“Ik ben niet trots op Nederland, dat is onzin, maar ik voel me wel verbonden met Nederland. Zoals bijvoorbeeld ook met Europa. En met mijn geleerde collega’s uit de hele wereld. En ook met Rotterdam. Dat zijn allemaal overlappende verbondenheden.

Ik heb als kind hier in Rotterdam gewoond en daar heb ik prettige herinneringen aan. Ook toen ik in Leiden woonde, ging ik graag even ’s avonds met de auto naar Rotterdam, even bij de Bijenkorf kijken. Ik had nog steeds wel binding met Rotterdam.

Ik ben in 1935 geboren, hier in Rotterdam. De oorlog herinner ik me nog goed. Het bombardement herinner ik me nog net, dat is denk ik een van mijn eerste herinneringen. Verder herinner ik me de hongerwinter. Die was heel heftig hoor. Want er was niks, geen gas, geen elektriciteit, niks. Mensen werkten met zelfgemaakte kaarsjes. En er was heel weinig eten, maar we hebben het gered. Ik heb veel suikerbiet gegeten. Maar geen bloembollen, dat ‘voorrecht’ heb ik nooit gehad. Maar mijn vader had een doos met banketbakkersessence en daar kon je die suikerbieten allerlei smaken mee geven. En je kon er ook nasi mee maken. Dat weet ik allemaal nog heel goed.

Een jaar of zes, zeven ben ik heel ziek geweest, toen was ik weg uit de stad. En daarna ben ik meteen gaan studeren, in Leiden. Ik heb natuurkunde gestudeerd en kon meteen bij de universiteit blijven. Toen ben ik in 1967 voor twee jaar naar Amerika gegaan, heb materiaal voor mijn proefschrift gezocht en ben ik tot mijn pensioen aan de universiteit gebleven. Daarna ben ik teruggegaan naar Rotterdam.

Multicultureel Rotterdam van nu

De stad is wel veranderd, natuurlijk, maar niet in de basis. De atmosfeer en hoe de mensen met elkaar omgaan heb ik eigenlijk niet zien veranderen. Rotterdammers zijn makkelijk in de omgang. Ze zijn veel aardiger dan Amsterdammers. Ze zijn een beetje ordinair, maar aardig. Ja, dat vind ik dus. Het valt me op hoe ontzettend behulpzaam mensen zijn. Bijvoorbeeld een conducteur op een tram die je naar binnen helpt.

Economisch schijnt het niet zo goed te gaan met de stad omdat er toch veel armoede is, nog steeds. Maar dat zie ik natuurlijk niet zo. Je hebt nu die mooie Markthal erbij, je hebt een goede boekhandel, en er is goede muziek. Ik ben me niet zo bewust van wat er in bepaalde buitenwijken gebeurt. Ik woon hier in de binnenstad. Juist in dit soort binnenstadwijken is veel geïnvesteerd, in buurthuizen en dergelijke. De buitenwijken zijn volledig wit. En juist die mensen hebben de grootste bezwaren. Die hebben nog nooit een allochtoon gezien. Ik kom er een enkele keer en dan denk ik: blij dat ik daar niet woon. Dat is zo saai. Mijn buurman zou het liefst verhuizen. Hij is een aardige man en we praten wel eens, maar hij is ontzettend rechts.

Ik vind het hier leuk wonen. En die meisjes die hier wonen, die studeren allemaal of hebben een leuke baan. Dus wat ik zie aan integratie is prima. Wat ik ervan zie is ‘gelukt’. Die meisjes, die zijn Rotterdams gewoon. En ik heb het idee dat voor hen het Rotterdams zijn belangrijker is dan het Nederlands zijn. Kijk, in Rotterdam wonen enorm grote gemeenschappen Kaapverdianen, Turken, Marokkanen, Surinamers… In Rotterdam kunnen ze hun gemeenschap vormgeven. Maar je hebt gelukkig geen speciale wijken, geen etnische wijken. Dat zou een slechte zaak zijn.

Taal en thuisgevoel

Het belangrijkste is de taal. Dat is wat je hebt als identiteit – om te denken en te spreken. Dat is zo’n belangrijk onderdeel van je identiteit. En het gekke is dat we daar in Nederland eigenlijk niets om geven. Als ik zie dat mijn collega’s het liefst in het Engels spreken omdat ze denken dat ze dan kosmopolitisch zijn, zelfs als het slecht Engels is, dan vind ik dat heel dwaas en dom. De Belgen, de Vlamingen althans, zijn gelukkig niet zo. Maar zij hebben moeten vechten voor hun taal.

Ik maak met iedereen contact. Vorige week zat ik op een bankje naast drie mensen die, wat ik meende, Russisch spraken. Ik vroeg: ‘Wat spreken jullie? Is dat Russisch?’ Het bleek Bosnisch te zijn. Vervolgens heb ik een heel gesprek met ze gehad. Ik had net een programma over Bosnië gezien en zij ook. Dus daar hebben we over zitten praten en aan het einde zeiden we elkaar gedag. Dat doe ik vaak hoor. Als ik iemand een vreemde taal hoor spreken, dan vraag ik daarnaar. Mensen vinden het leuk om daarover te praten. Ik
praat met iedereen.

Ik heb een Syriër taaltraining gegeven en ik ga dat binnenkort ook met een Eritreeër doen. Ik vind het belangrijk om mensen een beetje wegwijs te maken door hen de taal te leren. Bovendien heb ik er de tijd voor om iemand daarbij te helpen.”

U kunt gratis verder lezen

Klik deze melding weg via het kruisje. Maar goede artikelen schrijven kost geld. Steun daarom onze schrijvers en word al vanaf € 5 per maand Vriend/in van Nieuw Wij.

Ik lees eerst het artikel verder.
Gé Speelman

Gé Speelman

Docent Protestantse Theologische Universiteit

Gé Speelman is docent aan de Protestantse Theologische Universiteit (Pthu). Zij richt zich onder andere op de dialoog tussen christenen en …
Profiel-pagina
Welmoet_Boender

Welmoet Boender

Islamoloog

Welmoet Boender is universitair docent Islam aan de Vrije Universiteit Amsterdam.
Profiel-pagina
Nog geen reactie — begin het gesprek.