Wat is het probleem?

“De kloof die er is tussen de dringende maatschappelijke noodzakelijkheid voor goede academische kennis van religie en dat wat er op dit moment gebeurt op de faculteiten na alle bezuinigingen. Als je kijkt naar wat men in de maatschappij denkt over religie, dan stuit je vooral op vooroordelen. Het lukt de theologie en religiewetenschapen niet om daar adequaat op in te spelen. Religie en spiritualiteit leeft meer dan ooit. Het is dan ook de hoogste tijd om de zeilen bij te zetten, om zo de wending te kunnen maken die zo hard nodig is.”

En, hoe zien theologie en religiewetenschappen eruit in de toekomst?

“Als een pluriform, maar overzichtelijk veld dat tegelijkertijd een loketfunctie heeft voor allerlei vragen omtrent religie en spiritualiteit. Althans, daar willen we op aansturen met ons rapport. Het belangrijkste is dat het onderzoek wordt gebundeld, dat de samenwerking wordt gezocht.”

Jullie constateren het zelf: er wordt al sinds 1989 opgeroepen tot samenwerking, zonder dat er gehoor aan wordt gegeven. Waarom zou het nu anders zijn?

“De urgentie is nog nooit zo duidelijk voelbaar geweest voor de faculteiten. De bereidheid om samen te werken is al veel groter geworden. Je ziet het al gebeuren: Groningen werkt samen met Nijmegen en ook de VU, PThU en Groningen doen dat. Utrecht wil samen met Leiden en UvA een researchmaster ontwikkelen en ook Kampen en Apeldoorn groeien naar elkaar toe. Je ziet al allerlei samenwerkingsverbanden ontstaan, maar dat moet nog wel een zetje krijgen.”

Hoe ziet dat zetje eruit?

“Dat we in september 2015 willen beginnen met het opzetten van een onderzoeksprogramma en een onderzoeksagenda, in het NIAS-KNAW in Wassenaar. Uitgevoerd door een nog op te richten onderzoeksgroep Netherlands Academy of Religion (NAR) bestaande uit een aantal trekkers van verschillende universiteiten. Het doel is hiermee om tot een overkoepelende visie te komen over wat er nodig is aan theologie en aan kennis van religie in de huidige maatschappij. Iets wat nu nog ontbreekt, omdat er nog zoveel op de eigen eilandjes wordt geopereerd.”

Theologie en religiewetenschappen worden vaak van elkaar onderscheiden door te zeggen dat theologie staat voor een binnenperspectief en religiewetenschappen voor een buitenperspectief, waarbij er binnen de theologie ruimte is voor een normatieve waarheidsclaim. Blijft dit onderscheid in de toekomst bestaan?

“Het is van maatschappelijk belang dat dit onderscheid juist steeds minder wordt en dat de kennis uit beide benaderingen gedeeld wordt. Je ziet nu al mengvormen ontstaan en we constateren dat het prima samen kan gaan. Er is nu nog wel een scheiding, maar wij pleiten er juist voor om deze twee benaderingen bij elkaar te brengen. Simpelweg door met elkaar in gesprek te gaan, zonder dat je je eigen overtuiging overboord hoeft te gooien. Wil je meer zichtbaar zijn in de maatschappij, dan dien je de handen ineen te slaan.”

Al jullie aanbevelingen gaan over het zoeken naar samenwerking. Niet alleen onderling, maar ook met hbo-instellingen en met middelbare scholen. Wat is uiteindelijk het doel van die samenwerking?

“Enerzijds dus die zichtbaarheid en kennis in de maatschappij vergroten, maar anderzijds is er ook inhoudelijk een omslag nodig naar een breder religiebegrip. Momenteel wordt religie hoofdzakelijk bekeken vanuit een protestantse achtergrond en denkkader. Dat betekent dat je zoekt naar een religie gedefinieerd in termen van doctrina, van leer. Als je kijkt naar hoe vragenlijsten worden geformuleerd, dan zie je vaak de vraag terug: ‘gelooft u in…?’ Een breder religiebegrip kijkt veel verder, naar kleding bijvoorbeeld, en gewoontes. Alles eigenlijk wat gelovigen zelf onder religie en spiritualiteit verstaan. Vandaar dat het landelijke onderzoeksprogramma waar we mee willen beginnen als onderwerp ‘lived religion’, ofwel geleefde religie, heeft. Een onderzoek dat met beide benen in de pluriforme realiteit staat en in kaart wil brengen welke rol theologen en religiewetenschappers in die realiteit dienen te spelen, willen ze maatschappelijk relevant zijn.”

Wat vond u zelf het meest opmerkelijke dat u tijdens het onderzoek tegenkwam?

“We hebben verschillende forumbijeenkomsten gehouden, met bestuurders, maar ook met jonge wetenschappers. Bij de bestuurders zag je meteen het gevecht met en de verschillende visies rondom het behoud van de eigen structuren. Terwijl de jonge onderzoekers veel meer ideeën voor de toekomst hadden dan we in eerste instantie dachten. Daar kwamen goede en belangrijke dingen uit, zo ook het pleidooi om in het middelbaar onderwijs het religieonderwijs te versterken. Wij zien dat tot nog toe godsdienstonderwijs voornamelijk gegeven wordt binnen de eigen religie, vanuit een heel smal godsdienstbegrip. Terwijl als je ergens moet beginnen met dat brede godsdienstbegrip, met de strijd tegen die vooroordelen, dan is het wel op de middelbare scholen.”

