhebben en tegelijkertijd los te laten. We hebben helemaal geen ruzie en er is veel liefde. Maar zij is een andere spirituele richting op gegaan dan ik, dat bracht een proces op gang. We kregen door dat er veel egoverstrengeling en verlatingsangst was. Op een bepaald moment kwam die angst aan de oppervlakte en we vonden dat we dat nou maar eens niet meer moesten toedekken met geruststellingen. Wat gebeurt er als je de angst nou maar eens gewoon neemt, en elkaar daarin helpt?”

Je vertelt dat zo en passant, ‘ze ging een andere spirituele richting uit’ – maar waarom is dat zo erg? Is dat het idee van ‘twee geloven op een kussen, daar ligt de duivel tussen’?

“Wij zijn begonnen op hetzelfde spirituele pad, we hadden een relatie waarin spiritualiteit voorop stond. Je zou bijna zeggen: dat was ons kind. We hebben elkaar daarin ook heel erg gestimuleerd. En toen kwam er een verwijdering. Mijn ego beschouwde haar pad als een soort valkuil, en zij zag in mijn pad weer allerlei valkuilen.”

En dat leidde tot verlatingsangst?

“Die wordt misschien wel meer getriggerd als je erg serieus bent op je spirituele pad. Zoals mijn ouders vroeger christelijk waren, dat was meer een culturele achtergrond, niet een hartsverlangen. Wij zagen dat we uit elkaar aan het groeien waren. We hadden toch al geen huwelijk met afspraken over trouw en altijd bij elkaar blijven – we hadden juist de afspraak dat we dat niet zouden vastleggen. Geen toekomstbeloften. Het was al erg open en vrij. En als er dan een splitsing komt in methodiek… Ineens kregen we in de gaten hoe sterk de verstrengeling was: die konden we afmeten aan de angst elkaar kwijt te raken.”

Wat je beschrijft in je boek, is dat een boeddhistische manier om met een relatiecrisis om te gaan?

“Boeddhisme heeft geen alleenrecht op spiritualiteit, en ik denk dat Advaita ook op die manier kijkt naar het lijden, en het soefisme. Onze gebruikelijke ego-manier om met het lijden om te gaan, is er tegelijkertijd de oorzaak van. Dat ego wil lijden bestrijden door het toe te dekken met liefde en erkenning van anderen, en als die er niet zijn, dan in godsnaam maar met alcohol en drugs, maar het moet toegedekt worden, weggeduwd.

De eerste edele waarheid van de Boeddha was: lijden moet worden gekend. In plaats van dat je ervoor wegloopt of het toedekt. En als je lijden onderzoekt en leert kennen, ontdek je de oorzaken van het lijden. En dat is dus: identificatie met een aangeleerd zelfbeeld.”

Het accepteren van het lijden is toch ook een van de principes van het christendom?

“Ja, maar daarin is nooit zo expliciet gesteld dat in het accepteren van het lijden ook de oplossing van het lijden zit. Het is meer zo van: accepteer het nou maar, dan kom je later wel in de hemel.”

De kruisiging symboliseert toch de acceptatie van het lijden?

“Ik ben de eerste veertien jaar van mijn leven katholiek opgevoed en ik heb er nooit ene moer van begrepen… Misschien was ik er te dom voor, maar ik heb de indruk dat het niet zo helder wordt overgebracht. Hij is voor ons aan het kruis gestorven om ons te bevrijden van het lijden, huh? Door het boeddhisme snap ik meer van de bedoeling en de symbolische taal van het christendom.”

Dus jij stelt dat ik niet mijn lichaam of mijn gedachten ben. Er is ook nog iets hogers, en dat ben ik echt?

“Het oorspronkelijke gewaarzijn, zoals ze het noemen in het boeddhisme, dat is wat je echt bent. De nonduale essentie.”

Maar wat ik voel is toch ook echt? Het lichaam liegt niet, dat is toch een concrete werkelijkheid?

“Je zou het lichaam een instrument van ervaring kunnen noemen. Het lichaam ervaar je. Met je ogen kijk je, met je oren luister je, maar het eigenlijke kijken en luisteren vindt niet plaats in je ogen en oren en zelfs niet in je hersenen, maar in het oorspronkelijke gewaarzijn. Zonder dat gewaarzijn zou er geen bewustzijn zijn, geen weten.

