Prof. dr. Judi Mesman (49) is sinds 2009 hoogleraar bij de Universiteit Leiden. Haar onderzoeksterrein is sociale (on)rechtvaardigheid met speciale aandacht voor intergenerationele vraagstukken. Sinds kort is Mesman ook universiteitshoogleraar. Haar specifieke opdracht als ‘distinguished professor’ is de komende vijf jaar “zichtbaarheid, reuring en activiteit creëren rond het thema maatschappelijke verantwoordelijkheid en impact.” Mesman maakte naam met onderzoek naar de rol van opvoeders in het ontstaan van racisme bij kinderen. Ze schreef er het boek ‘Opgroeien in kleur’ over.

Recent rondde zij het onderzoek ‘Leiderschap in kleur’ af. “Dat is mijn meest persoonlijke onderzoek omdat ik zelf een leider van kleur ben.” Mesman is een kind van een Indische moeder en een witte vader. “Mijn twee zussen en ik zijn Indo’s. Onze voorvader Johannes Mesman voer eind achttiende eeuw vanuit Vlissingen naar Makassar en trouwde in Indië met een vrouw van kleur. Ook daarna is er op verschillende plekken in onze stamboom vermenging met de lokale bevolking.” Mesman werd geboren in Aduard in Groningen, maar verhuisde al heel jong naar de Bollenstreek. Daar groeide ze op in een progressief gezin.

“Mijn ouders zijn nog steeds sociaal en maatschappelijk betrokken. Ik ben opgegroeid met idee dat je iets kunt betekenen voor de samenleving. Mijn vader werkte in de psychiatrie. Hij beijverde zich voor het scheppen van kansen voor de gemarginaliseerde groep van mensen met een psychische stoornis. Mijn moeder werkte in het jongerenwerk, het vormingswerk en het onderwijs. Ze leidde schooldirecteuren op. Ons gezin had geen connectie met een geloof. Ik ben zelf een onverbeterlijke atheïst.”

Nadat haar ouders waren gescheiden, woonden Judi en haar zusjes bij hun alleenstaande werkende moeder. “We hadden het niet breed. En een gezin van kleur zoals het onze, met excentrieke kleding, dat vonden conservatieve Bollenstrekers vreemd. Ze wisten niet eens wat een Indo is. Hoe het is om er niet bij te horen en op allerlei fronten als anders te worden gezien, heb ik als kind aan den lijve ondervonden. Ik bewaar geen prettige herinneringen aan mijn jeugd in de Bollenstreek. Ik was de donkerste en kreeg vaak te horen: ‘ga terug naar je eigen land’ – en dat soort onzin.”

“Ik heb Bollenstrekers ervaren als hardwerkende rouwdouwers van het type doe maar gewoon, dan doe je gek genoeg. Ik wil niet een hele streek stigmatiseren, maar ik heb de cultuur in de Bollenstreek ervaren als hard en uitsluitend. Je merkte het aan kleine dingen op school. Wij kregen geen uitnodiging voor activiteiten waarbij ouders konden meehelpen want ‘jullie moeder kan toch niet, die werkt’. Helaas was dit niet raar, maar gewoner dan je zou denken. Het heeft me sterker gemaakt. Mijn zussen en ik zijn niet zo snel meer onder de indruk van iets.”

Judi Mesman ging na het vwo psychologie studeren in Leiden. “Ik vond dat vak superleuk. Mijn eerste studieboek heb ik nog steeds. Ik heb het verslonden. Mensen intrigeerden me al vanaf dat ik piepjong was, zegt mijn moeder. Ik wilde altijd mensen doorgronden.” Na haar studie in Leiden promoveerde Mesman op haar 26ste in Rotterdam. Daarna keerde zij terug naar Leiden waar ze aan de slag ging als wetenschapper, onderzoeker en docent. Mesman woont nog steeds in Leiden. Ze heeft twee volwassen dochters en een non-binaire tiener.

