Naast hoofdkapitein van de Surinaamse Samaaka-Marrons in Nederland, is Sylvester Aboikoni in het dagelijks leven manager JGZ (Jeugd Gezondheidszorg) bij de GGD Hart voor Brabant. Hij verwacht maatschappelijk engagement en een ethisch reveil van kerken. “Opdat de kerken zich verlossen van hun historische erfzonden. Dat betekent het gesprek over slavernij en racisme ter discussie stellen. Kerken hebben nagelaten kritisch te kijken naar de structurele oorzaken achter racisme en onrecht. In geval van excuses en erkenning, hebben de kerken nog een significante rol te spelen.”

Als kind is hij gedoopt en was hij misdienaar bij de St. Rosa kerk in Suriname. Hij vond de kerkdiensten niet spectaculair en de Bijbelse verhalen resoneerden onvoldoende met zijn persoonlijke leven. Aboikoni beschouwt zichzelf als niet-religieus, bovenal is hij een spiritueel mens. Hij is geïnspireerd door de verhalen van Franciscus van Assisi, een van de grootste heiligen van de katholieke kerk uit de twaalfde eeuw. Aboikoni: “Franciscus laat zien dat leiderschap niet alleen gaat over kracht of autoriteit. Maar ook over reflectie, wijsheid en het vermogen om te leren van verschillende bronnen. Hij is mijn lichtend voorbeeld van een veerkrachtige leider die zowel kritisch als open-minded is.”

“Bij spiritualiteit ligt de nadruk op innerlijke beleving. Geloof is meer dan een spirituele overtuiging; het is een diepgeworteld vertrouwen in jezelf. Gemiddeld bezoek ik twee tot drie keer per jaar een kerk om mijn spirituele honger te voeden. Marronleiders hebben geen aversie tegen de kerken. Mijn grootvader, wijlen Granman Agbago Aboikoni, heeft de kerken ook nooit verboden, ondanks hun discutabele rol in onze geschiedenis. In sommige dorpen waren kerken prominent aanwezig. Behalve in de dorpen waar ons Winti-geloof en onze rituelen centraal staan. Tegenwoordig zijn veel Marrons christen en dan in overeenstemming met onze geschiedenis en cultuur.” Christelijke kolonialen ontnamen de slaven destijds hun godsdiensten en bepaalden hoe de oorspronkelijke bewoners moesten leven. De animistische religies van de slaven werden als ‘primitief afgodendom’ gezien.

Winti-religie

Winti is de religie die tijdens de slavernij in Suriname is ontstaan. De tot slaafgemaakten uit Afrika brachten hun eigen religies en spirituele rituelen mee die ze vermengden met elementen uit de inheemse tradities van Suriname. Deze religie kent geen geschreven bronnen, het geloof is van generatie op generatie doorgegeven. Het is een soort mix van mythologie, filosofie en natuurreligie met diep verankerde wortels in de Surinaamse cultuur. Winti richt zich op harmonie, respect voor de natuur, respect voor het leven, rechtvaardigheid en dienstbaarheid aan de gemeenschap.

Uit de resultaten van een recente studie dd. juni 2023 van onderzoeker en hoofddocent aan de VU Dienke Hondius – resultaat van een samenwerking tussen de Protestantse Theologische Universiteit, de Vrije Universiteit Amsterdam en de Universiteit van Curaçao – blijkt dat de rol van kerken bij de slavernij ondersteunend was: “Overal waren zogeheten ‘kerkplantingen’. De protestantse christenen plantten een kerk naast een vlag. Nadat de slavenhandel was verboden in de negentiende eeuw, bleven de kerken. De kerk en de koopman waren vanaf de zeventiende eeuw letterlijk met de hand op de Bijbel betrokken bij slavernij. Ook in Suriname, op Curaçao en in andere plaatsen waar de slavenhandel plaatsvond.

