Het diversiteitsbeleid waar Van der Veer onderzoek naar doet betreft gemeentelijke interventies op het gebied van sociale rechtvaardigheid, inclusie, anti-discriminatie en samenleven. “Het begrip diversiteit kwam op nadat termen als minderhedenbeleid of integratiebeleid onder vuur kwamen te liggen,” vertelt Van der Veer. “Diversiteit droeg de belofte in zich weg te bewegen van beleid dat sommige groepen altijd tot ‘de ander’ maakt. Het had potentie de stigmatiserende werking van categorieën niet aan die groepen mensen te laten kleven. En het had potentie om geijkte dominante normen niet langer impliciet als uitgangspunt te nemen.”

Maar in de huidige politieke context is ‘diversiteit’ zelf onderwerp van strijd geworden. Met de opkomst van rechts-populistische partijen staat diversiteitsbeleid onder druk. Beleidsmedewerkers merken dat. Van der Veer beschrijft hoe zij in haar veldwerk zag dat ambtenaren zich als het ware “op de winter aan het voorbereiden” waren. “Een vraag die onder ambtenaren leeft is hoe ze gelijkheid en rechtvaardigheid zo kunnen institutionaliseren dat het blijft bestaan, ook als het politieke klimaat ten opzichte van diversiteitsbeleid guurder wordt.” Van der Veer zag dat beleidsmedewerkers vormen van ambtelijk vakmanschap aanwenden om diversiteitsbeleid te borgen en verankeren.

Symbolen: krachtig of vaag?

Maar naast de druk vanuit rechts-populistische partijen op diversiteitsbeleid klinkt er ook al jarenlang kritiek vanuit Zwarte feministische denkers, vertelt Van der Veer. Deze denkers merkten terecht op dat diversiteitsbeleid nietszeggend kan zijn. Het kan een leeg begrip zijn waar iedereen zich makkelijk achter kan scharen zonder dat er structureel iets verandert. Ook de ambtenaren met wie Van der Veer sprak erkennen dit probleem. Diversiteitsbeleid kan een speeltje worden, erkenden sommigen van hen.

Tegelijkertijd sprak Van der Veer met ambtenaren die er voor waarschuwen om de zeggingskracht van symbolen te onderschatten. Symbolen zijn krachtig in het mobiliseren van betekenissen. Wanneer een regenboogzebrapad wordt overgeschilderd of een slavernijmonument wordt vernield, geeft dat velen een verslagen gevoel. De vraag is dus hoe zulke symbolen in de openbare ruimte zich verhouden tot structurele verandering. Het dilemma daarbij voor ambtenaren is om symboliek hun werk te laten doen zonder beleid te maken dat symbolisch is.

Doelgroepentaboes

Een ander dilemma dat in het onderzoek van Van der Veer naar voren komt, heeft te maken met het taboe op doelgroepenbeleid. Ambtenaren krijgen de opdracht diversiteitsbeleid te maken dat ‘voor iedereen’ is, maar het risico daarbij is dat dit beleid zo algemeen is dat het beleid ‘voor niemand’ wordt. Van der Veer vertelt dat ambtenaren bang zijn om specifieke vormen van discriminatie te benoemen, zoals de discriminatie van zwarte mensen of islamitische mensen. Van der Veer: “Deze ambtenaren voorzien dat politieke opponenten het benoemen van deze vormen van discriminatie zullen wegzetten als voorkeursbeleid—beeldvorming waarvan wordt gevreesd dat dit gediscrimineerde mensen niet ten goede zal komen.”

Maar hoe maak je als ambtenaar dan rechtvaardig beleid als het gevaarlijk wordt gevonden om structurele marginalisering te benoemen? Van der Veer vertelt hoe deze vraag leeft onder de beleidsmedewerkers die zij sprak. Daarbij merkt ze op dat de vragen waar ambtenaren mee worstelen vergelijkbaar zijn met vragen die sociaal-wetenschappers zichzelf stellen. Beide proberen de sociale werkelijkheid te ordenen. “Niet alleen sociaal-wetenschappers reflecteren op de houdbaarheid van indicatoren of de meetbaarheid van bepaald fenomeen, ambtenaren doen dat ook.”

Van der Veer noemt als voorbeeld de data over discriminatie. Die zijn volgens haar belangrijk om beleid te staven en urgentie voor sociale rechtvaardigheid te creëren. Maar ze roepen—zowel onder ambtenaren als onder sociaal-wetenschappers—ook vragen op. “Net als sociaal-wetenschappers zijn ambtenaren kritisch over wat kennis is, wat de impact is van kennis in de praktijk, en wat er geteld moet worden en waarom.”

Emoties in beleid

In beleid worden vaak beelden van het verleden opgeroepen om huidig beleid tegen af te zetten, vertelt Van der Veer. Zo wordt het doelgroepenbeleid uit de jaren tachtig regelmatig neergezet als fout: het zou segregatie hebben bevorderd. Dat beeld wordt gebruikt om de keuze voor generiek beleid vandaag te legitimeren en taboes op doelgroepenbeleid aan te wakkeren. Evenzo klinkt er nostalgie naar de naoorlogse verzorgingsstaat die zogenaamd voor iedereen was. Historisch onderzoek laat echter zien dat ook toen niet iedereen gelijk werd behandeld. “Het verleden is dus geen neutraal referentiepunt. Het wordt gereconstrueerd om een bepaalde toekomstvisie te onderbouwen. Juist daarom is het altijd belangrijk om die beelden kritisch te bevragen en te kijken naar de emoties die met deze beelden verweven zijn,” betoogt Van der Veer. “Beleid is vaak vol van nostalgie, angst, en taboes.”

Beleid maak je niet alleen op papier

Beleid wordt gemaakt in vergaderingen op het stadhuis, maar ook in wandelgangen, in informele gesprekken met wethouders, en in ontmoetingen met maatschappelijke organisaties. Het maken van beleid is daarom relationeel, vertelt Van der Veer. “Gemeenten doen aan wat beleidswetenschappers collaborative governance noemen: ze werken samen met maatschappelijke organisaties. Die relaties lijken horizontaal, maar zijn vaak gestructureerd door top-down financieringsstructuren. Dat levert spanningen op.” Tegelijkertijd ziet Van der Veer ook dat ambtenaren sympathie voelen voor ‘change agents’ en dat ze het belangrijk vinden dat maatschappelijke organisaties beleid kunnen uitdagen. Van der Veer: “Daar, op het snijvlak van grassroots-bewegingen en beleid, ontstaat zo een interessante dans.”

Hoe verder?

Misschien is de belangrijkste les wel deze: kijk naar het gezamenlijke doel. Achter schijnbaar tegengestelde posities – beleid en activisme, bureaucratie en grassroots – schuilen soms gedeelde zorgen over sociale rechtvaardigheid.

Volgens Van der Veer hoeven we niet te kiezen tussen óf klimaat, óf antiracisme, óf gendergelijkheid. “Intersectionaliteit helpt om te zien hoe verschillende vormen van strijd met elkaar verbonden zijn. Dat kan mensen helpen om zich samen beter te verhouden tot de bestaande structuren.”

Lees ook

Fatma Aktas 3

Het magische effect van ‘liefde’ op integratie

Rolmodellen over de integratie van migranten in Nederland (2)

1639081487698

Nina Conkova

Nina Conkova is senior onderzoeker bij Leyden Academy on Vitality and Ageing. Nina zet zich met hart en ziel voor een goede oude dag voor …
Profiel-pagina
Nog geen reactie — begin het gesprek.