Kijk, mijn computer kan net zo goed kijken en luisteren als ik, en net zo goed praten – hij kan alles wat wij kunnen, alleen weet hij het niet. We zeggen niet: ‘De computer ziet mij zitten,’ nee, de computer registreert het beeld.

Dus we hebben een lichaam met al die prachtige functies, maar het feit dat we het kunnen ervaren, komt doordat er gewaarzijn is. In het materialistische wereldbeeld wordt dat bewustzijn als een soort laatste aanhangseltje van de materie beschouwd, maar dat is een onbewijsbare filosofische aanname. Net zomin bewijsbaar als waar het boeddhisme vanuit gaat: dat het oorspronkelijke gewaarzijn de werkelijkheid is waarin lichamen zich manifesteren als middel om ervaring te creëren. Alleen, de boeddha heeft er altijd bij gezegd dat je dit niet moet aannemen als een geloof, maar dat je het zelf in je eigen geest kunt onderzoeken en realiseren.”

over-liefde-en-loslaten
Over Liefde en Loslaten.

Dat kun je niet helemaal uitsluiten, maar dat zou dan zijn omdat ze interessant genoeg worden voor dat oorspronkelijke gewaarzijn om zich doorheen te laten schijnen. Ik kan niet zeggen of dat gaat gebeuren of niet. Onze hersenen schijnen nog altijd twaalf miljoen keer zo ingewikkeld te zijn als de knapste computer. Maar ik heb een keer een Tibetaanse meester gehoord die zei: als computers net zoveel interessante mogelijkheden bieden om bewustzijn te ontwikkelen als mensen, dan zouden er incarnaties in computers kunnen plaatsvinden. Het is een soort vraag en aanbod-werking, een soort zuiging. Als vader en moeder copuleren, heeft dat een aanzuigende werking op gewaarzijn dat zich op dat moment niet van zichzelf bewust is en zoekt naar een vorm om zich te uiten. Dat is zo’n beetje de boeddhistische theorie van incarnatie.”

Heeft een stukje gewaarzijn mijn lichaam gekozen om in geboren te worden, om zich bewust te worden van zichzelf?

“Ja, de groei van bewustzijn lijkt mij een basisprincipe van het hele universum. In de loop van de evolutie zie je steeds complexer combinaties van levensvormen ontstaan, en tegelijkertijd zie je er ook een groei van bewustzijn in. Andersom zie je niet: nergens is een afbouw, wezens die besluiten om uit elkaar te vallen in simpeler wezens. Hogere diersoorten hebben meer bewustzijn dan lagere diersoorten en mensen nog meer, en er is misschien ook nog wel iets hogers dan mensen. In de spiritualiteit zijn dat bijvoorbeeld boeddha’s. Die vormen een soort hogere staat van evolutie. Dat is het overstijgen van het zelfbeeld.”

Dat betekent het losmaken van de identificatie met geest en lichaam?

“De Advaita’s noemen dat de bodymind. De meeste mensen hebben er geen probleem mee dat er een ik-geest is, het aangeleerde zelfbeeld of ik-bewustzijn. Als je aan iemand op straat vraagt: ‘Hebt u een bewustzijn?’ Dan zegt hij: ‘Ja natuurlijk heb ik een bewustzijn.’

Dat kennen we wel en het heeft een sterk gevoel van ‘ik’ bij zich. Die ‘ik’ heeft ook altijd een naam, dus dat is het standaard antwoord als je vraagt wie ben je: de naam, levensgeschiedenis, rollen die we spelen, alles wat we hebben ervaren, dat vormt je zelfbeeld. Als een soort sneeuwbal: elke dag komt er iets bij en soms valt er iets af. Dat heet dan dissociatie, afsplitsing – pijnlijke stukken worden weggeduwd zodat je je er niet meer bewust van bent, totdat ze weer worden getriggerd.

Daarmee zijn we volledig versmolten, geïdentificeerd, zonder dat je je dat realiseert. Het eerste stadium van spirituele groei is dat je je bewust wordt van die identificatie. Daarbij ontstaat meteen de valkuil dat je er graag vanaf wilt… ‘Dat stomme ego, ik wil mezelf niet meer afwijzen, ik wil niet meer bang zijn om verlaten te worden!’ Dan ontstaat een gevecht tegen je ego, waaruit een soort spiritueel correct ego ontstaat.”

