Manuhutu is op 14 mei jongstleden met pensioen gegaan als docent Europese, koloniale en postkoloniale geschiedenis bij de Vrije Universiteit en het Amsterdam University College. Eerder was hij directeur van het Museum Maluku in Utrecht en interim-directeur van het Migratie Museum in Den Haag. Manuhutu heeft een eigen bedrijf dat zich bezighoudt met culturele projecten. Hij is een veelgevraagd gastspreker en gesprekleider. Over de Molukse geschiedenis schreef Wim de boeken Tijdelijk verblijf (1991), Sedjarah Maluku (1992), Molukkers in beeld (2011) en Toma Terus (2021).

Wims vader maakte deel uit van de groep van dertienduizend Molukkers die vanaf maart 1951 in Nederland arriveerden. “Mijn vader was Moluks, mijn moeder Indisch. Zij hebben elkaar in Nederland ontmoet.” Manuhutu senior was onderwijzer in opleiding, maar werd hier contre-coeur elektromonteur. De meeste Ambonezen, zoals de Molukkers in de volksmond werden genoemd, waren militair in het Koninklijk Nederlandsch-Indisch Leger (KNIL) dat in voormalig Nederlands-Indië verantwoordelijk was voor de verdediging en controle van het overzeese gebied (zie ook kader).

“Een rechter in Den Haag had in 1950 bepaald dat Nederland verantwoordelijk bleef voor de Molukse KNIL-soldaten. De regering mocht hen in Indonesië niet ontslaan. Toch zei de overheid: of je verlaat de dienst of je komt vrijwillig naar Nederland. Het is nog steeds een groot twistpunt of de gang naar Nederland vrijwillig was of een dienstbevel. Molukkers van de eerste generatie zeggen: ik had geen keus, ik moest dat schip op.” De KNIL-ers wachtte in Nederland een massa-ontslag. Dat vonden zij onacceptabel.

De eerste vijf jaar werden de Molukkers volledig verzorgd door de overheid. Daarna moesten ze, als ze werk hadden, een deel van hun loon afstaan. “Dat deden ze maar ze zeiden wel: jullie hebben ons onze baan afgepakt. Jullie hebben ons onrecht aangedaan. Ze wilden ook toen nog heel graag terug, maar niet naar een door Indonesië bestuurde Molukse staat. Ze beschouwden hun Molukken als bezet gebied.” Uiteindelijk is het gros van de Molukkers in Nederland gebleven.

“De groep die in 1951 naar ons land werd verscheept, bestond uit 3800 militairen en hun gezinnen. De meesten kwamen tegen hun zin naar Nederland. Ze spraken de taal niet en wisten bijna niets van dit land. Ze kenden Nederland alleen van plaatjes en films. Ze voelden zich niet echt welkom, ondanks vriendelijke woorden van koningin Juliana. Ze verwachtten dat ze snel konden doorreizen naar Nieuw-Guinea dat toen nog onder Nederlands bestuur stond. Dat bleek niet mogelijk.”

Molukken
Kaart van Indonesië, met de Molukken in het lichtgroen uitgelicht.

“Nederland stond aan het begin van de naoorlogse opbouw. Er was nauwelijks huisvesting. Het idee was dat de Molukkers hier maar tijdelijk zouden verblijven. Daarom werden zij ondergebracht in kloosters, vakantiekampen en voormalige werk- en concentratiekampen als Vught en Westerbork.” Wim werd geboren in kamp Vught maar verhuisde als kind al naar de Molukse wijk in Leerdam. “We woonden in Vught in één kamer. Eén van mijn twee zusjes is daar ook geboren. Onze kamer is nu deel van een klein museum.”

“Mijn moeder was Indo-Europeaan. Zeg gaf les in Molukse kampen, waaronder dat in Vught. Ze kwam uit een middenklasse-gezin met bedienden en chauffeur. In haar jeugd was Nederlands-Indië nog een koloniale samenleving in de vorm van een piramide. Bovenaan stonden de witte Nederlanders, daaronder andere Europeanen van gemengde komaf zoals mijn moeder en daar weer onder de rest van de bevolking. De mensen die hierheen kwamen hadden allemaal gevochten of gewerkt in dienst van de Nederlanders.”

