Je bent vroeger predikant geweest en dus goed bekend met alle facetten van religie. Tegenwoordig ben je senator voor GroenLinks in de Eerste Kamer en hoogleraar Praktische Theologie aan de Vrije Universiteit in Amsterdam. Hoe draag je met de driehoek religie, politiek en onderwijs bij aan een betere samenleving?

“Voor mijzelf staat steeds meer de vraag centraal hoe we voorbij de polarisatie kunnen komen. Zeker als het over politiek en religie gaat, staan de groepen al heel snel tegen elkaar op. Het is bijna ondoenlijk geworden om daar nog een evenwichtig gesprek over te voeren, in elk geval in de publieke ruimte. Felle aanhangers van religieuze stromingen en felle bestrijders staan tegenover elkaar. Tegelijk hebben heel veel Nederlanders nauwelijks een idee wat religieuze mensen nu eigenlijk drijft en wat voor verschillende religieuze stromingen kenmerkend is. Er is, anders gezegd, een wijdverbreid religieus analfabetisme. Maar dat leidt niet tot bescheidenheid in het spreken over religie, maar eerder tot overmoed in het veroordelen. Ik zie voor mijzelf vooral de taak om kritisch te verhelderen en te verbinden. Allereerst verhelderen: proberen eraan bij te dragen dat mensen en groepen elkaar weer wat meer gaan begrijpen en respecteren. Het zou al helpen als ons beeld van een religieuze stroming niet alleen bepaald wordt door de meest extreme vormen ervan. Vervolgens wil ik dan ook verbinden door – bijvoorbeeld in mijn onderwijs – ook studenten met elkaar in gesprek te brengen. Maar dat moet altijd wel kritisch gebeuren. Religieuze stromingen kennen namelijk zowel positieve, vreedzame, opbouwende uitingen, als ook negatieve, gewelddadige en schadelijke. Het gesprek over religie zal altijd die twee kanten aan de orde moeten stellen en respect voor religie moeten verbinden met kritiek op religie.”

Kun je voor ons duiden hoe de relatie tussen religie en onderwijs de laatste decennia veranderd is?

“Een belangrijke verschuiving in het onderwijs is precies de rol van religie. In het Nederlandse onderwijs was religie vanaf het begin van de twintigste eeuw de belangrijkste factor in de identiteit van scholen. Ze maakte onderscheid tussen protestants-christelijke, rooms-katholieke en openbare scholen. Dat is vandaag de dag veel minder het geval. Het verschil tussen die scholen is niet meer zo groot. Dat komt vooral ook doordat de religieuze stromingen geen sterke zuilen meer zijn. Daardoor ontmoeten op elke school leerlingen en leraren anderen van een heel verschillende achtergrond. Het gevolg is dat er niet meer een gedeelde identiteit is. Tegelijk beseffen gelukkig veel scholen dat ze een pedagogische taak hebben om kinderen en jongeren voor te bereiden op het leven in een veelkleurige samenleving. Religie verschuift dus van vanzelfsprekende identiteit naar uitdagende verantwoordelijkheid.”

Een belangrijke algemene vraag, die ook op de conferentie Levensbeschouwing en Religie in het Onderwijs 2032 centraal staat, is: kan religie in een seculier wordende samenleving nog wel een samenbindend, in plaats van scheidend, iets zijn?

“Het is een misvatting om te denken dat onze samenleving seculier is. Wetenschappers spreken liever van post-seculier. Dat wil niet zeggen dat iedereen zich weer bij een religie aansluit, maar wel dat er veel meer openheid is voor alle posities, van totaal atheïstisch tot zeer gelovig. Er zijn wel groepen die menen dat het publieke debat helemaal seculier moet zijn, maar de werkelijkheid is dat religie en spiritualiteit overal in de samenleving te vinden zijn, zij het vaak ongeorganiseerd en ongestructureerd. Het is ook een misvatting te denken dat religie altijd scheidend is. De grootste groepen in elke traditie zijn geen religieuze scherpslijpers maar mensen die open staan voor anderen. Die zie en hoor je alleen niet zo vaak omdat ze niet zo hard schreeuwen. Overigens maakt het dan ook nog wel uit wat je bedoelt met ‘samenbindend’. Ik zoek dat zelf niet zo in officiële religieuze gesprekken bijvoorbeeld, maar veel meer in de religieuze verhalen en symbolen die mensen helpen om te gaan met moeilijke en pijnlijke situaties. En ook daar kom je steeds vaker mensen van heel verschillende achtergronden tegen. Daarom doen we bijvoorbeeld op de Vrije Universiteit onderzoek naar interreligieuze geestelijke verzorging: hoe kun je mensen van een andere achtergrond geestelijk bijstaan in moeilijke omstandigheden?”

