Over kritische vragen bij uitsluitend mannelijke taal voor God, zegt Van den Berg: “Neem Elisabeth Schüssler Fiorenza, een feministisch theologe, die vond dat we de Bijbel moeten lezen vanuit een ‘hermeneutiek van het wantrouwen’. Dit betekent dat je als vrouw of LHBT altijd met een zekere reserve onderdeel uitmaakt van je traditie, omdat de grote geloofsconcepten vooral de belangen en interesses van mannen weerspiegelen. Dat kritische perspectief kan ons helpen om dingen te laten oplichten die in de traditie onder een laag stof bedolven zijn. Denk aan de vergeten verhalen en de voorstellingen van God die we niet gebruiken, maar die de traditie ook aanreikt.”
Een voorbeeld van een Bijbelverhaal dat haar inspireert is dat van de wake van Rispa. “Het verhaal steekt in op het moment dat David de macht heeft overgenomen van Israëls eerste koning, Saul. Het land krijgt te maken met een jarenlange droogte. De oorzaak blijkt te liggen bij Saul: hij heeft zich misdragen tegen de Gibeonieten. Daarmee schond hij een pact dat eeuwen eerder al met hen was gesloten. Toen wisten de Gibeonieten door middel van een list te ontkomen aan het geweld dat gepaard ging met het innemen van het beloofde land, en dat we nu etnische zuivering zouden noemen. Ze mochten blijven leven en genoten enige bescherming, maar bleven wel tweederangsburgers die zwaar werk moesten verrichten. Om de relatie met hen te herstellen geeft David zeven mannelijke nakomelingen van Saul, waaronder twee zonen van diens bijvrouw Rispa, over aan de Gibeonieten om door hen ter dood te worden gebracht. Tegen de voorschriften van de Thora worden de mannen vervolgens niet begraven.”
Dan komt Rispa in actie: zij spreidt een kleed uit en gaat maandenlang bij de lijken zitten, om de dieren bij hen weg te houden. Als David dit hoort besluit hij alsnog deze mannen een respectvolle begrafenis te geven. “Er zit een verband tussen de manier waarop we met elkaar en met de doden omgaan en hoe we menselijke waardigheid beschermen. Eerder bracht ik dit verhaal in verband met de realiteit van de slachtoffers van vlucht MH17, die in 2014 werd neergehaald door pro-Russische rebellen in Oekraïne. Mensen in Oekraïne werd toen verweten dat zij niet respectvol met de lichamen van de slachtoffers om zouden gaan. Later bleek juist het tegenovergestelde: men had met veel zorg naar hen gezocht, vlaggetjes geplant, een groep vrouwen kookte dagelijks voor de mensen die dat moeilijke werk moesten doen.”
“Tegenwoordig denk ik bij dit verhaal vooral aan het lot van de Palestijnen, wier land is afgenomen, en die nu als tweederangsburgers leven in Palestina. Ook hun levens worden niet menswaardig gevonden door Israëli’s die hen daar weg willen hebben. Dat komt tot uitdrukking in Israëls omgang met de levenden én met de doden.
Israël bombardeerde regelmatig begraafplaatsen van Palestijnen die omkwamen in Gaza. Op de Westelijke Jordaanoever dwongen kolonisten een man om zijn vader weer op te graven en elders te begraven. Het verhaal van Rispa laat zien dat een daad van geweldloos verzet de menselijkheid van de ander weer naar boven kan halen en dat het uithoudingsvermogen van één vrouw een politieke wending tot stand kan brengen. Ik lees het als een oproep om recht te doen en ons bewust te zijn dat we leven in een wereld waarin we steeds uitgenodigd worden om de ene mens wel en de andere mens niet als menselijk te zien. We kunnen er voor kiezen daar niet in mee te gaan.”