“De boodschap voor mensen in de kolonie was: wees zo Nederlands mogelijk. Je staat met één nul achter. Leer correct Nederlands spreken. In Indonesië was het ‘Nederlander zijn’ voor Indische Nederlanders onderdeel van hun identiteit. De Molukkers waren duidelijk geen Europeanen. Voor hen was Nederlands spreken en deel uitmaken van de westerse beschaving vaak een onbereikbaar ideaal. Voor Nederlanders gold dat ze nog nooit iemand uit Indonesië hadden gezien.”

“Ze kenden Indonesië alleen van geld geven aan de zending. Mijn moeder voelde zich Nederlander. Voor Molukkers gold dat dus minder. Hun verhouding tot de Nederlanders was een hiërarchische. Ze dachten dat hier alles beter was dan in Indonesië. Toen de Molukkers Nederlandse havenarbeiders aan het werk zagen, was dat dan ook een verwarrende ervaring. In Indonesië verrichtte een Nederlandse opzichter geen havenarbeid. Hij zei alleen wat de arbeiders moesten doen.”

De meeste Molukkers waren protestants. Zij richtten hier hun eigen kerken op maar de Nederlandse protestanten zagen hen wel als geloofsgenoten. Ook al spraken ze geen Nederlands, het waren medechristenen. De lokale notabelen en burgemeesters zeiden: we hebben een ereschuld aan deze mensen want ze hebben altijd aan onze kant gestaan. Dat was een geconstrueerd beeld, maar dat positieve imago hadden de protestantse Molukkers in de jaren vijftig en zestig. Ze kregen veel steun van onder andere de christelijke stichting ‘Door De Eeuwen Trouw’.”

EW_12_Wim Manuhutu_04
Wim Manuhutu Beeld door: Katrien Mundwiler

Het ging soms ook mis tussen Nederlanders en Molukkers. “Bij vechtpartijen op kermissen waren regelmatig Molukkers betrokken, maar Nederlandse dorpelingen knokten ook tegen andere dorpen. Zo ging dat in die tijd. Onbekend maakte niet altijd onbemind, maar onbekend bleef vaak onbekend.” De situatie in de woonoorden verslechterde en de kans dat de Molukkers zouden vertrekken werd steeds kleiner. Ze moesten verkassen.

“De regering vond de culturele en maatschappelijke kloof tussen Nederlanders en Molukkers te groot. Daarom was het beleid Molukkers niet individueel te plaatsen tussen Nederlanders. De Molukkers zelf wilden ook bij elkaar blijven. Zo zijn er in ruim zestig steden en dorpen Molukse wijken ontstaan. In onze wijk aan de rand van Leerdam woonden we letterlijk op onszelf. De enige Nederlander die je daar zag, was de groenteboer.”

“Wij spraken als één van de weinige gezinnen thuis Nederlands. Dat wilden mijn ouders omdat we dan op school geen problemen zouden krijgen. De meeste Molukkers spraken alleen Maleis. Ze werden door Nederlanders beschouwd als ‘die andere mensen’. Gaandeweg ontstond er wel verbinding via sporten als volleybal, voetbal en badminton – en via muziek. Molukkers traden met hun bandjes op door het hele land. Toch leefden we in gescheiden werelden.”

“In de jaren zestig was Nederland sowieso nog een standenmaatschappij. Kinderen van witte arbeiders kregen het advies naar de lts te gaan. Ook voor veel Molukkers was verder leren niet weggelegd. Ook al waren ze slim, hun uitdrukkingsvermogen in het Nederlands liet te wensen over. Het hoogst haalbare was de ulo of mulo. Mijn zussen en ik vormden een uitzondering. Ik heb de havo en het vwo gevolgd. Mijn zussen het gymnasium. Dat was uitzonderlijk. Alleen mensen uit de ‘elite’ kwamen op het gymnasium terecht.”

Manuhutu ging na de middelbare school geschiedenis studeren in Utrecht. Hij studeerde af in 1983 en deed daarna een tijd historisch onderzoek. In 1987 richtte Manuhutu met anderen het Moluks Museum Maluku op. Hij was er directeur tot 2008. Wim is getrouwd met cultuurhistoricus en auteur Nancy Jouwe. Hij leerde zijn vrouw kennen toen hij directeur was van het Moluks museum. Zij was directeur van een andere culturele instelling. Jouwe is de dochter van de bekende Papoealeider Nicolaas Jouwe. Het echtpaar woont in Utrecht.