Slavenhandelaren hebben praalgraven in Nederlandse kerken. Deze handelaren, en ook plantage-eigenaren, deden grote donaties aan de kerken en betaalden predikanten die in Suriname waren voor zending. Sommige kinderen van witte eigenaren en tot slaafgemaakte vrouwen werden gedoopt. In de meeste gevallen werd het kind of de moeder niet vrijgemaakt. Karikaturale afbeeldingen van zwarte mensen, ‘morenkoppen’, komen vaak terug op schilderijen, grafzerken en in glas-in-loodramen in de kerken. Deze materiële uitingen, net als het theologische denken over de slavernij en de omslagmomenten daarin, worden in het onderzoek onder de loep genomen.”

Marrons

Tussen 1650 en 1830 brachten slavenhandelaren ruim een kwart miljoen Afrikanen naar Suriname. Marrons zijn afstammelingen van tot slaafgemaakten die naar het binnenland van Suriname vluchtten en in stamverband zijn gaan leven. Het achterland van de plantages was een gebied van uitgebreide moerassen en oerwouden. De gevluchte slaven stichtten er dorpen en leefden van de jacht en de visserij.

Op 10 oktober 1760 werd door de koloniale overheid het eerste vredesverdrag met een van de stammen van de Marrons, de Aukaners, gesloten. Deze groep verkreeg hiermee juridische vrijheid en territoriale rechten in het binnenland. Deze datum en dit eerste verdrag staan gegrift in het geheugen van de Marrons. Aboikoni: “De Dag van de Marrons staat in het teken van het erfgoed van onze voorouders. Wij hebben de verantwoordelijkheid om dat erfgoed levend te houden. Ook is deze dag een eerbetoon aan de voorouders en een dag van reflectie over leiderschap van de kapitein. Tegelijkertijd is de kapitein de hoeder en vertegenwoordiger van zijn stam en de Marrongemeenschap.  Trots en plichtsbesef gaan hand in hand. Voor de Marrongemeenschap is 10 oktober een dag van bevrijding, identiteit en eenheid.”

Vervolgens werden in 1762 en 1767 door de overheid verdragen gesloten met respectievelijk de stam van de Saramakaners en van de Matuariërs. In 1765 kwamen er zendelingen aan in het gebied van de Marrons. Zij namen het christelijk geloof aan en lieten hun kinderen naar school gaan.

Het absolute dieptepunt was de Binnenlandse Oorlog die van 1986 tot 1992 duurde, waarin het Surinaamse Nationale Leger vocht tegen de Marron-commando’s van Ronnie Brunswijk. Veel Marrons vluchtten voor het geweld van Desi Bouterse’s troepen de grens over naar Frans-Guyana. Sinds de Binnenlandse Oorlog hebben veel Marrons het bos verlaten om in de stad te wonen, zowel in Suriname als in Frans-Guyana. De Marrons zijn zichtbaarder geworden. In Paramaribo zijn ze nu de snelst groeiende bevolkingsgroep. Maar in de Surinaamse binnenlanden staan de Marrongemeenschappen onder grote druk. Want ze worden door illegale goudwinning, houtkap en roofbouw in hun voortbestaan bedreigd.

Sylvester Aboikoni 1
Sylvester Aboikoni

Aboikoni constateert dat de kerken te lang hebben gezwegen over hun rol in het slavernijverleden. Erkenning, excuses en herstel hadden eerder plaats moeten vinden. “Herstel, heling en reparatie vragen om méér dan woorden. Zoals investeren in educatie en projecten die nazaten van tot slaafgemaakten ondersteunen. Tegelijkertijd is het essentieel dat zij actief worden betrokken bij toekenning en besteding van financiële middelen. In het bijzonder de Marrongemeenschap inclusief Afro-Surinamers. Marronleiders en voorzitters van de voormalige plantages in Suriname moeten vanuit democratisch oogpunt hun gemeenschappen via ‘gran krutu’s’ – dat zijn vergaderingen – nauw bij de besluitvorming betrekken.”