Moet de overheid bijzondere scholen op religieuze grondslag blijven ondersteunen, nu het lijkt dat ouders en jongeren de school niet meer vanwege de levensbeschouwelijke identiteit kiezen, maar op basis van onderwijskwaliteit?

“Voor mij betekent onderwijsvrijheid primair de vrijheid van ouders om onderwijs voor hun kind te kiezen dat aansluit bij hun opvoeding. Onderwijs is dus niet van de staat. Ik zou willen dat alle scholen beter zichtbaar maken waar ze voor staan: onderwijskundig, maar ook waar het gaat om hun visie op mens en samenleving – en dus hun levensbeschouwelijke visie. Dat kan religieus zijn, maar dat hoeft niet; ik zou van scholen wel willen weten hoe ze ook met religie omgaan. Dat hoort allemaal bij levensbeschouwelijke identiteit en dat blijft belangrijk. Ouders kunnen vervolgens op basis van dat totaalplaatje kiezen welke school bij hen past. En de overheid financiert alle scholen zonder onderscheid te maken naar identiteit. Dat past allemaal goed bij onze veelkleurige samenleving.”

Men denkt weleens dat jongeren, dankzij bijzonder religieus onderwijs, tijdens hun vormingsjaren niet langs een natuurlijke weg in contact komen met jongeren van een andere religieuze of culturele achtergronden.

“Dat is weer zo’n vooronderstelling, die in de meeste gevallen niet klopt met de werkelijkheid. De segregatie in het onderwijs heeft meer te maken met waar kinderen wonen en met de baan en sociale klasse van hun ouders dan met religieuze verschillen. Alleen op scholen met een heel specifieke religieuze identiteit speelt dit een rol, maar dat zijn er maar een paar. Ik vind het zoals gezegd essentieel dat scholen kinderen voorbereiden op het leven in een veelkleurige samenleving. Dat kan door hen op school vooral bij elkaar te zetten en in dialoog te laten opgroeien. Het kan ook door ze vooral een duidelijke eigen religieuze identiteit te laten ontwikkelen met medescholieren van dezelfde achtergrond. In beide gevallen moet je er ook wel echt aandacht aan geven zodat ze zowel hun eigen plek leren vinden als die van anderen leren verstaan en respecteren.”

Er lijkt een tendens waar te nemen in politiek Den Haag, dat bij voorkeur neutraal onderwijs gestimuleerd dient te worden. Kun je dat in je rol als senator voor de Eerste Kamer onderschrijven? En daarbij de vraag: is ‘neutraal’ onderwijs überhaupt mogelijk?

“Die stem hoor je natuurlijk. En daartegenover hoor je ook de stem die vooral de oude rechten van christelijk onderwijs wil verdedigen. Ik vind dat allebei kortzichtig. Levensbeschouwing is deel van het leven en noodzakelijk om de wereld van jezelf en anderen te begrijpen. En als we bezig zijn met vorming en burgerschap, dan gaat het ook over waarden en ook over religieuze levensvisies. Het is overigens ook de vraag wat je met ‘neutraal onderwijs’ bedoelt. Als dat betekent dat je ruimte maakt voor heel verschillende religieuze visies en ervaringen, dan lijkt me dat goed passen bij onze kleurrijke samenleving. Maar als ‘neutraal’ betekent dat religie er geen rol mag spelen, dan sluit je een belangrijke dimensie van het leven en van de samenleving buiten en schiet je dus als school te kort.”

Het adviesvoorstel van het Platform Onderwijs 2032 noemt religie niet als vakgebied, maar onderstreept wel het belang van onderwijs óver en vorming in waarden, burgerschap en levensovertuiging. Stel dat religie en levensbeschouwing uiteindelijk opgaan in algemene vakken als maatschappijleer en sociale vaardigheden, wat raken wij volgens jou als samenleving dan kwijt?

“Ik begrijp dat alle vakken in grotere clusters worden opgenomen volgens dit voorstel, dus dat is niet per se vreemd. Wat ik belangrijker vind, is dat het niet alleen gaat over een ‘vakgebied’, omdat je dan al heel snel blijft steken in het overdragen van informatie over religie en levensovertuiging. Maar als het ook gaat over de ‘vorming in waarden, burgerschap en levensovertuiging’, zie ik voor me dat scholen inderdaad hun verantwoordelijkheid op zich nemen om het levensbeschouwelijk analfabetisme bij de nieuwe generatie te voorkomen. Dat is noodzakelijk om te werken aan een veerkrachtige samenleving. We raken anders die levensbeschouwelijke vaardigheden kwijt.”

Enis-DNW (2)

Enis Odaci

Zakelijk leider en Programmaleider Communicatie

Als Zakelijker leider en als Programmaleider Communicatie liggen zijn hoofdtaken op het gebied van het doorontwikkelen van de organisatie …
Profiel-pagina
Nog geen reactie — begin het gesprek.