Museum Maluku kwam er op uitdrukkelijk verzoek van de Molukse gemeenschap. Die wilde dat haar bijzondere verhaal ergens een vaste plek zou krijgen. Het museum kwam vol te staan met alledaagse objecten en spullen. “We toonden bijvoorbeeld een stoel waarin de letters RE – van rijks eigendom – waren gebrand, afkomstig uit een opvangkamp. We lieten ook de koffers en kisten zien waarmee mensen naar Nederland waren gekomen. Het was een verhaal over hoop en verwachting – en teleurstelling.”

“In twintig jaar tijd zijn we erin geslaagd de Molukse gemeenschap ervan te overtuigen dat het museum haar verhaal daadwerkelijk levend kon houden. Het werd een culturele ontmoetingsplaats. Het was wel een uitdaging om recht te doen aan de diversiteit van de Molukse gemeenschap. Het Molukse verhaal is niet één verhaal. Molukkers denken soms diametraal anders over bepaalde zaken.” Het Moluks Museum is als instelling verhuisd naar Den Haag. Daar vormt het een zelfstandige organisatie binnen het Nationaal Museum Sofiahof.

Manuhutu maakte een groot deel van de Molukse geschiedenis persoonlijk mee. Hij zag in de jaren zeventig de verharding ontstaan bij Molukse jongeren, die geweld gingen gebruiken. “In de jaren vijftig hielden Molukkers nette protesten bij het Binnenhof in Den Haag met spandoeken met teksten als ‘Vergeet ons niet, jullie hebben een schuld aan ons’. En daarna gingen ze weer braaf naar huis. Voor de tweede generatie werd de wereld in de jaren zestig groter. Zij kwam meer in contact met de Nederlandse samenleving.”

“De jongeren gingen zich afzetten tegen hun ouders. Ze zagen in de VS de emancipatiestrijd van de zwarte Amerikanen. Jonge Molukkers gingen ook lange leren jassen dragen en Afro kapsels. Zij vonden geweld als middel om iets te bereiken geoorloofd. Je zag overal dat organisaties geweld gingen gebruikten: ‘bevrijdingsbewegingen’ als de PLO, de IRA en de RAF en groepen in Zuid-Amerika. Voor die gewapende strijd bestond in Nederland veel begrip maar dat gold niet voor de strijd van de Molukkers.”

Jonge Molukkers kozen in 1970 voor de gewelddadige bezetting van de woning van de Indonesische ambassadeur in Wassenaar. De actie duurde slechts één dag maar er kwam wel een agent bij om. De aanleiding was het voorgenomen bezoek van de Indonesische president Soeharto. “De Molukse bezetters vonden dat hij als hoofd van de regering die de Molukken onderdrukte niet welkom was. Ze wilden steun afdwingen voor een onafhankelijke Molukse republiek. De hele wereldpers berichtte erover, maar er veranderde niks.”

In 1975 volgden de treinkaping in Wijster en de bezetting van het Indonesische consulaat in Amsterdam. In 1977 kaapten Molukkers nogmaals een trein, dit keer bij De Punt – en ze gijzelden kinderen en leerkrachten van een lagere school in Bovensmilde. Mariniers maakten in opdracht van minister van Justitie Dries van Agt hardhandig een eind aan de treinkaping. “In Wijster werden drie mensen gedood door Molukkers. In 1977 maakte de overheid de slachtoffers: twee gijzelaars en zes gijzelnemers.”

“Bij de begrafenis van de Molukse doden waren zesduizend mensen aanwezig, afkomstig uit een Molukse gemeenschap van 38.000 mensen. Een massale opkomst dus. Het gevoel was: de kapers hebben het voor ons gedaan, ze zijn voor ons doodgeschoten. Ik ben bij de begrafenis aanwezig geweest. Het was indrukwekkend. Er bestond een sterk gevoel van verbondenheid. Ik dacht toen ook: geweld is soms noodzakelijk. Ik ben nog steeds geen pacifist. Soms is geweld niet te vermijden en legitiem.”