Na tien jaar bestuurlijk werk bij haar universiteit begon in 2022 voor Mesman een nieuwe levensfase waarin ze ondermeer ruimte kreeg voor haar onderzoek naar leiders van kleur. Lachend: “Mijn dochters noemen me soms oud, maar ik ben pas op de helft van mijn leven. Mijn Indische oma is 101 geworden.” Mesman is naast hoogleraar en onderzoeker docent interculturele pedagogiek. Ze heeft met haar team de minor ‘De (on)rechtvaardige samenleving’ ontwikkeld. Een masterprogramma met hetzelfde thema is nog in ontwikkeling. Zelf geeft Mesman in de minor het vak ‘Woke in de Polder’.

“Veel dingen zijn hier beter dan in andere landen, maar we kunnen nog veel inclusiever en gelijkwaardiger met elkaar omgaan. Je hebt hier bijvoorbeeld ook arbeidsuitbuiting. Er is nog veel werk te doen. Iedereen moet daaraan bijdragen. Zo verander je de normen. Je kunt van alles vinden van de excuses van premier Rutte en de koning voor het slavernijverleden, maar onderschat het normaliserend effect ervan niet. Als mensen met voorbeeldfuncties dit soort excuses maken, dan heeft dat gaandeweg een normaliserend effect. Helaas lijkt het nieuwe kabinet een tegenovergestelde voorbeeldfunctie te krijgen. Hopelijk blijf het niet lang zitten.”

Mesman startte haar pedagogiek-onderzoeken met het bestuderen van kinderen in witte middenklassengezinnen. “We keken naar kinderen met gedragsproblemen in gemiddelde Nederlandse gezinnen. We deden onderzoek naar beperkte populaties. Daarom zijn we buiten de mainstreamgroepen gaan kijken. We hebben een groot programma uitgevoerd met mensen over de hele wereld. Dat heeft 10.000 uur video opgeleverd over de dagelijkse praktijk van kinderen opvoeden in 25 landen.” Mesman ging met het materiaal de boer op om het te tonen aan mensen die werkzaam zijn in de jeugdzorg en het onderwijs.

“Nederlandse professionals hebben vaak een beperkte blik op wat goed opvoeden zou moeten zijn. Uit ons materiaal kwam naar voren dat een belangrijk aspect in de opvoeding – sensitiviteit, dus aandacht hebben voor de behoeften van je kind – overal voorkomt, maar er in verschillende culturen anders uitziet waardoor het hier vaak niet wordt herkend. Sensitiviteit kan in gezinnen van kleur minder verbaal zijn, met minder oogcontact en met weinig spel. Dan oordelen professionals bij gezinnen van kleur: de opvoeding deugt niet. Professionals weten vaak niet waar ze naar kijken. En ze kijken met een enorme culturele normativiteit. Het gevolg is dat gezinnen van kleur niet de juiste zorg krijgen en niet op waarde worden geschat.”

Als voorbeeld noemt Mesman een video van een gezin in het Amazonegebied in Peru. “Je ziet hen op de grond zitten, op een houten vloer. In westerse ogen is het een rommeltje. Er staat een tv aan. Een kindje van anderhalf krijgt met een lepel eten van haar moeder. Er zijn ook andere kinderen en er loopt een hondje rond. Er is een hoop gedoe. Het kindje doet er driekwartier over om haar bord leeg te eten omdat de moeder alle afleiding toelaat. Dus het kindje speelt met haar zus en lacht om iets grappigs. Een broertje komt binnen met een stuk brood en dan krijgt de kleine ook een stuk brood.”

“Wij denken in het westen: dat kind moet gewoon dooreten. Wij redeneren vanuit ons beeld van rust, reinheid en regelmaat. Maar in het Peruviaanse Amazonegebied doen ze het anders. En toch gaat alles in pais en vree. De mensen daar leven minder naar de klok. De moeder heeft veel oog voor de behoefte van het kleintje aan sociale contacten. Ze gaat daarom niet met de lepel tegen dat kind haar mond duwen. Mama heeft alle geduld van de wereld en is heel sensitief. Als ik studenten vraag: wat zou je die moeder voor tip geven, dan hoor je toch: aan tafel eten op een vaste tijd.”

