Waarom dit boek?

“Centraal in het boek staat waar ik zo van onder de indruk ben: hoeveel er om hulp geroepen wordt door de mensheid. Hoeveel schreeuwen om uitkomst er is. De Franse schrijfster Marguerite Duras schrijft ergens: ‘probeer het je eens voor te stellen, al die miljoenen handen van de mensheid die worden uitgestrekt in nood. Naar wat roepen ze, wie roepen ze? Is er hulp? Niemand weet het. Roepen ze naar de leegte? Naar God?’
Dat roepen ligt ook vervat in de naam Kwan Yin, want dat betekent letterlijk: ‘zij die luistert naar het roepen’. En het belangrijkste is: ja, er wordt geluisterd naar ons roepen. In elke religie komt dat tot uitdrukking. Maar waarom wordt degene die luistert gezien als een vrouwelijke gestalte? Waar je ook komt in de wereld, als er in een kerk of tempel zeven kaarsen worden gebrand voor Christus of voor Boeddha, dan staan daar zeventig kaarsen voor de moeder Gods of Kwan Yin tegenover. Er is blijkbaar een weten van het menselijk hart, dat je met je nood toch allereerst bij een moederfiguur terecht kunt. De vrouwelijke gestalten laten deze verbondenheid met compassie zien.”

Maar hoezo een gestalte? We hadden God met de baard op de wolk toch weggedaan, waarom nu een vrouwelijke godin?

“Nee, het gaat niet om godinnen. Ooit leerde ik van mijn vroegere hoogleraar godsdienstpsychologie Han Fortmann: mensen zijn symbolische wezens. Wij hebben symbolen nodig. We gebruiken natuurlijk ook abstracte begrippen wanneer we het hebben over compassie. Maar laten we eerlijk zijn: niemand die in nood zit roept ‘O grote leegte: help mij! O absolute werkelijkheid, help mij!’. Nee, dan roep je tot een persoon, een gelaat.
Natuurlijk is degene die aangeroepen wordt dan een symbool. Maar een symbool drukt wel degelijk iets uit van de werkelijkheid, van een Aanwezigheid, zoals Fortmann het noemt, die dieper reikt dan met gewone taal kan worden weergegeven. Daarom bestaat er ook kunst, want ook kunst reikt, juist als het symbool, dieper in de werkelijkheid.
Ook vanuit het boeddhisme wordt er dikwijls op gewezen hoe belangrijk de taal van symbolen en gestalten is. Juist om uit te drukken dat hetgene of degene die luistert naar onze smeekbeden een levende werkelijkheid of aanwezigheid is. Er is blijkbaar een diep weten van het menselijk hart dat wat we roepen, gehoord wordt in liefde en mededogen.”

Is dat dan zoiets als de persoonlijke kant van God?

“Er wordt meestal gezegd dat in het boeddhisme de diepste werkelijkheid onpersoonlijk is, terwijl die in het christendom vooral persoonlijk is in de gestalte van God. Maar grote boeddhistische denkers zoals Hisamatsu en mijn eigen leraar Masao Abe, de belangrijkste woordvoerder, in de dialoog met het christendom, zien dat anders. Abe zei altijd: in het boeddhisme is die ultieme werkelijkheid voorbij persoonlijk en onpersoonlijk. Allebei schieten die tekort als uitdrukking. Het is minstens óók persoonlijk, en tegelijkertijd is het meer. Een persoon is voor ons hart dichterbij.
En ja, die gestalte is vrouwelijk. In het boeddhisme wordt van de Boeddha’s gezegd dat ze voortkomen uit de ‘moederschoot van de diepste werkelijkheid’. Maar in de officiële hiërarchie wordt altijd het mannelijke over-benadrukt en dat klopt niet. Daarom is het nodig om het vrouwelijke meer naar voren te halen.”

Als er voor elke kaars voor Jezus tien kaarsen voor Maria branden, is er toch eerder overmacht aan de vrouwelijke kant?

“Niet in de officiële theologische verhandelingen, daar is de sfeer nog altijd patriarchaal. Eigenlijk wil ik met mijn boek allereerst mezelf wakker houden – dat ik blijf luisteren naar de noodkreten. Ten tweede wil ik alert blijven op het feit dat het toch altijd de moeder is die de barmhartigheid vertegenwoordigt. Er is een Chinees gezegde: de vader is streng, de moeder lankmoedig. Dat verschil tussen man en vrouw is er toch.”

Bij mij thuis was het andersom hoor…

“Dat heb ik van veel mensen gehoord. Er zijn inderdaad krengen van vrouwen, en fantastisch warme mannen, dat is helemaal waar. Fortmann benadrukt ook dat je het niet zwart-wit moet zien. Maar toch is er een verschil tussen de moederlijke en de vaderlijke houding.”

Sommige schrijvers die je citeert, vergelijken het negatieve van het mannelijke: destructief, overmeesterend – met het positieve van het vrouwelijke: koesterend, ieder in zijn waarde latend. Volgens mijn eigen onderzoek staat het symbool van de draak juist voor de verslindende begeerte van vrouwen.