“Het Molukse geweld werd gezien als de enige manier om druk uit te oefenen op de Nederlandse regering. De kapers deden wat ze deden uit frustratie en woede over wat hun ouders was aangedaan, maar hun daden waren ook politiek gemotiveerd. Helaas is de Nederlandse regering na de acties qua standpunt geen millimeter opgeschoven. Ik had begrip voor het gebruik van geweld door Molukkers. Ik vond: wie niet horen wil, moet maar voelen.”

“Met de wijsheid van nu zeg je: de strijdbare Molukkers hebben politiek geen harde resultaten geboekt, maar de overheid is wel een specifiek welzijnsbeleid voor Molukkers gaan voeren. Daarmee is de basis gelegd voor het latere landelijke minderhedenbeleid. Er kwam ook een eigen inspraakorgaan voor Molukkers. Daar hebben de kapers aan bijgedragen. Een negatief gevolg van de acties was dat alle Molukkers op de daden van de kapers werden aangekeken.”

“Molukse mannen kwamen in het Noorden van het land nog nauwelijks aan het werk. Iedereen was een potentiële gewelddadige kaper. Mensen gingen Molukkers mijden. Ik heb ervaren dat zelfs mensen die hadden gestudeerd me begonnen te ontlopen. Ach, ook gestudeerde mensen hebben vooroordelen. Ze weten die alleen beter te verbergen… Nederland bleek niet zo open-minded en tolerant. Ik zie grote paralellen met wat er in 2001 na 9/11 gebeurde. Alle moslims werden erop aangekeken en dat gebeurt nog steeds.”

Molukse woonbarak in het Openluchtmuseum te Arnhem – Ivoss CC BY-SA 30
Molukse woonbarak in het Openluchtmuseum te Arnhem. Beeld door: Ivoss - CC BY-SA 3.0

“Moslims over de hele wereld moesten afstand nemen van het geweld tegen de VS. Als groep werden ze over één kam geschoren. Een ontzettende jij-bak. Nederland is op grote schaal betrokken bij drugshandel, maar dat betekent toch niet dat iedereen een drugshandelaar is? Als één vluchteling een vrouw verkracht of vermoordt, dan zijn toch niet alle vluchtelingen verkrachters en moordenaars? Dat soort narratieven kennen wij als Molukkers maar al te goed.”

Binnen de Molukse gemeenschap was er begrip voor de gewelddadige acties, maar velen steunden ir. Johan Manusama (1910-1995). Hij was van 1966 tot 1993 president in ballingschap van de Republiek der Zuid-Molukken (RMS). “Hij had geen machtsmiddelen en was principieel tegen geweld. Dat maakte hem impopulair bij de jonge Molukkers. Na zijn overlijden zeiden veel mensen: hij was wel consequent.”

De Molukse acties bleven niet volledig zonder gevolg. “Andere migranten hebben geprofiteerd van het Molukse geweld. Niet alleen de Molukkers, maar ook de Surinamers en Antilianen kregen eigen instituties. Die hebben een tijdlang redelijk tot goed gefunctioneerd tot ze in de jaren negentig opgingen in de organisatie Forum, geleid door Ahmed Aboutaleb. Na het opheffen van Forum in 2015 moest de markt het gaan doen. Wat collectief was, ging in de uitverkoop.”

“Het individu moest voor zichzelf opkomen. Van dat consumentisme en neoliberalisme plukken we nog steeds de wrange vruchten. Hele groepen in de samenleving zijn er het slachtoffer van geworden.” Anno 2026 gaat het met de meeste van de 70.000 Nederlandse Molukkers volgens Manuhutu redelijk goed. “Jongeren hebben nog steeds problemen in het onderwijs. En hoewel ze hier geboren en getogen zijn en soms nog maar één Molukse ouder of grootouder hebben, noemen ook de derde en vierde generatie zich Molukker.”

“De jongere generaties gaan vaker naar de Molukken. Ik ben er zelf voor mijn werk en voor familiebezoek ook regelmatig geweest. Ik voelde een band, maar mijn familie daar denkt over een aantal zaken fundamenteel anders. Ik ben me er op de Molukken nog meer van bewust geworden dat ik behalve Molukker toch vooral Nederlands ben.”