“Ik vraag dan altijd: waarom? En dan komt er geen reden. De studenten willen het alleen maar omdat ze het normaal vinden, het zo gewend zijn. Pedagogische redenen om niet op de grond te eten zijn er niet. Het is in Nederland handig als een kind wel weet dat op de grond eten hier niet zo geaccepteerd is, maar kinderen leren heel snel dat er op verschillende plekken andere regels gelden. Zo gedraag je je in een zwembad ook anders dan in de bibliotheek. Het enige dat ik altijd aankaart is: dat kleine meisje krijgt aan het eind van de video een flesje zoete prik. Dat zou je niet moeten geven want zo’n drankje is heel slecht voor peutertandjes. Hier en in Peru.”

Volgens Mesman bestaat er in de jeugdzorg en het onderwijs veel onbegrip over andere culturen. “Zo kwam ik op racisme en seksisme in de opvoeding naast vooroordelen en stereotypen in het algemeen. Voor het boek ‘Opgroeien in kleur’ hebben we met een groot team onderzoek gedaan naar de ontwikkeling van vooroordelen en stereotypen bij witte Nederlandse kinderen, Turks-Nederlandse kinderen, zwarte Nederlandse kinderen en Chinese Nederlandse kinderen. Wat bleek: in witte gezinnen wordt heel weinig gesproken over huidskleur.”

“Zelfs als je ze spelletjes aanbiedt met plaatjes met overduidelijke verschillen tussen het uiterlijk van mensen qua huidskleur en cultuur, dan nog praten witte ouders er liever niet over. In Amerika is aangetoond dat dat de dominante manier is waarop witte ouders hiermee omgaan. Natuurlijk wil niemand onderscheid maken naar huidskleur. Niemand wil racistisch zijn. Maar uit mijn onderzoek en onderzoek uit de VS blijkt dat de kleurenblinde aanpak averechts werkt.”

“Ouders gaan dus angstvallig vermijden te zeggen dat er in de klas van hun witte kind één zwart jongetje zit. Ja, zeggen ze dan, ik bedoel dat jongetje met die blauwe fiets. Terwijl, dat jongetje is superduidelijk aanwezig. Zo’n zwart kind weet ook dat je het benoemen van zijn huidskleur angstvallig vermijdt. En jouw witte kind weet dat ook. Dat denkt: we zien het allemaal, maar niemand heeft het erover. Dan is er kennelijk iets met dat zwarte jongetje. Dat is eng. En dan wordt de huidskleur benoemen een taboe.”

“Een ander voorbeeld is iets dat ik zelf heb meegemaakt in het zwembad. Daar zat een zwarte meneer. Een witte peuter ging naar die man staan staren. Dat doen peuters bij alles wat ze nog niet hebben gezien: ernaar staren. De moeder rukte het kind weg, met een enorme rode kop. Dat werkt dus averechts. Die peuter leert dat mama heel ongemakkelijk wordt van een zwarte meneer. Zo’n meneer is dus kennelijk iets engs. Mama bedoelde het goed, maar je moet geen taboesfeer creëren rond mensen die er anders uitzien dan jij. Niet alleen bij mensen van kleur maar bijvoorbeeld ook niet bij mensen in een rolstoel.”