“Ja, dat is bijvoorbeeld ook zo in Die Zauberflöte van Mozart. Kwan Yin wordt vaak staande op een draak afgebeeld. Maar in het Oosten is de draak eerder een positief symbool: ze beeldt de felle, vurige krachten van het universum uit.”

Een van de mooiste stukken in je boek vond ik het verhaal over de Indiase godin Kali die onthoofd wordt. Haar hoofd komt op het lichaam van een prostituée terecht en zij trekt hoererend door de wereld. Daar symboliseert het vrouwelijke dus ook het materiële, zinnelijke bestaan, de lagere instincten van de mens.

“Dat zie je ook bij de Russische dichter Alexandr Blok. Hij schrijft over wat hij de Schone Dame noemt als een lichtvolle gestalte, maar naderhand verandert zij in een gedaante die hij Astarte noemt; dan komen andere kanten ook aan bod, ook de donkere. Dat vind ik zo ontroerend – ook die duistere kant van de gestalte moet helemaal aanvaard en geïntegreerd worden.”

Het gaat dus niet alleen over het overstijgen van mannelijk en vrouwelijk, maar ook van goed en kwaad?

“Precies! Daarom ben ik zo blij met de dichters als Blok en ook Bialik verderop in mijn boek; die dat laten zien.”

Ander onderwerp. Vanwaar je pleidooi voor ethisch handelen in het boeddhisme? Schort er iets aan in dat opzicht?

“Dat wordt in het boeddhisme zelf dikwijls aan de orde gesteld. Mijn eigen leraar Masao Abe, de grote zenvernieuwer, en zijn leraar Hisamatsu wijzen erop dat het boeddhisme op de eerste plaats vooral gericht was op tot inzicht komen. Dat ethische gericht zijn op de ander was kennelijk een nieuwe stap die gezet moet worden, zoals het boeddhisme in de loop van zijn geschiedenis telkens nieuwe stappen zet. Het Theravada-boeddhisme kent helemaal weinig ethiek – daar gaat het vooral om het eigen verlicht worden. Pas in het Mahayana-boeddhisme, dat rond het begin van onze jaartelling ontstond, gaat het om betrokkenheid op iedereen. Maar dat was toch vooral een betrokkenheid alleen met het hart, die tot uitdrukking kwam in meditatie en innerlijke toewijding. In onze tijd komt nu ook sterker het besef naar voren dat je midden in de geschiedenis moet staan en daarin praktisch moet handelen, ook maatschappelijk.
Han Fortmann verwoordde het ooit zo: wij in het Westen zouden van het Oosten moeten leren om de diepte in te gaan, tot inkeer te komen. Maar het Oosten zou van het Westen het handelen moeten leren.”

Maar als je handelt vóórdat je verlicht bent, maak je brokken. Kunnen we niet beter eerst thuis een beetje van ons ego afkomen en daarna pas de wereld in gaan?

“Dan zouden we nooit meer tot handelen komen. Want we blijven onvolmaakte, gebroken, gewonde en geschonden mensen, allemaal. Hisamatsu pleit ervoor om het naast elkaar te doen, van meet af aan. Begin je meditatieve weg meteen met het kijken naar de ander, begin met compassie.”

Als ik bijvoorbeeld eerst wat wijzer was geworden voor ik kinderen kreeg, had ik minder fouten gemaakt…

“Dat hebben wij allemaal, ook grote zenmeesters in Japan die gezinnen hadden, ik ook. Het hoort erbij. Je zou het een soort erfzonde kunnen noemen, het doorgeven van fouten uit het verleden: we worden pas wakker als we die fouten al aan onze kinderen begaan hebben. En dat is niet rampzalig, want daar leren we van.”

Dus we moeten voort, brokken makend en struikelend…?

“Ja, en er is nog iets. Wat is nou mooier, dat je kunt zeggen ‘Ik heb mijn hele leven gemediteerd en ik heb alles goed gedaan’… Dan krijg je een schouderklopje: ‘ja, ja, je hebt het goed gedaan hoor’. Of dat je zegt: ‘Ik heb brokken gemaakt, ik heb zoveel niet gezien…’ en een ander – of de Ander – zegt: ‘Geeft niet jongen, geeft niet meiske. Kom maar hier, het is vergeven.’ Dat is veel ontroerender toch? Dát is Kwan Yin. Of je het nou vergeving noemt of compassie, het omsluit onze fouten. Dat is ook zo mooi in het verhaal van Kali. Het is niet erg dat we door het donker heen moeten. Geloof me, ik zeg het je uit de grond van mijn hart, met mijn 83 jaar. Het is wel pijnlijk, maar het is niet erg.”

En dat ideaal dan van de boddhisatva: die belooft alle wezens te zullen redden, dat is toch volstrekt onhaalbaar? Waarom blijft die gelofte toch overeind?