Of de Molukken een eigen onafhankelijke republiek moeten worden, daar wordt steeds genuanceerder over gedacht. “Het ideaal van de eigen staat leeft nog wel, maar de RMS zal niet binnen afzienbare tijd werkelijkheid worden. Een deel van de jongeren is nog steeds overtuigd van het recht van mensen op een eigen staat. Een andere groep zegt: we hoeven niet per se een eigen staat te hebben. Ik kan nu ook de gemeenschap op de Molukken helpen bij het oplossen van de milieuproblemen daar.”

Als de RMS realiteit zou worden, zouden de meeste Molukkers in Nederland blijven, verwacht Manuhutu. “Maar dat betekent niet dat de band verdwijnt. Je kunt Nederlander én Molukker zijn. Je hoeft niet te kiezen.” Molukkers willen nog altijd graag bij elkaar wonen in eigen wijken. En het gevoel dat hen onrecht is aangedaan speelt nog steeds een prominente rol. “Ze voelen zich niet serieus genomen, maar zij worden niet meer als probleem beschouwd omdat andere groepen – met name moslims – die positie hebben overgenomen.”

EW_12_Wim Manuhutu_06
Wim Manuhutu Beeld door: Katrien Mundwiler

“Er wordt in Nederland zo bekrompen gedacht over loyaliteit en identiteit. Je zou er moedeloos en cynisch van worden. Je moet naar mensen luisteren, niet meteen een oordeel vellen en de neiging onderdrukken om over hen te spreken in plaats van met hen. Je moet ieder verhaal serieus nemen. Er is zoveel potentieel onder de mensen die hier naartoe zijn gekomen als vluchteling. We moeten hen op waarde schatten en actief betrekken bij het vormgeven van nieuw beleid.”

“Bij Molukkers zien we gelukkig dat de jonge generatie assertief is en bij inspraaksessies aan tafel zit. De overheid kan zo veel van de Molukkers opsteken. Zij maken deel van uit van de geschiedenis van de postkoloniale migratie. Die geschiedenis leert ons dat terugkeer naar het ‘Nederland van vroeger’ niet kan. Iedereen die zegt van wel, vertelt je een sprookje. Dat ‘Nederland van vroeger’ heeft niet eens echt bestaan.”

“We moeten veel fundamenteler gaan nadenken over de maatschappij van de toekomst, waarin de economie niet meer is ingesteld op groei. Dat wij altijd maar nieuwe dingen willen kopen, dat gaat ten koste van mensen elders. Op de Molukken zijn zeer lucratieve nikkelmijnen. Die nikkel is nodig voor onze batterijen. De machtige mijneigenaren jagen Molukkers van hun land. Ze vernietigen de leefomgeving. Gelukkig maken activisten binnen de Molukse gemeenschap in Nederland zich daar druk over.”

“Ik word zelf steeds linkser door al het neokoloniale gedrag. Het systeem waar wij in zitten is zo fundamenteel onrechtvaardig. Het is zo op het individu gericht. Bij Molukkers gaat het niet alleen om het individu maar juist om de groep. Daarom is bijvoorbeeld gezamenlijk musiceren en zingen zo belangrijk in de Molukse gemeenschap. Dat je niet alleen voor jezelf leeft, dát is de heldere boodschap van migrantengemeenschappen zoals de Molukse. Molukkers vinden dat je ook voor je buren moet zorgen.”

75 jaar Molukse aanwezigheid in Nederland wordt het hele jaar uitgebreid herdacht. Het hoogtepunt vormt de inhuldiging van het nationaal monument ‘Ulu Kora’ aan de Lloydkade in Rotterdam op 21 juni. In Amsterdam pleitte burgemeester Femke Halsema onlangs voor een formeel excuus van de landelijke overheid aan de Molukse gemeenschap. Manuhutu: “Excuses van de Nederlandse regering en/of de koning zullen zeker voor veel Molukkers als betekenisvol worden ervaren. Dus in dat opzicht zal de oproep van de burgemeester goed vallen.”