“Voor mensen van kleur is hun culturele/etnische/raciale identiteit vaak een belangrijk onderdeel van wie ze zijn. Het bepaalt welke kansen ze krijgen. Hoe mensen naar hen kijken. Hoe ze zijn opgevoed. Hoe ze behandeld worden. Als dat volledig genegeerd wordt, dan zie je iemand niet in zijn volledigheid. Hoe moet het dan wel? In het geval van de starende peuter had de moeder ook met een glimlach kunnen zeggen: die meneer ziet er heel anders uit dan papa, hè. Dat is precies de reden waarom het kind naar die man keek. Die zwarte meneer weet ook dat hij zwart is en in een witte omgeving zit, en dus opvalt. Er had een leuke, leerzame interactie kunnen ontstaan.”

“Soms is het toch een kwestie van je oor te luisteren leggen. Er is zoveel informatie over dit onderwerp beschikbaar. Veel aanstaande ouders bespreken uitgebreid hoe ze hun kinderen gaan opvoeden. Gaan we in de stad of op het platteland wonen? Naar welke school sturen we de kinderen? Gaan we vegetarisch eten of juist niet? Hoe doen we het met schermtijd en jongens- en meisjesdingen. Mag onze zoon met een pop spelen? Ouders willen niet dat hun kind racistisch wordt, maar ze praten er niet over wat dat concreet betekent. Als je dit onderwerp serieus neemt dan moet je het erover hebben met elkaar en met je kinderen.”

“Wat betekent racisme in ons leven? Waar wonen wij? Hoe gemengd is onze wijk? Wat voor werk doen we? Wat doen wij als er een racistische grap wordt gemaakt bij de koffieautomaat. Welke rol hebben we zelf? Je kunt wel tegen racisme zijn, maar wat betekent dat feitelijk. Wat weet je erover? Hoeveel mensen van kleur ken je? En wanneer is iets racisme? Doe je voorwerk, dan kun je het onderwerp met meer zelfvertrouwen tegemoet treden. Vaak hebben ouders geen idee waar ze het over hebben. Ja, we zijn tegen racisme want dat is slecht, maar met zo’n vage notie kom je niet ver. Je moet zelf onderzoek doen.”

“Er wordt vaak gezegd: maar die ouders bedoelen het toch goed. Dat zal best, maar op een gegeven moment moet je ook je verantwoordelijkheid nemen. Als je door het toeslagenschandaal je kinderen en je huis kwijt bent en diep in de schulden zit, dan maakt het niet uit of een ambtenaar goede bedoelingen had. Een goede bedoeling zou moeten inhouden dat iemand ervoor zorgt dat racistisch gedrag stopt – of nog beter: wordt voorkomen. Maar dat vergt wel iets van mensen. Het is een complex verhaal, maar het begint met bewustzijn.”

“Mensen zeggen vaak: het gaat niet over mij, maar alles wat in de maatschappij gebeurt, gaat ook over jou. Als je echt wilt dat je kinderen, de maatschappij en de overheid niet racistisch zijn, dan moet je er actief iets tegen doen. Maar je kunt er na zelfonderzoek natuurlijk ook achterkomen dat je racisme eigenlijk niet zo heel erg vindt. Als je op de PVV stemt, dan vind je racisme niet zo erg want de PVV is een uitgesproken racistische partij. Helaas was dat voor BBB en VVD kennelijk geen dealbreker. En dat ook NSC aan tafel zat met een racistische partij vind ik onbegrijpelijk.”

“Politiek lijkt soms iets abstracts dat ergens in de ruimte gebeurt, maar het raakt iedereen. Ik hoorde van zwarte kinderen die direct na de verkiezingswinst van de PVV thuiskwamen en zeiden: papa, ze zeggen in de klas dat ik binnenkort weg moet. Politiek raakt mensen direct, komt huishoudens binnen. Kijk, als we nu een post raciale samenleving zouden hebben, dan zouden we het er niet meer over hoeven hebben, maar we zitten nog midden in een maatschappij waarin alles wat racistisch is blijkbaar gewoon gezegd mag worden. Dat is schokkend. Te bar voor woorden. Wat Hans Janmaat van de Centrumpartij in mijn jeugd zei, dat wordt nu overtoept.”