“Juist omdat het onhaalbaar is. Dat dwingt ons om een stap te doen die menselijkerwijze niet mogelijk is. Hisamatsu noemt dat: ‘Ga staan op een plek waar geen plek is om te staan.’ Dat is geloof, religie. Religie is niet teksten lezen en bidden, maar dat er iets gebeurt in ons hart. Ik heb zelf die machteloosheid ook gevoeld: hoe kan ik een gelofte uitspreken om alle wezens te redden? Ik kan soms mijn eigen kinderen niet eens helpen..! En desondanks spreek ik die gelofte uit. Hoe mijn leven daaraan bijdraagt, met al mijn mislukkingen, dat weten we niet. Dat is overgave… Ik doe mijn best, ik probeer het, en ik geef het over. En ik blijf de gelofte levend houden: ik wil elke keer weer zien hoeveel er geleden wordt, hoeveel er geroepen wordt. Het gaat erom dat ik niet inslaap. Zoals ik al zei – daarom heb ik het boek geschreven, om niet zelfgenoegzaam te worden en blind voor wat op me afkomt.”

Want intussen hebben we het wel erg comfortabel hier…

“Dat is het! Kijk, daar komt mijn vriendin Louise een kopje koffie brengen en een gebakje met slagroom. Ik zit in een warme kamer in een groot huis en een tuin, ik kijk uit op bomen – ik kan wel makkelijk praten over compassie! Dat wil ik blijven zien, het houdt me wakker. En dan probeer ik te kijken wat kan ik doen.”

Je bent wel heel duidelijk een MRB, een multiple religious belonger?

“Ja dat ben ik echt. Maar eigenlijk zijn wij dat allemaal wel een beetje – niemand is helemaal honderd procent van de officiële leer. We ontmoeten andere mensen, we lezen romans en boeken, en dat beïnvloedt ons. We worden opgeroepen tot een unieke manier van religie: er is geen tweede mens zoals jij. Ik ben boeddhist, doe boeddhistische rituelen, ik brand kaarsjes voor Kwan Yin en ik zing soetra’s. Maar ik ga ook naar Chèvetogne, naar de Russisch-orthodoxe kerk, ik ga ter communie, ik lees elke avond voor mijzelf het Salve Regina en het Veni Sancte Spiritus. Omdat ik dat een prachtig gebed vind.
De heilige geest heb ik in die laatste hymne voor mijzelf vertaald als een ‘Zij’. In de Oosterse kerken is de heilige geest vaak vrouwelijk. In mijn boek eindig ik dan ook met een gebed van de Koreaanse theologie Chung Hyun Kyung – een gebed tot Kwan Yin, die voor haar een uitdrukking is van de heilige geest.”

Dus Kwan Yin, de heilige geest, is in alles wat leeft?

“De heilige geest werkt in onze harten, in ieder van ons op een unieke manier.”

Waarschijnlijk werkt ze beter naarmate ik minder geremd ben door angst…

“Absoluut! Als er één woord in alle religies voorkomt, is het Noli timere: heb geen angst. In de Hartsoetra van het boeddhisme staat dat de diepe stap van ommekeer betekent dat je geen angst meer hoeft te hebben en dat je geen grenzen meer ervaart. Dus dat je nooit zegt: ‘Ik sta voor een muur en ik kan niet verder.’ Nee – altijd is alles nog mogelijk. Alleen weet je niet hoe. Maar hoe dan ook: geen angst. Geen schuldgevoel.”

Maar we zitten toch vol met angst?

“Och verschrikkelijk, ik ben met zoveel religieuze angsten opgevoed, het is een hel voor mij geweest. Op een cruciaal moment, een moment van wanhoop, heb ik gezegd: ‘Ik stort in, de wereld stort in, ik kan niet goed zijn…’ Ik voelde me zo verloren dat het me niet eens meer kon schelen, ik liet alles los wat heilig was, wat moraal was. Maar juist daaruit is toen tot mijn verbazing een diepe bevrijding gekomen – dat was een wonder. Het lijkt op het verhaal van Kali: je moet helemaal erkennen dat je niet altijd deugdzaam kunt leven, dat je niet altijd verlicht en zuiver kunt zijn. Dat kan niet. Maar desondanks komt het goed.
‘All shall be well,’ zegt Juliana van Norwich, een Engelse mystica uit de dertiende eeuw. Alles komt goed. En daarbij zegt ze nog iets heel belangrijks: ‘Sin is behovely’ – de zonde hoort erbij. Zonde moet er ook zijn. Maar dat zegt ook de Paashymne van de katholieke kerk, een prachtige tekst die juicht over de Opstanding. Daarin staan deze woorden: O felix culpa, o gelukkige schuld. Want het mysterie van liefde en vergeving is daardoor nog veel groter. Het gaat erom dat we uiteindelijk allemaal te horen krijgen: ‘Het is goed. Kom maar binnen.’”

Voor meer informatie over het boek ‘Zij is altijd soms’: klik hier.

 

lisette

Lisette Thooft

Journalist

Lisette Thooft is rebalancer, schrijfster, spreekster, lijf- en schrijfcoach. Sinds jaar en dag is ze ‘huisfilosofe’ van het spirituele …
Profiel-pagina
Nog geen reactie — begin het gesprek.