“Voor anderen betekenen excuses niets zonder concrete stappen. Als je aanhanger bent van een vrije Molukse republiek, wil je dat de Nederlandse regering zich positief uitspreekt over dat ideaal. Weer anderen leggen de nadruk op het onterechte ontslag van de Molukse KNIL-soldaten. Wat je ziet bij een deel van de jongere generatie, is dat ze niet zit te wachten op excuses. Ze gelooft in eigen kracht. Ik respecteer wat excuses voor veel mensen kunnen betekenen, maar zelf ben ik meer van de laatste school.”

‘Indië verloren, rampspoed geboren’

De Molukken zijn een uitgestrekte eilandengroep in Indonesië. Nederland knipte als koloniale macht de Molukken administratief in tweeën. Zo ontstonden de Zuid-Molukken en de Noord-Molukken. De familie van Wim Manuhutu komt van het minder bekende eiland Saparua in de Zuid-Molukken. Een bekender eiland is Ambon. Ook Molukkers afkomstig van andere eilanden werden in Nederland ten onrechte Ambonezen genoemd.

Manuhutu: “Met name christelijke Molukkers vochten tot 1950 in het KNIL, het Koninklijk Nederlandsch-Indisch Leger. Islamitische Molukse soldaten genoten minder vertrouwen bij de militaire leiding dan christenen. De bevelhebbers waren altijd bang dat de moslimsoldaten partij zouden kiezen voor de islamitische tegenstanders van het KNIL. Legerpredikanten benadrukten dat de christensoldaten vochten voor God, Oranje en Nederland.”

“De christenen werden beter behandeld, maakten sneller promotie en hun kinderen mochten naar speciale scholen waar Nederlands werd gesproken. Nederlands spreken was in de koloniale maatschappij dé sleutel tot carrière maken. Binnen twee, drie generaties zag je sociale stijgingen in soldatenfamilies. Hun kinderen konden ambtenaar worden of dokter. Dienen in het leger was populair. Ook al liep je het risico gewond te raken of om het leven komen, het was een steady beroep en je werd goed betaald.”

Molukkers vochten ook tegen landgenoten. “Je hebt het over een enorm groot land met 13.000 eilanden en miljoenen mensen. Die eilanden hadden hun eigen culturen en talen. Er was altijd wel verzet tegen de overheerser, maar dat was vaak religieus van aard. KNIL-soldaten werden bewust gestationeerd ver weg van waar ze vandaan kwamen. Ze waren een vreemde eend in de bijt, zonder banden met hun omgeving. Ze woonden met hun gezinnen in de kazernes.”

“De inheemse soldaten hadden er geen probleem mee een koloniale overheerser te dienen. Mensen uit de Molukken, die bijvoorbeeld in Sumatra vochten, hadden helemaal niet het idee dat ze tegen landgenoten streden. Ze hadden het niet breed. Het leger bood een zeker bestaan. De notie: je vecht tegen je eigen mensen, kwam veel later. Pas in de twintigste eeuw groeide er een nationaal bewustzijn binnen een kleine elite van studenten die elkaar ontmoetten op Java.”

“De studenten kwamen mensen van andere eilanden tegen en ontdekten: we hebben veel met elkaar gemeen. Indonesische studenten in Nederland zagen hier een dubbele standaard. Nederland had al algemeen kiesrecht sinds 1917; in de kolonie bestond dat recht niet. Mensen uit Indonesië zeiden: Nederland, jullie hebben de mond vol over beschaving en vooruitgang brengen, scholen en ziekenhuizen bouwen en wegen aanleggen, maar jullie meten met twee maten. Jullie zijn hypocriet.”

“Het beeld dat alle Molukkers altijd trouw zijn geweest aan Nederland klopt historisch niet. Het klopte niet voor en niet in de Tweede Wereldoorlog – en evenmin bij de onafhankelijkheidsstrijd. Sommige Molukse KNIL-militairen vonden het nationalisme aantrekkelijk, al voor de oorlog. Zij werden meteen ontslagen want kritische geluiden, die kon de koloniale overheid natuurlijk niet gebruiken.”