Ook leiders van kleur krijgen te maken met wantrouwen, dedain, racisme en tegenwerking. Mesman interviewde er veertig. “Ik wilde de interviews persoonlijk doen. Mijn positie als leider van kleur maakte dat mensen mij dingen vertelden die ze aan mijn studenten nooit hadden verteld. Ik was een geloofwaardige en volwaardige gesprekspartner. Sinds het rapport uit is, word ik overspoeld door mensen die zeggen: je hebt mijn leven op papier gezet. Ik heb gehuild. Ik voel me nu gezien, gehoord, begrepen, geïnspireerd. Ik ben niet alleen. Ik heb woorden gekregen voor wat ik al jaren ondervind en ervaar. Dat heeft me geraakt. Ik had het niet verwacht. Ik vind de reacties mooi en verdrietig tegelijk.”

Judi Mesman Portret (Annabel Oosteweegel)
Judi Mesman Beeld door: Annabel Oosteweegel

“Hoewel ik een vrouw van kleur ben die formele en informele leiderschapsposities heeft bekleed, zijn mijn ervaringen als Indo anders dan van de meeste geïnterviewden. Men beschouwt mij niet als een ‘echte buitenlander’. In mijn jeugd ben ik gepest, maar Indo’s horen hier. Iedereen eet nasi, zeg ik altijd. Indo’s zijn niet zo spannend. Ik ben cultureel ook heel Nederlands, net als mijn ouders die beiden in Nederland zijn geboren. De Indische en Nederlandse cultuur zijn al lang vervlochten. Ik ben dus niet zo heel anders. Indo’s worden als ‘dichtbij’ ervaren. Ik heb meer last van mijn vrouw zijn dan van mijn kleur.”

“Zwarte mensen en moslims, zij hebben het meeste te maken met harde en smerige oordelen. Niemand roept: Indo’s zijn dom. Dat doet men bij zwarte mensen en moslims wel. Zij maken echt wel hele andere dingen mee, ook als leider. De helft van de mensen die meededen aan mijn onderzoek waren ondergeadviseerd in het onderwijs. Hun leven was een uphill battle vanaf dag één. Het zijn onderwijsstapelaars. Knokkers. Overlevers. ‘Je wordt er hard van, leert omgaan met tegenslagen’, zeggen ze. Maar dit zijn de mensen die het gered hebben. Velen redden het niet. De weg naar leiderschap is voor mensen van kleur heel moeilijk.”

Toch ziet Mesman ook positieve ontwikkelingen. Het aantal leiders van kleur neemt gestaag toe en er is geen organisatie meer die zich – in ieder geval op papier – niet bezighoudt met diversiteit en inclusiviteit. “We zijn zeker verder dan tien jaar geleden. Toen was dit helemaal geen onderwerp. Nu staan diversiteit en inclusiviteit op ieders netvlies. Op alle HR-afdelingen is het aan de orde. Er wordt daar nu gekeken naar impliciete vooroordelen bij het beoordelen van competenties in cv’s en bij het voeren van sollicitatiegesprekken. Dat gaat steeds beter.”

“Het kan voor de bühne zijn, maar representatie – zeker in de leiding – leidt op termijn toch tot normalisering van de aanwezigheid van mensen van kleur in bedrijven en de samenleving. Op alle plekken. De politiek zet stappen terug, maar de stemmen van kleur krijgen meer een plek. Voor leiders van kleur is hun werk wel een dubbele baan. Ze moeten hun werk doen en representant zijn van hun achterban. Leiders van kleur krijgen – soms in hun gezicht – te horen dat ze hun positie te danken hebt aan hun kleurtje. Ze worden vaak niet serieus genomen.”

