De weg naar God is niet eenduidig voor Hemmerechts. Ze neemt een zoekende houding in. Op de vraag of ze iets kan vertellen over het boek waarmee ze nu bezig is, wuift ze met haar handen het onderwerp liever van zich af: “Volop mee bezig.” Wellicht om de Griekse goden niet te verzoeken? Hemmerechts debuteerde in 1987 met de roman ‘Een zuil van zout’. Sindsdien verschenen tientallen boeken van haar hand.

1. De geloofsbelijdenis (shahada)

In een interview van geruime tijd geleden gaf u aan een onorthodox beeld te hebben van God, maar gelijktijdig niet in zijn bestaan te geloven. Hoe rijmt u dat met elkaar?

“Ik kijk er inmiddels wel wat anders tegenaan. Maar ik vind het nog steeds een beetje aanmatigend om te zeggen of ik al dan niet in God geloof. Alsof het voor Hem iets zou uitmaken of jij en ik zouden geloven. Als het Goddelijke bestaat, dan overstijgt dat het menselijke en kunnen we daar met ons verstand niet bij. Dus waarom zouden we ons ermee bezig moeten houden?

Op sommige momenten overvalt me het gevoel dat Hij bestaat. Maar ik kan het niet precies duiden. Misschien verbeeld ik het me. Misschien ook niet. Ik kan noch het een noch het ander met honderd procent zekerheid vaststellen. Een Godsbewijs bestaat niet, noch een bewijs in tegenovergestelde richting. Ik denk dat de wereld ermee gebaat zal zijn om de perceptie in beide richtingen te aanvaarden (lacht). Dat is mijn houding nu.”

Is dat de reden waarom u niet graag als ‘gelovige’ wordt aangeduid?

“Ik vind gelabeld worden heel vervelend. Je wordt gereduceerd tot een enkel ding met alle vooroordelen die erbij komen. Zo noemde iemand mij laatst een bekeerlinge omdat hij las dat ik naar een mis ben geweest. Maar zo ervaar ik mezelf helemaal niet. In het verleden werd ik ook weleens weggezet als enkel feminist of als extreemlinks. Aan dat laatste heb ik nog de bijnaam ‘Hemmelinks’ overgehouden. Die labels zijn erg beperkend. Het heeft iets gemakzuchtigs. Je ziet het veel gebeuren in de journalistiek. Door de tijdsdruk vervalt men al snel in hokjesdenken en slogans. Als schrijfster probeer ik juist de complexiteit van dingen bloot te leggen. Als je vervolgens gereduceerd wordt tot een enkel woord, dan kan ik daar soms best droevig van worden.

Als je zegt gelovig te zijn, dan gaat men daar allerlei conclusies aan verbinden. Terwijl ik het veel interessanter vind om me af te vragen waar een werkwoord als ‘geloven’ of ‘gelovig zijn’ voor staat, zonder de behoefte om het in te willen kleuren.”

2. Het gebed (salat)

Maar draag je zelf niet bij aan dat beeld door mensen publiekelijk uit te nodigen om naar de mis te komen?

“Dat kan. Maar bij de oproep waar jij op doelt, ging het mij om de gemeenschapszin van Sant’Egidio in Antwerpen, niet om willekeurig ieder andere kerk. Hoewel ik best individualistisch van aard ben, heb ik gemerkt dat ik het ontzettend fijn vind om deel uit te maken van een gemeenschap. Bij Sant’Egidio voel ik me door de warme en hartelijke mensen daar, voor het eerst in mijn leven opgenomen in een gemeenschap. Dat wil niet zeggen dat ik het eens ben met alles wat daar gezegd of gezongen wordt. Om een voorbeeld te noemen: er is een liturgie over de maagd Maria, waarbij er gesteld wordt dat Maria ook ten hemel is opgenomen. Daar geloof ik niet in. Ik denk ook niet dat dat de kern van de zaak is. De essentie voor mij is het samenkomen van mensen die zich overgeven aan iets dat hen overstijgt. Dat kan binnen de muren van een barokke kerk, met Jezus als icoon, met veel kandelaren en schilderijen van Rubens. Maar het kan ook op een andere manier.