Ook vanuit feministisch perspectief vindt Van den Berg het belangrijk om dit soort verhalen te lezen en een grotere plek te geven. “In het christendom zijn we gewend geraakt aan geijkte helden die kenmerkend zijn geworden voor de manier waarop we ons gedeelde verhaal vertellen: Abraham, Mozes, David, Jezus. Ik vind het van belang om ook andere stemmen te laten horen en weg te bewegen van de gestolde ideeën over wat de vooraanstaande figuren zijn. Het kan heel behulpzaam zijn om vanuit het perspectief van de underdog te kijken. De echte held zit vaak in een bijzin.”
Jezus in een mannenlichaam
Feministische theologie gaat voor Van den Berg ook over vragen rond gender, godsbeelden en taal. “Hoewel God in de Bijbel en de traditie sterk gekoppeld is geraakt aan mannelijk taalgebruik, ervaar ik rond God nog wel een soort vrijheid. God blijft altijd wat ongrijpbaar, dat geeft ruimte. Als het over Jezus gaat, wordt die ruimte voor mij kleiner. In Genesis wordt de mens voorgesteld als zijnde mannelijk en vrouwelijk, tezamen geschapen naar het beeld van God. Met de incarnatie, dus de menswording van God in Jezus, wordt God mens in een mannenlichaam en vervalt dat vrouwelijke.”
“Van Jezus wordt vervolgens gezegd dat hij de gehele mensheid vertegenwoordigde. Daarmee wordt het mannelijke het universele. Hij had kwaliteiten die zeker in zijn tijd als meer vrouwelijk werden opgevat, zoals dienstbaarheid en zelfopoffering. Ook ontbraken geijkte ‘markers’ van mannelijkheid zoals trouwen en kinderen krijgen. Tegelijkertijd kunnen we uit de teksten opmaken dat hij herkenbaar als man door het leven ging en de voorrechten genoot van dat mannenlichaam. Hij had vanuit zijn eigen belichaamde werkelijkheid geen directe toegang tot de specifieke en kenmerkende ervaringen van vrouwenlichamen, zoals menstrueren, zwangerschap, een kind baren of de menopauze. Waarbij aangetekend dat niet alle vrouwenlichamen deze ervaringen delen, en dat bijvoorbeeld ook transgender personen deze ervaringen kunnen hebben.”
Het punt is volgens Van den Berg vooral dat de belangrijkste beelddrager van God die we hebben sinds Jezus, een beelddrager is met een mannenlichaam. “Dat heeft veel gevolgen gehad voor de manier waarop we nadenken over waar goddelijkheid zich kan bevinden, wiens lichaam God mag vertegenwoordigen. En dat heeft weer consequenties voor hoe we de kerk in hebben gericht. Het betekent tot op de dag van vandaag dat vrouwen in het grootste deel van de wereldkerk worden uitgesloten van ambtsfuncties.”
Geloofsgemeenschappen zijn vaak saai
Het huidige onderzoek van Van den Berg gaat over ervaringen van verveling in de kerk die het gevolg zijn van uitsluiting. “Bijvoorbeeld dat je merkt dat al die bijbelverhalen, en zeker ook de uitleg die erbij wordt gegeven, niet jouw ervaringen of zorgen reflecteren. Dat kan er mee te maken hebben dat de kerk zolang gerund is door theoretisch opgeleide mannen, die vaak vanzelfsprekend vanuit hun eigen ervaringen en perspectief dachten en soms nog denken.”
“In mijn onderzoek gebruik ik de term Jezus-moe. Dat gaat over een specifieke vorm van vermoeidheid of verzadiging ten opzichte van de figuur van Jezus. Dat heeft voor mij twee kanten. De ene kant is de vermoeidheid met de orthodoxe Jezus die iedereen komt redden. Ik zie Jezus dan als een soort literaire dooddoener waar alle preken bij uit moeten komen. Aan de andere kant ervaar ik ook een vermoeidheid met een meer progressieve variant van Jezus, die dan vooral een rebelse figuur is die de macht aanspreekt en het opneemt voor minderheden.”