Je schrijft ook: je kunt er hard aan werken en dan wordt het wel wat rustiger daarbinnen, dan krijg je wat meer geluk.

“Een ego dat zich spiritueel correct ontwikkelt, is inderdaad iets beter af. Maar het blijft wel ego. Op straffe van zelfafwijzing. Een boeddhistisch ego bijvoorbeeld moet geweldloos zijn, anders vind je jezelf een slechte boeddhist, of sowieso een slecht mens. Maar geweldloosheid bezorgt je wel minder ellende dan als je je buren telkens een klap op hun kop geeft. Dus je hebt minder lijden en meer geluk, als je de regels volgt. Hetzelfde geldt voor het christendom: je aan de tien geboden houden scheelt je best wel wat ellende, vergeleken met zuipen en snuiven en moorden en dat soort dingen. Dus op een laag niveau zit daar een soort vooruitgang in, een vermindering van lijden, maar wel binnen dat aangeleerde zelfbeeld. Het zelfbeeld ontwikkelt zich in een bepaalde richting van vriendelijkheid en minder agressie, maar het is nog steeds een masker, een persona – het is niet wat je werkelijk bent.”

En de meeste geloven stoppen daar, nietwaar? Die zeggen: je moet doen zoals het hoort volgens de heilige geboden en dan komt het goed.

“Ik maak een onderscheid tussen religie en spiritualiteit. In de spiritualiteit ga je proberen dat hele aangeleerde ego te overstijgen. En het is niet eens zo dat die twee, religie en spiritualiteit, met elkaar in strijd zijn. Ook in het boeddhisme heb je veel instructies op ego-niveau, over geweldloosheid en compassie trainen; dat zijn instructies om een gezonder ego te ontwikkelen. Maar in het boeddhisme houdt het daar niet op en het is ook niet strikt gescheiden. Binnen één tekst kun je ego-instructies hebben, en op het eind staat er ook nog: ‘En alles is een illusie in het oorspronkelijke gewaarzijn.’ Dat is het grappige in het Tibetaans boeddhisme, die niveaus lopen door elkaar, het is één bouwwerk, niet afgesplitst.”

Het mooie van lijden is dat het bewustzijnsgroei tot gevolg heeft, vooral als het zich herhaalt.

Als je beseft dat je dat allemaal niet bent, dan wordt het toch akelig leeg en stil in je hoofd..?

“Dat zou een fase kunnen zijn. Leegte is sunnyata in het Sanskriet: het ontdekken dat wie je werkelijk bent, geen identiteit heeft, geen afmetingen heeft, geen vorm, geen kleur, dus ook niet een soort ziel is, ook niet eeuwig en volmaakt. Zo’n ziel kennen boeddhisten niet. Wat we in werkelijkheid zijn, is leegte in de zin van leeg van substantie, maar die leegte is tegelijkertijd alles. Dus dat hele idee van: het wordt saai en stil, is een soort vertekening, omdat je alleen kijkt naar het eerste stadium, het losmaken van de identificatie met het lichaam en het zelfbeeld. Dat heeft inderdaad soms iets sobers. Sommige mensen vallen zelfs in de valkuil dat ze het gebruiken om te dissociëren van hun gevoelens: ‘O, dat is maar een gevoel, ik ben dat niet,’ en dan proberen ze om het gevoel maar niet te voelen.

Op elk spiritueel niveau kom je valkuilen tegen.

Maar tegelijkertijd is het een tussenfase. Het zien dat jij je gedachten en gevoelens niet bent – dat je ‘niks’ bent – is een tussenfase die de weg vrijmaakt om te zien dat je alles bent. Alles zoals de oceaan en de golven, hè, dat bekende voorbeeld. Eerst denk je dat je de golf bent, en dan kom je erachter dat die golf helemaal niet een soort eigen ding is, geen eigen identiteit heeft. Daarna kom je erachter dat die golf, en alle andere golven, water zijn, en zodra je je identificeert met het water, ben je tegelijkertijd alle golven. Dus via niks ben je alles.

Het hele idee dat er een scheiding is tussen ‘ik’ en een werkelijkheid buiten ‘ik’ vervalt. De waarnemer en dat wat waargenomen wordt zijn niet meer twee.”

Maar ik voel toch alleen maar wat ik zelf voel, ik voel niet de pijn van een ander, ik denk niet de gedachten van een ander. Dan ben ik toch afgescheiden?