Ik heb veel reizen mogen maken, waarbij ik kerken, moskeeën en tempels heb bezocht. Voor mij zijn de verschillen tussen deze gebedshuizen niet essentieel. Het zijn voor mij heilige plekken waar mensen samenkomen om respect te betuigen aan wat hen overstijgt. In moskeeën zie je bijvoorbeeld de mensen diep buigen. Ze maken zich letterlijk klein tegenover het Grote. Dat vind ik heel mooi.”

Waarom is dat samenkomen belangrijk voor je?

“Ik heb veertig jaar lang les mogen geven aan achttien- tot twintigjarigen, die zo met zichzelf bezig zijn. Met hun uiterlijk, met wie ze zijn, wat ze gaan doen en waar ze op hopen. Ook oudere mensen zijn dat steeds meer gaan doen. Het wordt ze ook heel erg aangepraat. De commercie is erop gericht om mensen bezig te laten zijn met zichzelf. In Nederland is het zelfs iets erger dan bij ons, heb ik de indruk. Iedereen wil excelleren en zet tien verschillende coaches in om daarbij geholpen te worden. Natuurlijk is het goed als je voor je zelf zorgt, maar zoals het nu gaat is het een ‘never ending story’, waar je helemaal in vastloopt. Ik geloof niet dat je daar gelukkig van wordt. Voor mij is het belangrijk dat je daar uitbreekt en de verbinding zoekt met andere mensen. En dat je je zelf openstelt voor het hogere. Dat werkt heel bevrijdend. Het is jammer dat jongeren die boodschap te weinig of niet krijgen. Uiteindelijk komt iedereen tot het besef dat alle mensen in hetzelfde schuitje zitten, dat we allemaal kleine, zwakke en nietige mensen zijn, die liefde en verbondenheid nodig hebben.”

Je roemt de verbondenheid die je voelt bij Sant’Egidio. Toch spreek je nog liever niet van een “wij”. Waarom is dat?

“De tekst ‘Heer ik ben niet waardig dat Gij tot mij komt, maar spreek en ik zal gezond worden’ uit Mattheus 8 is een gebed dat heel vaak uitgesproken wordt. Dat is het gevoel wat ik heb bij de mensen die daar met een ongelooflijke inzet en een onverzettelijk geloof een gemeenschap hebben opgericht. Die zijn er al jaren actief. Als ik het dan zou hebben over een “wij” dan is het net alsof ik daar ook een aandeel in zou hebben gehad. Ik moet mijn sporen nog verdienen. Misschien komt er een moment dat ik van een “wij” durf te spreken, maar ik vind het prettig om voorlopig in de marge te observeren en vooral te leren.”

kerk-dienst_pixabay
Geloofsgemeenschap (afbeelding ter illustratie) Beeld door: Pixabay

U gaf net aan dat de verschillen in gebedshuizen voor u niet essentieel zijn. Nu is Sant’Egidio een katholieke gemeenschap. Had u zich niet beter kunnen aansluiten bij een oecumenische kerk?

“Ik ben daar per toeval terecht gekomen vanwege de sociale activiteiten die georganiseerd werden voor daklozen en armen. Ik was er begonnen als vrijwilliger, zonder goed te beseffen dat er een sterk christelijke inspiratie was. Ik vond het werk dat men er deed heel mooi, waardoor ik besloot er een reportage over te maken. Zodoende kwam ik bij de kerkdienst terecht en ben ik blijven gaan, wat zowel mij als de mensen daar verbaasde. Als je mij pakweg een jaar geleden zou zeggen dat ik zou proberen iedere week naar de mis te gaan en ook nog eens ‘s woensdags naar het gebed, dan had ik u voor gek verklaard. Want wat zou ik daar gaan doen? Katholieke diensten kunnen ongelofelijk saai zijn. Ik heb nog jeugdtrauma’s van de zalvende manier waarop priesters kunnen praten. Dat is iets waar ik hard van weggelopen ben. Het roept bij mij een gevoel op van hoe beklemmend en verkrampt godsdienst kan zijn. Maar dat heb ik dus helemaal niet bij Sant’Egidio. Het gebed daar is pure vreugde. Er hangt een jubelsfeer.”

3. De armenbelasting (zakat)

“In België zeggen we dat “je af en toe een vis in het water moet teruggooien”. Daarmee wordt bedoeld dat je niet altijd alles moet willen hebben, maar ook moet geven en delen. Je kan zeggen dat dat ethisch is. Maar je kan ook zeggen dat je daarmee rampspoed afwendt vanuit een bijgeloof. Er zit maar een dun lijntje tussen ethiek en bijgeloof. Daar schipper ik wel eens tussen (lacht).”