Dat laatste ziet de hoogleraar al als een hele verbetering ten opzichte van de Jezus van het zondeverhaal. “Tegelijkertijd is het ook een eenzijdig beeld van hem dat alleen maar in stand kan worden gehouden door buiten beschouwing te laten wat daar niet zo goed in past. Immers, Jezus zoals we hem tegenkomen in de teksten van de evangeliën, kon soms heel bot zijn tegen vrouwen en hij selecteerde alleen mannen voor zijn inner circle. Hij geeft soms blijk van een sterk ‘in or out’ denken: je gelooft in hem, of niet, en dan loopt het slecht met je af. Dat negeren van meer stekelige of uitsluitende kanten van Jezus wordt op een gegeven moment ook saai, omdat dat evengoed een eenzijdig beeld van Jezus geeft.”
Het onderzoek van Van den Berg gaat over verhalen rond Jezus die zich sluiten, waardoor hij, volgens haar, aan kritiek ontheven wordt. “Alles wat aan kritiek ontheven wordt is saai. En het is ook riskant, omdat het een machtsmiddel kan worden wat niet bevraagd mag worden. Mijn onderzoek gaat over hoe we dit soort beelden kunnen openbreken en tot een eerlijkere manier van geloven komen, waarin ook dat wat ons niet bevalt, een plek kan krijgen. Ik geloof zeker dat de figuur van Jezus een belangrijke rol kan spelen in maatschappelijk verzet tegen onrecht. Maar daarvoor hoeft hij niet perfect of ‘kloppend’ te zijn, liever niet zelfs.”
Verveling als gangmaker
In haar onlangs gehouden oratie aan de Vrije Universiteit met als titel Kapot saai. Een theologie van verveling als belichaamd verzet komt Van den Berg er op uit dat het een verandering kan teweegbrengen als wij aan onszelf toegeven dat sommige dingen saai zijn. Uit een recent onderzoek in opdracht van Tear Fund blijkt dat twintig procent van de volwassenen het saai vindt in de kerk. “Ik vind dat interessant, want tegelijkertijd heb ik het idee dat waar jongeren nog hardop mogen zeggen dat ze het saai vinden in de kerk, volwassenen dat vaak niet meer uitspreken. Om meer te weten te komen over de onderliggende redenen, heb ik gekeken naar de manier waarop er in christelijke media gesproken wordt over verveling. Voor sommigen is de preek te lang en sommigen vinden de kerkdienst in zijn geheel herhalend. Anderen vinden de saaiheid juist fijn, want zij ervaren een kerkdienst, waarin altijd hetzelfde gebeurt, als een rustmoment in hun drukke leven. Weer anderen, veelal vanuit een meer behoudende hoek, zeggen dat het aan jezelf ligt dat het saai is, want dan heb je het nog niet goed begrepen of niet de juiste geloofshouding gecultiveerd. En er is een kleine groep, waar ik bij hoor, die zegt dat het saai is, omdat we het niet écht over onrecht hebben.”
Deze gedachte sluit aan bij wat Moses Alagbe in zijn boek The church is boring! If it is not relevant schrijft: ‘Wat heeft het voor zin als we op zondag bij elkaar komen als we ons niet werkelijk inzetten tegen structureel onrecht in de samenleving?’ “Ik denk dat daar de oorzaak van mijn verveling zit. Er is in de kerk veel taal over gerechtigheid, maar die blijft vaak heel veilig en algemeen. Ik ervaar het christendom echter als een oproep om actief in de wereld te zijn. Er is veel klein activisme wat meer op de achtergrond blijft, en dat is bepaald niet saai, zoals het werk van diaconieën en voedselbanken. Tegelijkertijd denk ik dat de kerk een rol kan spelen in het publiek aanklagen van onrecht dat in de samenleving gebeurt. De paus heeft zich bijvoorbeeld recentelijk duidelijk uitgesproken tegen oorlogsretoriek en machtsvertoon door wapens. En zeer recent heeft de Raad van Kerken zich duidelijk uitgesproken tegen het idee dat christendom en radicaal-rechts gedachtengoed samen kunnen gaan.”