Jullie plannen klinken prachtig en ook oprecht als een oplossing voor een langslepend probleem. Maar nou nog die weerbarstige praktijk, van bestuurders en opleidingscoördinatoren die al hun energie steken om het hoofd boven water houden – of juist de kop in het zand steken. Waar moeten zij de tijd en het geld vandaan halen om deze omslag te maken?

“Het laatste wat wij willen en nodig hebben is dat er nu iemand met een grote zak geld komt en zegt: ‘jongens, ga maar doen’. Nee, het moet uit het veld zelf komen, anders zal het ook geen stand houden. Dat betekent dat je het op moet bouwen, stap voor stap. Daarom beginnen we in september met een aantal trekkers die die eerste plannen gaan ontwikkelen. Dat hoeft niet veel geld te kosten en kan bij het KNAW instituut. Dat moet ontwikkeld worden en daarna gaan we in gesprek met stakeholders, die overal in de maatschappij te vinden zijn.”

Maar ik zie zoveel worstelende onderwijsinstellingen die, onder invloed van bezuinigingen en dus personeelstekort, het niet eens voor elkaar krijgen studenten te voorzien van maatschappelijk relevante kennis, laat staan dat ze die studenten voorbereiden op de almaar veranderende arbeidsmarkt. Jullie rapport heet: ‘Klaar om te wenden…’ Hoe zorg je ervoor dat men te midden van die chaos zegt: ‘Ja, we willen wenden, we zijn er klaar voor.’

“Als je het plaatje goed bekijkt dan zie je dat dit wenden niet in alle rust zal gebeuren, integendeel. Daar zijn wij ons heel goed van bewust. Tegelijkertijd is het niet allemaal kommer en kwel, er zijn ook faculteiten die veel geld binnen halen voor onderzoek; er zijn goede plannen. Er is zeker wil en ook kunde. Dus zo pessimistisch ben ik niet.”

U zei dat u verrast was over de ideeën van de jonge onderzoekers die jullie bij het onderzoek hadden betrokken. In hoeverre is er plek voor hen in die NAR?

“Je zult moeten beginnen met een aantal mensen die gezag hebben. Dat klinkt naar, ik bedoel niet gezag in functie, maar inhoudelijk gezag. Maar het ideaal en wellicht een mogelijkheid vanaf het begin is een mix tussen oud en jong.”

Heeft u al mensen bereid gevonden om hiermee aan de slag te gaan?

“Ja. Maar het is nog te vroeg om concrete namen te noemen. Wel kan ik al zeggen dat de Vrije Universiteit in Amsterdam, Rijksuniversiteit Groningen, Universiteit Utrecht en Radboud Universiteit te Nijmegen bereid zijn om mee te denken en mee te werken. De volgende stap is nu de vergadering van het Nederlands Genootschap van Godsdienstwetenschap (NGG) op 29 mei aanstaande, in het NIDI in Den Haag, over onze bevindingen. Daar gaan we ook kijken naar welke vervolgstappen er genomen moeten worden.”

Geen opleiding zonder studenten. In het rapport staat geschreven: ‘Het veld slaagt er onvoldoende in om nieuwe beroepsprofielen te ontwikkelen en aankomende studenten ertoe te bewegen om religie als hoofdstudie te kiezen.’ Welke nieuwe beroepsprofielen ziet u in de toekomst ontstaan?

“Daar heb ik niet direct een idee bij. De traditionele beroepen als voorganger al dan niet in een gemeente, maar ook de journalistiek, het onderwijs en de overheids- en zorgsector – daar heb je mensen nodig die verstand hebben van religie. Wij hebben het idee dat het HBO hier alerter is dan de universitaire wereld. We adviseren universiteiten dan ook met hen in gesprek te gaan.”

Ik ben het met u eens dat die kennis van levensbelang is. Maar nu de rest van Nederland nog… Op dit moment lopen afgestudeerden juist aan tegen het feit dat er geen banen zijn. Ze moeten deze veelal zelf opzoeken en creëren, iets waar de opleidingen zelf hen weinig op voorbereiden.

“Het is een kip-en-ei kwestie. We moeten alle zeilen bijzetten om de samenleving ervan te doordringen dat religie ertoe doet. Juist daarom moeten we die samenwerking zoeken, een gezamenlijke visie formuleren en dat bredere religiebegrip inzetten bij ons onderzoek. Wat dat betreft is er meer dan genoeg te doen voor afgestudeerden en promovendi.”

De gedrukte versie van het rapport verschijnt 8 juni.

elzer

Elze Riemer

Godsdienstwetenschapper en Journalist

Elze Riemer is freelance journalist voor verschillende media op het vlak van zingeving en religie. Haar specialiteit is het verdiepende …
Profiel-pagina
Nog geen reactie — begin het gesprek.