Dat geven is dus niet geheel onbaatzuchtig? 

“Dat is in veel godsdiensten denk ik zo. Maar zeker in het katholieke geloof, wordt er gegeven om een strafvermindering te krijgen voor een zonde die je hebt begaan. Een aflaat heet dat. Wanneer je door iets naars getroffen wordt, krijg je al snel de gedachte dat het een straf van God zou zijn. De verhalen in de Bijbel over de toorn van God die branden en overstromingen veroorzaakt om zijn volk te straffen, zit er heel erg ingebakken. Maar er zijn méér religieuze en filosofische verhalen en visies die breed circuleren. Ik merk aan mezelf dat ik al die verhalen oppik en daar een bijgelovige houding in aanneem. Daar ben ik nog niet eenduidig in.

Zo heb ik op school veel meegekregen over de Griekse en Romeinse mythologie. Griekse goden zouden heel wispelturig zijn en jaloers zijn op de mens. Als de mens te gelukkig is, brengen de goden hem ten val, omdat ze dat niet kunnen verdragen. Hoewel ik ervan los probeer te komen, achtervolgt die gedachte me soms nog steeds.

Toch moet je het kind niet met het badwater willen weggooien. Ik denk dat heel veel van die verhalen ons helpen om betekenis te geven aan ons leven, ons helpen definiëren hoe we naar ons zelf kijken, naar het leven in het algemeen en hoe we ons verhouden tot andere mensen. Een verhaal helpt je ook om te omvatten wat er met je gebeurt. Als je getroffen wordt door iets naars, dan kun je je afvragen waarom dit jou overkomt. Maar dat is een zinloze vraag. Hoe moeilijk het ook is, je moet leren aanvaarden dat het een deel van het pakket is wat je hebt gekregen.

Ik heb zelf borstkanker gehad. Mijn eerste reflex was om die kankercellen te zien als vijand. Maar er zijn ook momenten geweest waarop ik dacht: ‘ja maar die kankercellen dat ben ik ook, die zijn ook een deel van mijn lichaam’. In het westen zijn we heel erg geneigd om ons ertegen te willen verzetten, de strijd aan te gaan. Zo staan we ook tegen de dood. De dood als de grote vijand die buiten de deur moet worden gehouden. Maar je kan het in principe omkeren. Het is onderdeel van het leven. Zonder de dood is er geen leven.” 

U noemde zojuist de invloed van verhalen die u links en rechts heeft opgepikt. Een hele generatie groeit op zonder te weten waar christelijke (feest)dagen precies om draaien. Maakt u zich daar wel eens zorgen over? 

“Cultuurhistorisch gezien is dat natuurlijk rampzalig. Ik heb jaren literatuur onderwezen en dan zie je dat daarin heel veel metaforen, beelden en verhalen worden gebruikt die komen uit de Bijbel, de ritus en de liturgie. Veel mensen weten inderdaad niet meer, waar bijvoorbeeld Pasen om draait. Het probleem is dat wanneer de metaforen die daarbij horen, niet meer begrepen worden, dat veel kunst betekenisloos wordt.” 

Een paar jaar geleden verscheen er nieuwe vertaling van de Bijbel, omdat veel mensen de taal van de Bijbel niet begrepen. Vindt u dat ook een verarming?  

“Dat vind ik een heel moeilijke kwestie. Het is natuurlijk wel handig als taal toegankelijker wordt gemaakt. Je moet het in elk geval niet willen banaliseren, omdat daarmee bepaalde nuances verloren gaan. Maar in de meest ideale situatie gebruik je de oude en de nieuwe versie naast elkaar.” 

4. Het vasten in de maand Ramadan (sawm)

We spraken over de moderne mens die te veel met zichzelf bezig is en daarmee uit het oog verliest, wat hij werkelijk nodig heeft. Op welke manier kan deze met zichzelf en met anderen in het reine komen?

“Door dankbaar te zijn en zelfkritisch. Er zijn zoveel mensen die verbitterd en ontevreden zijn, zich verongelijkt voelen en die ervaren dat het glas halfvol is. Dat is het resultaat van die ‘never ending story’. Het is belangrijk dat je oog hebt voor het al het goede wat je hebt en dat je die dankbaarheid uit in vriendelijkheid en hartelijkheid naar andere mensen toe. We wijzen veel te snel met een vinger naar een ander. Terwijl de sleutel toch echt ligt in het kritisch naar jezelf kijken.