De partijen die over de brug dienen te komen met financiële middelen zijn volgens Aboikoni:

  • De voormalige koloniale staten, waaronder Nederland, Engeland, Frankrijk, Portugal, Spanje en Denemarken.
  • Bedrijven en financiële instellingen die direct of indirect hebben geprofiteerd van slavernij.
  • Religieuze en maatschappelijke instellingen die slavernij hebben gelegitimeerd of gesteund.
  • De CARICOM Reparations Commission (Caribische staten) heeft een concreet tienpuntenplan opgesteld waarin herstel wordt gevraagd van de voormalige koloniale mogendheden. Daarin wordt nadrukkelijk gesteld dat de staten, niet de individuele burgers van nu, de primaire verantwoordelijken zijn, en dat bedrijven en instellingen gerelateerd aan het slavernijverleden en die nog altijd bestaan, ook financieel moeten bijdragen.

Door het slavernijsysteem zijn de nazaten van tot slaafgemaakten systematisch achtergesteld. De impact daarvan werkt nog door in vooroordelen en discriminatie van mensen van kleur. Aboikoni wil de Nederlandse én Surinaamse samenleving een spiegel voorhouden. “Het helpt ons begrijpen waarom open wonden als racisme en ongelijkheid bestaan. Het gaat om heling, bewustwording en historisch recht doen. Dat biedt ruimte voor genezing, herstel in onderwijsachterstanden, arbeidsmarkt en politiek.”

Van 24 maart tot 2 april jl. bezocht een VN-werkgroep Suriname om racisme en discriminatie te onderzoeken. Volgens de VN-experts worden mensen van Afrikaanse afkomst in Suriname, zoals de Marrongemeenschappen, nog steeds achtergesteld. Dat is de conclusie na dit bezoek aan het land. Volgens de VN is er in de wet wel gelijkheid, alleen in het echte leven merken mensen daar weinig van. Structureel racisme zorgt dat de bevolkingsgroep van Afrikaanse afkomst het gevoel heeft er niet bij te horen. Marrons zouden minder kansen krijgen en vaker in armoede leven, terwijl ze juist een grote groep in Suriname vormen.

De VN-groep reisde langs verschillende districten en sprak met jongeren, vrouwen, dorpshoofden, mensenrechtenorganisaties en ook met de regering. De werkgroep roept Suriname op om écht werk te maken van gelijke behandeling en mee te doen aan een speciaal VN-programma: het tweede Internationale Decennium voor Mensen van Afrikaanse Afkomst (2025-2034). Dit programma wil zorgen voor herstel en gelijke kansen, juist vanwege het slavernijverleden. Het volledige rapport met bevindingen en aanbevelingen zal naar verwachting nog in 2025 worden gepresenteerd aan de Mensenrechtenraad van de Verenigde Naties.

Trauma

Sylvester Aboikoni treedt als kleinzoon van wijlen grootopperhoofd Aboikoni in de voetsporen van een illustere Marronleider. Zijn grootvader streed onvermoeibaar tegen ongelijkheid en zette zich in voor de politieke vertegenwoordiging van de Marrons. Dankzij zijn inzet kregen zij actief én passief stemrecht. Aboikoni: “In Suriname toonde hij moed door zich fel te verzetten tegen de komst van het Brokopondo stuwmeer in 1964, dat onze gemeenschap dwong hun leefgebied te verlaten. Ondanks zijn verzet kwam het stuwmeer er toch. Zo klein als ik was, moesten wij opnieuw vluchten. Deze traumatische operatie ervoer ik als een misdaad tegen de menselijkheid.”