“De Japanners zeiden in oorlog tegen de Indonesische bevolking: we komen jullie land niet bezetten, we komen jullie bevrijden van het juk van de Nederlanders. Tot verbazing en schrik van de Nederlanders zeiden veel Indonesiërs: laten we maar eens afwachten wat Japan gaat doen. Nederland was blind voor wat er leefde onder de inheemse bevolking. Maar natuurlijk bleek al snel dat Japan zich ook als wrede imperialistische mogendheid gedroeg.”

“Japan vertrouwde de Molukkers in het KNIL niet. Die moesten een extra eed van trouw zweren, werden langer gevangengehouden en moesten werken aan de Birma-spoorlijn. Veel Molukkers sloten zich aan bij het verzet tegen Japan. Als ze tegen de lamp liepen, werden ze vermoord omdat ze weigerden over de Nederlandse vlag of over een portret van koningin Wilhelmina te lopen. Deze Molukkers bleven trouw aan het koloniale gezag en gaven hun leven voor Nederland.”

Na de Japanse capitulatie in 1945 riepen de grondleggers van het moderne Indonesië, Soekarno (1901-1970) en Hatta (1902-1980), de onafhankelijkheid uit en dat accepteerde Nederland niet. “Een deel van de Molukse gemeenschap koos honderd procent voor Indonesië en ging vechten in het leger van Soekarno. De Molukkers die Nederland trouw bleven, vochten zodoende tegen mede-Molukkers.”

“De situatie in Nederland was chaotisch. Het land lag in 1945 in puin. Alles was op de bon en toch begon Nederland een grote, kostbare militaire operatie om de controle over Indonesië te behouden. Je hoorde overal: ‘Indië verloren, rampspoed geboren’. De rijkdom uit Indonesië was nodig voor de wederopbouw van Nederland en dus werden tussen 1947 en 1949 honderdduizenden mannen naar de kolonie gestuurd. Ook toen vochten Molukkers aan Nederlandse kant mee.”

“Indonesië had nog geen goed georganiseerd leger. Overal doken gewapende milities op die moordpartijen uitvoerden onder de eigen burgers. Er was veel geweld over en weer. Het verzuilde Nederland wilde de touwtjes weer in handen krijgen. De socialisten wilden wel praten over onafhankelijkheid op termijn; de conservatieve katholieken en protestanten eisten de controle over de kolonie terug.”

“De eerste ‘politionele acties’ waren bedoeld om gebieden in handen te krijgen waar de suiker-, rubber- en theebedrijven stonden. Er moest immers weer geld worden verdiend. Nederland framede een massale militaire operatie als een actie van ‘politiemensen’ in een binnenlands conflict waarmee de buitenwereld niets te maken had. ‘Het is ons gebied en wij gaan de bendes en oproerkraaiers zelf aanpakken’, zei de overheid.”

“Nederland deed hetzelfde als wat Poetin doet in Oekraïne met zijn ‘speciale militaire actie’ tegen ‘nazi’s’. En kijk ook naar wat de VS doet in Iran en wat Israël uitspookt in Gaza, op de Westbank en in Libanon. De geschiedenis herhaalt zich.” De ‘politionele acties’ slaagden uiteindelijk niet. De internationale gemeenschap bemoeide zich ermee en met name uit Amerika kwam zware druk. “De VS drukte op de pauzeknop bij de onmisbare Marshallhulp en Nederland ging door de pomp.”

“De Molukkers bij het KNIL kwamen in de knel toen Indonesië officieel zelfstandig werd. Het KNIL hield op te bestaan. De soldaten mochten overstappen naar het Indonesische leger. Sommigen deden dat, velen niet. Een complicerende factor was het uitroepen van de Republiek der Zuid-Molukken (RMS) in 1950. Soekarno verzette zich ertegen. Het is zelfs nu nog verboden in Indonesië met de vlag van de RMS rond te lopen. Dat is strafbaar separatisme. Nederland wilde dat het probleem ‘Molukkers’ zou verdwijnen en koos voor de minst slechte oplossing: hen naar Nederland overbrengen.”

WhatsApp Image 2026-04-17 at 10.47.09

Hans Invernizzi

Journalist

Hans Invernizzi is journalist en werkte dertig jaar bij hogeschool Windesheim in Zwolle als docent en manager bij de opleiding …
Profiel-pagina
Al één reactie — praat mee.