Er komt een zin in me op uit het evangelie: “Je ziet de splinter in het oog van een ander, maar je ziet niet de balk in je eigen oog”. Dat is wat mensen voortdurend doen. Ze zijn heel kritisch tegenover andere mensen maar vragen zichzelf nooit af of ze misschien hetzelfde doen.”

Kunt u daar een voorbeeld van noemen?

“Bij ons wordt er bijvoorbeeld enorm gezeurd over hoofddoeken. In Nederland kan je als je in de zorg werkt een hoofddoek dragen. Bij ons in België kan dat niet. Ik las vanochtend in de krant dat vanaf vandaag in de rechtbank voortaan wel een keppeltje of een hoofddoek gedragen mag worden. Ik wist niet eens dat dat verboden was. Ik dacht: “zijn we helemaal gek geworden”. Ik denk dat we gewoon eens stil moeten staan en bij onszelf te rade moeten gaan aan welke gewoonten en gebruiken wij gehecht zijn, en die voor anderen even goed bizar zijn. Als je naar het buitenland gaat, neem je je eigenaardigheden mee. Dat is menselijk. Dat zien we aan Belgen, Duitsers en Nederlanders die op vakantie zijn in Spanje. Dat zien we ook terug in onze koloniale geschiedenis. Denk je dat Nederlanders daar als Indonesiërs zijn gaan leven of Belgen als Congolezen? In wezen doen wij niet anders. Dat is belangrijk om te beseffen.”

5. De bedevaart naar Mekka (hadj)

U heeft veel reizen gemaakt in letterlijke zin, maar als schrijfster maakt u ook de nodige ‘reizen’ door de geschiedenis, door tijd. Wat hebben die reizen u geleerd?

“Of je nu door de ruimte reist of door de tijd, je komt tot de ontdekking dat er heel veel in mensen zit, wat constant is. Overal ter wereld en in alle tijden verlangen mensen naar warmte, geborgenheid en liefde. Ze bekommeren zich om hun kinderen. Ze hebben bepaalde angsten en verlangens. Dat is wat we als mensen gemeen hebben met elkaar.

De vluchteling die in een bootje de zee of de oceaan moet oversteken, dat is een mens zoals wij. Het is onzin om te denken dat mensen uit Afghanistan de ellende gewend zijn. Als er een bom op je huis valt, is het daar even erg als dat het hier zou gebeuren. De essentie is overal hetzelfde, mensen zijn blij als het feest is, en verdrietig bij een uitvaart.

Natuurlijk zijn er verschillen qua gebruiken, tradities en historische ontwikkeling. Die verschillen zijn er ook tussen Nederland en België, ook al delen we dezelfde taal. Daar sta ik soms nog van te kijken (lacht). Maar daar moeten we ons niet op blindstaren. Mensen kunnen zich zo druk maken over verschillen, dat ze daarin doorschieten.

Wat me innig trof is een gesprek dat ik ooit had met een lerares in Londen. Ze was uitgevallen tegen een Somalisch jongetje omdat hij haar niet recht in de ogen aankeek. Terwijl dat in zijn cultuur juist een teken van respect is. Dat is erg verwarrend voor zo’n kind. Dat moet je niet zo aanpakken. Ga het gesprek aan en probeer het te begrijpen.

In Antwerpen hebben we bijvoorbeeld een orthodox-joodse gemeenschap waarbij de mannen vrouwen de hand niet schudden. Daar kun je van alles van vinden. Maar ik vind het veel belangrijker dat mensen correct met je omgaan. En als dat zonder de handen te schudden kan, dan vind ik dat prima. Ik aanvaard dat mensen in hun plogendheden (gewoonten en gebruiken – MB) bepaalde dingen doen of nalaten, zoals wij dat op onze eigen manier ook doen.”

Maria Bouanani

Maria Bouanani

Maria Bouanani studeerde Franse Taal en Cultuur aan de Faculteit Letteren van de Universiteit Utrecht. Voor Nieuw Wij schrijft ze …
Profiel-pagina
Nog geen reactie — begin het gesprek.