Brokopondo, verhalen van een verdronken land (1993)

De aanleg van de Afobakadam in 1964 had ingrijpende gevolgen voor de Marrongemeenschappen in provincie Brokopondo in Suriname. Een gebied ter grootte van de provincie Utrecht werd onder water gezet waardoor duizenden mensen gedwongen werden om te verhuizen. De Marrongemeenschappen zagen met hun dorpen ook een deel van hun identiteit en manier van leven verdwijnen. De Samaaka-Marrons, die vanaf de achttiende eeuw leefden in de binnenlanden van Suriname, moesten hun oorspronkelijke leef- en jachtgebieden verlaten. Zij zochten hun toevlucht in transmigratie-dorpen, die waren opgezet door de regering of in dorpen diep in het binnenland.

In de film maken wijlen regisseur John Albert Jansen, en zijn eveneens overleden Surinaamse gids Dorus Vrede (Samaaka-Marron), een tocht door de binnenlanden van Suriname. Zij gaan op zoek naar de oorsprong van het Brokopondo-project, de voordelen die het project de Surinaamse economie biedt en de gevolgen van de transmigratie voor de Marrons.

Brokopondo, verhalen van een verdronken land (1993) | IDFA Archive.

Kompas

In Nederland werd de grootvader van Aboikoni met groot respect ontvangen door het koningshuis en de politiek. Hij was een waardige vertegenwoordiger van de Samaaka-gemeenschap die hun cultuur, rechten en belangen onder de aandacht bracht. De vader van Aboikoni stond zijn grootvader als zijn rechterhand in zijn bestuursperiode trouw bij. Hij ondersteunde niet alleen zijn beleid, maar droeg ook actief bij aan het verbinden van hun gemeenschap en het versterken van hun positie, zowel in Suriname als in Nederland.

“Hun strijd, wijsheid en vastberadenheid vormen mijn kompas in mijn werk als hoofdkapitein. Het is mijn plicht om hun erfenis te beschermen en te blijven strijden voor de rechten en zichtbaarheid van de Marrongemeenschap waar ook ter wereld. Als bruggenbouwer wil ik het verleden een plek geven in de toekomst. Om samen nieuwe geschiedenis te schrijven.”

Sylvester Aboikoni 2

In Suriname heeft de stok die kapiteins en basiya’s (dorpshoofden en hun assistenten) bij zich dragen een diepe symbolische betekenis. Het is een teken van gezag en leiderschap. De stok is hét zichtbare symbool van hun functie. Wie deze draagt, wordt erkend als vertegenwoordiger van het gezag in het dorp of de gemeenschap. De stok staat niet alleen voor gezag, maar ook voor de spirituele verbinding met de voorouders en de tradities. Het laat zien dat de drager niet in eigen naam spreekt, maar namens de gemeenschap en in lijn met culturele waarden. Kapiteins en basiya’s gebruiken de stok vaak bij bijeenkomsten, vergaderingen of dorpsrechtspraak. Het voorhouden of neerzetten van de stok onderstreept dat wat gezegd wordt “gewicht” heeft en dat besluiten bindend zijn. Bij rituelen, ontvangsten van gasten of officiële gelegenheden is de stok altijd aanwezig. Het is daarmee ook een cultureel-ceremonieel object dat respect afdwingt. Kortom: de stok is geen gewone wandelstok, maar een symbool van macht, autoriteit en culturele continuïteit.

Bron

Dienke Hondius & Niek Emmen. Gids Kerk & Slavernijverleden; Een eerste verkenning. Bron: werkgroepcaraibischeletteren.nl/utrecht-internationaal-symposium-over-kerk-en-slavernij/. LM Publishers, 2023. ISBN 978 94 6022 981 7.

Deze serie is een coproductie van Stichting Heilzame Verwerking Slavernijverleden & Nieuwwij.nl.

Miriam van Coblijn

Miriam van Coblijn

Miriam van Coblijn is journalist en schrijft over diversiteit, medische items, cultuur, lifestyle en literatuur. Ze is gastdocent …
Profiel-pagina
Nog geen reactie — begin het gesprek.