Kerkelijke moed
Het is voor kerken vaak niet gemakkelijk om zich stelliger te laten horen en hun profetische rol op zich nemen, vindt Van den Berg. “Er zit een spanning tussen profetisch zijn en de eenheid bewaren, want niet iedereen in je kerkgenootschap zal het er mee eens zijn. De PKN spreekt zich bijvoorbeeld vrij terughoudend uit over Israël en Palestina, omdat men een grote achterban heeft die aan de zijde van Israël staat. Ook mijn eigen kerkgenootschap, de Nederlandse Gereformeerde Kerken, zijn heel terughoudend in publiek spreken over bijvoorbeeld Israël en Palestina.“
Haar verlangen is een moedig christendom. Voor Van den Berg is moed het tegenovergestelde van verveling. “Moedig zijn heeft er mee te maken dat je lastige gesprekken voert met elkaar en dat je dingen die je spannend vindt toch gaat doen. Het betekent de moed om als kerken naar je eigen zwarte bladzijden te kijken. Dat kun je niet doen vanuit een veilig en onschuldig christendom, want we hebben tweeduizend jaar lang christelijke geschiedenis achter de rug, waarin er dingen zijn gebeurd zoals slavernij, vrouwenonderdrukking, heksenverbrandingen, de kruistochten, het kolonialisme.”
“Die moed betekent dus ook eerlijk terugkijken naar je eigen bronteksten en onder ogen zien dat we ze niet altijd zomaar kunnen omarmen. We kunnen ze wel gebruiken voor verandering. Dat betekent echter een paradoxale beweging tussen er uit putten en er kritiek op hebben. Idealiter is dat wat de kerk voor mij is: een gemeenschap die bij elkaar komt om te spitten in die rijke, maar lastige bronnen, en die het aandurft om vanuit een gemankeerde traditie toch daadwerkelijke risico’s te nemen in een wereld waarin heel veel mensen lijden en onderdrukt worden.”
Van den Berg ziet hoe de realiteit van fascisme, islamofobie en de roep om een terugkeer naar traditionele genderrollen ook in Nederland en andere Westerse landen steeds meer werkelijkheid wordt. “In Amerika wordt kritisch wetenschappelijk onderzoek aan banden gelegd en zijn er politici die expliciet het stemrecht van vrouwen in twijfel trekken. In Nederland neemt de acceptatie van transgender personen snel af. Het verzet tegen de komst van asielzoekers neemt steeds gewelddadigere vormen aan. Deze ontwikkelingen worden door een deel van het christendom omarmd en voorzien van een religieuze legitimatie. Dat vraagt van mensen om in verzet te komen, om iets op het spel te zetten.”
“Wanneer fascistisch gedachtegoed toeneemt, zal verzet daartegen risicovoller worden en op steeds meer verbaal en fysiek geweld kunnen rekenen. Een vraag die mij bezighoudt is of we daar klaar voor zijn. Ik denk het niet, maar ik denk wel dat we kunnen werken aan sterke, moedige gemeenschappen. Dat kan een protestbeweging zijn, maar ook een kerkgemeenschap. Samen kun je het lang volhouden, kijk bijvoorbeeld naar het kerkasiel in Kampen. Je kunt elkaar steunen en een taal en liturgie ontwikkelen die je bij de hand nemen in je verzet.”

9 dagen kunstschouw: 13 schilderijen van vrouwen op het moment van verlies van geborgenheid vanuit eigen vrouwelijke interpretatie en ontdaan van de religieuze context. Heel veel reacties van vrouwen en mannen die dit een verademing vinden. Met groet, lia van de laar kunstschilder en theoloog