“Als je als leider iets wilt doen aan diversiteit en inclusiviteit in je tent, dan roept dat enorm veel weerstanden op. Je wordt er al gauw van beticht dat je je stokpaardje van diversiteit en inclusiviteit berijdt. Daarnaast ben je ook gewoon de directeur. Rolmodel zijn is mooi, maar precair en zwaar want je mag niet falen. Je achterban kijkt naar je. Als jij faalt, heeft jouw groep gefaald. Dan is het: zie je wel, ze kunnen het niet. Als een vrouw faalt, hebben alle vrouwen gefaald. Als witte man Kees faalt, heeft alleen Kees gefaald. Dan was Kees gewoon niet zo’n goede directeur. Zo werkt het, blijkt uit onderzoek.”

“Bij successen werkt het precies andersom. Dan is het de verdienste van Kees en niet van Stanley. Het is een hardnekkige materie. Leiders van kleur worden niet gezien als individu maar als groepsrepresentant. Ze worden aan de top niet vanzelfsprekend geaccepteerd. Ze krijgen niet vanzelfsprekend steun en erkenning. Ze krijgen niet altijd erkenning voor hun prestaties. Het is gevaarlijk aan de top. Ze worden sneller afgebrand als ze falen. Maar de leiders die ik heb gesproken, leven niet in een tranendal. De meesten zijn tevreden, competente, inspirerende mensen met passie voor hun vak. Maar ze maken ook die negatieve dingen mee.”

“In het bredere maatschappelijke discours lijken we terug in de jaren dertig. Maar de groepen van kleur laten zich niet stoppen. Die maken televisie, radio en podcasts. Die organiseren zich. Die zitten op scholen en universiteiten. Die laten van zich horen op social media. Maar als je zwart bent dan blijf je – ook al ben je hier geboren – in de ogen van veel mensen anders. Toch zie ik in de populaties van kleur dat mensen hun plek pakken. Ze voelen zich empowered. Ik kom ook steeds meer witte mensen tegen die zeggen: moeten we niet beter letten op de diversiteit in ons team? We zijn er nog lang niet, maar deze krachten kun je niet stoppen, ook niet met een stomme regering.”

Mesman vindt dat ook het demissionaire kabinet op het terrein van gelijkwaardigheid en inclusiviteit grote steken heeft laten vallen. “Het is schandalig dat Nederland zich onthoudt bij stemmingen over de oorlog in Gaza. Er is enorme sympathie voor Israël, maar niet voor de Palestijnen. Tja, dat is De Ander. Dat zijn moslims. Hoe zij behandeld worden, dat is ook een vorm van racisme.” Mesman meent dat Nederlandse universiteiten, ook de hare, zich duidelijker moeten uitspreken over de behandeling van de Palestijnen.

“Toen Rusland Oekraïne was binnengevallen, verbraken we de banden met instituten in Rusland. Er hingen overal Oekraïense vlaggen. Er werden regelingen getroffen voor studenten. Nu vecht Israël in Gaza en zijn universiteiten ‘neutraal’, maar dat kan niet. Op de deur van mijn woonkamer hangt, heel groot, een uitspraak van Desmond Tutu: ‘If you are neutral in situations of injustice, you have chosen the side of the oppressor’. Je steunt dan inderdaad de status quo en de macht.”

“Ik weet hoe moeilijk het is – rekening houdend met je raad van toezicht, je staf, je studenten en je geldschieters – om je uit te spreken, maar je moet als bestuurder en als instituut achter je basiswaarden blijven staan, ook als mensen boos worden. Er worden altijd mensen boos. Dat kan nooit een overweging zijn om iets wel of niet te doen. Als bestuurder moet je staan voor de kernwaarden van je ambt. Hoe hoger je komt, hoe meer je je zou moeten uitspreken. Dat zeggen mijn kinderen ook. Mam, jij hebt een stem. Jij hebt een machtspositie. Ik probeer daarom moediger te zijn.”

hansinvernizzi

Hans Invernizzi

Journalist

Hans Invernizzi is journalist en werkte dertig jaar bij hogeschool Windesheim in Zwolle als docent en manager bij de opleiding …
Profiel-pagina
Nog geen reactie — begin het gesprek.