“Omdat je niet verlicht bent. Ik ben dat ook niet trouwens. Van de Boeddha wordt wel gezegd dat hij de gedachten van alle mensen kende, en alle vorige levens van alle mensen.”

En voelde hij ook de gevoelens van alle mensen?

“Ik kan me er niets bij voorstellen, voor mij is het een verhaal. Maar wat ik wel kan begrijpen, is de eenheid van gewaarzijn en verschijnselen, van het ervaren en wat ervaren wordt. Mijn ervaring van dit moment is niet te scheiden van de ervaarder. Het hele idee dat er een ‘ik’ is los van de werkelijkheid, is een onderdeel van de ervaring. Op dit moment ervaar je een lichaam met een ‘ik’ erin, en een kamer daaromheen. Maar WIE ervaart dat? Dat is niet dat lichaam met die gedachten en die gevoelens, want die worden ervaren. En het is niet de kamer, die wordt ook ervaren. Dus zowel de kamer, als je gedachten en gevoelens, zijn beide onderdeel van één ervaring. En het zijn je gedachten die je ervaring opsplitsen in een soort ‘ik’ in dat lichaam, en een wereld daarbuiten. Maar die gedachten zijn zelf onderdeel van de ervaring.
Als je dat beoefent, heb je regelmatig van die momenten dat er geen gedachten zijn, of er zijn wel gedachten maar je herkent ze als een onderdeel van wat je ervaart. En niet als onderdeel van de ervaarder van die ervaring. Dus dan zie je de eenheid van ervaring en ervaarder. Of de eenheid van verschijnselen en gewaarzijn.

Dan kan ik nog steeds niet zien wat andere mensen denken, dus er zit nog een soort afgescheidenheid in. In het Tibetaans boeddhisme zeggen ze dat die afgescheidenheid tijdens je leven nooit helemaal verdwijnt; dan moet het lichaam eerst doodgaan. Het lichaam is nog een product van versluiering, van het idee dat je een lichaam nodig hebt om te ervaren. Vanuit die behoeftigheid incarneren we in een lichaam. Dat lichaam is tegelijkertijd de oorzaak van lijden als van spirituele groei. Lijden is in feite de motor van spirituele groei.

En dan groei je, en dan zou je als het ware tijdens je leven een staat van verlichting kunnen bereiken die al die eenheid van ervaring en ervaarder ervaart, maar die zich nog niet totaal verbonden voelt met die oceaan van gewaarzijn, omdat er nog een incarnatie aan de gang is. In het Tibetaans boeddhisme is het moment van sterven cruciaal. Als je tijdens je leven voldoende beoefend hebt en dus voldoende stabiel bent in je gewaarzijn, dan zou op het moment dat het lichaam uit elkaar valt, je identificatie met het gewaarzijn kunnen dóórlopen en als het ware kunnen samenvloeien met de oceaan van gewaarzijn.”

En wat is het voordeel daarvan?

“Vrij zijn van lijden. Dat lijkt me wel logisch.”

Dus de materie zit vol met lijden, maar dat is alleen maar bedoeld om het bewustzijn te verhogen, en als dat voldoende gebeurd is dan kan het lijden stoppen?

“Ja, zoiets. Want wat is lijden? Het vloeit altijd voort uit het niet herkennen van de werkelijkheid zoals hij werkelijk is. Elke vorm van lijden vloeit voort uit verzet tegen de werkelijkheid.

Maar dan kom je toch een heel eind met zelfcompassie en zelfacceptatie, met je ego intact?

“Ja, dat kun je in een dag doen, je leest een boek en zegt: ‘Kom, nu ga ik alles van mezelf accepteren.’ Maar vervolgens gaat een kind van je dood of je gaat zelf dood of je geliefde gaat ervan door. Lukt het dan om het te accepteren? Ego is zo gewend om in verzet te gaan tegen ongemakkelijke gevoelens. Tegen de mógelijkheid om ongemakkelijke gevoelens te krijgen, gaat ego al in verzet. Die angst bijvoorbeeld om onze mond open te doen in een gezelschap van vreemden. Om vooral geen flater te slaan. En dat zijn nog maar kleine ongemakjes. Dus laat staan als je leven helemaal gebouwd is op je liefdesrelatie en je baan en je functie als vader of moeder en daarin valt ineens een groot gat… Ego gaat dan door een hel. Het is voor ego’s moeilijk te begrijpen dat de hel niet zit in het feit dat je partner dood gaat, maar in het verzet ertegen, dat je je er niet aan overgeeft. Die overgave moet je zelf realiseren.”

Maar je kunt toch wel gewoon verdriet hebben?

“Er is onderscheid tussen pijn en lijden. Als je je been breekt, doet dat pijn, fysieke pijn, omdat je een lichaam hebt. Hetzelfde op psychologisch niveau: we zijn sociale wezens dus we hechten ons aan andere mensen, en als daarin een breuk ontstaat – die altijd plaatsvindt, want niets is permanent – dan hebben we psychologische pijn, een soort ontwenningsproces. Dat is pijn, onvermijdelijk. Maar in beide gevallen wordt het lijden eraan toegevoegd door het verzet ertegen.

Als je de pijn helemaal kunt doorvoelen, brengt dat je dichterbij jezelf, bij wie je werkelijk bent. Als je het kunt laten om erover na te denken, alleen zegt: ‘Ik voel gemis, nou oké dan…’”

We zijn nou eenmaal sociale wezens, zei je nu. In het boek schreef je: je hebt niemand anders nodig. Hoe zit dat?

“Het ego heeft anderen nodig, de bodymind heeft anderen nodig. Wie je werkelijk bent, heeft niemand nodig want die is al iedereen, is al verbonden met alles. De mate waarin we daarvan vervreemd zijn, en geïdentificeerd met het ego, bepaalt in welke mate we andere mensen nodig hebben. Dat ego anderen zo hard nodig heeft, komt doordat ego gelooft dat hij van zichzelf niet volmaakt is. Dat leren we allemaal aan in onze jeugd: zoals we geboren worden, zijn we niet goed.”

Als je nog geen Boeddha bent, ben je toch niet goed genoeg?

“Je bent het wel, maar je realiseert het je niet. Identificatie met ego geeft je de misvatting dat je niet goed genoeg bent, dat je van jezelf niet gelukkig kunt zijn. Dat is waarom we ons sociale wezens noemen.”

De ondertitel van je boek is ‘De levenscrisis als spirituele doorbraak’. Is het nodig om iets ergs mee te maken om verder te groeien?

“Ja, dat is mijn eigen ervaring en ik merk het ook aan anderen: een crisis is een wake-up call. Je kunt jaren mediteren en ook op de juiste manier, maar als het lekker loopt in je leven, ontwikkel je alleen maar een potentieel. Pas als ego echt tegen de lamp loopt, keert het egosysteem zich tegen zichzelf. Het mooie van lijden is dat het bewustzijnsgroei tot gevolg heeft, vooral als het zich herhaalt. Als je de eerste keer ontslagen wordt, denk je nog: de baas is een klootzak, maar de derde keer kan dat niet meer, dan ga je naar jezelf kijken. Burnout is ook voor veel mensen een soort wakker worden. Je dacht dat je gelukkig zou worden door 80 uur in de week keihard werken, en dan brand je af en je denkt: waar ben ik mee bezig? Dan ga je in therapie of training om een gezonder ego te ontwikkelen, maar voor sommige mensen is het duidelijk dat er nog iets meer te doen is dan dat, en die komen bij spirituele stromingen terecht.

De Boeddha in jou wacht op verlossing, en die klopt op hardhandige wijze op jouw deur: ‘Hallo, zou je niet eens kijken wie je werkelijk bent?’ Het kan een eenzaamheidscrisis zijn of een depressie, maar het is vaak een relatiecrisis. De allerdiepste verlatingsangst wordt getriggerd als je liefdesrelatie bedreigd wordt.”

Boekgegevens
Jan Geurtz, Over liefde en loslaten, De levenscrisis als spirituele doorbraak, Ambo/Anthos, € 19,99, verschijnt: 21 februari 2017. Bij het boek kun je meditatiekaarten kopen, waarmee je kunt oefenen in het doorzien van pijnlijke emoties. Zie ook www.jangeurtz.nl.

lisette

Lisette Thooft

Journalist

Lisette Thooft is rebalancer, schrijfster, spreekster, lijf- en schrijfcoach. Sinds jaar en dag is ze ‘huisfilosofe’ van het spirituele …
Profiel-pagina
Al één reactie — praat mee.