Een schildpadfamilie besloot een picknick te gaan houden. Omdat schildpadden niet de snelste wezens op aarde zijn hadden ze zeven jaar nodig voor de voorbereidingen. Na anderhalf jaar vonden ze een mooie plek aan de bosrand. Zes maanden lang waren ze doende de plek schoon te maken, toen pakten zij de picknickmand uit en het feest kon beginnen. Maar toen ontdekten ze dat ze het zout vergaten waren. En wat is een picknick zonder zout?
Er werd besloten dat de jongste schildpad terug zou gaan om het zout te halen. Hij was wel de snelste, maar hij had geen zin. Jonkies hebben nooit ergens zin in. Dat weten we toch. Hij wilde wel gaan, maar dan moesten ze wachten met eten totdat ie terug zou zijn. Drie, vier jaar, vijf jaar, zes jaar gingen voorbij maar geen schildpad te zien. De oudste schildpad kon zijn ongeduld niet langer bedwingen, hij verging van de honger en pakte een broodje uit de picknickmand. Op dat moment kroop de jonge schildpad vanachter een boom naar voren en riep: “Zie je wel. Ik wist dat jullie niet zouden wachten. Nou ga ik ook het zout niet halen.”
Dit verhaal uit de rabbijnse traditie zet de woorden over hoop en verwachting in een Joodse context. Het zout in dit verhaal, de zuurdesem in de joodse traditie, staat model voor het verlangen dat leeft in ieder mens naar eenheid, naar liefde, naar vrijheid, naar bevrijding, naar een zinvol leven, naar het gevoel erbij te mogen horen, naar verbinding, naar het gevoel er te mogen zijn, naar zich geliefd te weten, naar wat waar is, en wat echt is, en wat mooi is, naar wat schoon is, naar wat eerlijk is, naar wat oprecht is, naar wat overeenstemt met wat voor jouw gevoel klopt.
Tijdens Pesach wordt de uittocht uit Egypte, Mitzraim, Angstland herdacht. Door ongezuurde broden te eten worden joodse mensen eraan herinnerd dat hun voorouders vele eeuwen eerder in allerijl moesten vluchten. Zo snel, dat er geen tijd meer was om het brood te laten rijzen. Het feest van de ongezuurde broden herinnert het joodse volk om niet te gaan zitten wachten op bevrijding maar zelf de handen uit de mouwen te steken. En dan klinken in het boek Exodus (hoofdstuk 20) de woorden van de centrale tekst van Thora en Tenach. Ik ben de Ene, in verbinding met jou, die je heeft gered uit de slavernij uit Egypte, uit Angstland.
Zuid-Afrikaanse zwarte theologie
Ik heb eind van de jaren zeventig kennis gemaakt met de theologie van de bevrijding door de komt van een zevental Zuid-Afrikaanse studenten naar de Theologische Universiteit van Kampen. Ik werkte als journalist bij de plaatselijke krant en volgde colleges aan de Universiteit die een paar honderd meter verderop stond. Van de namen van de studenten kan ik er een paar nog herinneren. Sub Govender, Welile Masamisa, Npo Ntoane en Takatso Mofokeng. Deze laatste behoort tot de belangrijkste stemmen van de Zuid-Afrikaanse zwarte theologie. In zijn boek The Crucified Among the Crossbearers [1] laat hij zien dat het kruis van Christus alleen werkelijk begrepen kan worden vanuit het perspectief van mensen die zelf een kruis moeten dragen. Tijdens de apartheid waren dat de zwarte Zuid-Afrikanen, die dagelijks werden geconfronteerd met vernedering, geweld en systematisch onrecht. Volgens Mofokeng staat Jezus niet op veilige afstand van hun lijden, maar hangt Hij als de Gekruisigde midden tussen hen. Daarom is het kruis geen oproep tot passieve berusting, maar een teken dat God zich onvoorwaardelijk verbindt met de slachtoffers van de geschiedenis.
De opstanding bevestigt vervolgens dat onderdrukking nooit het laatste woord heeft. Vanuit die overtuiging krijgt geloof een uitgesproken maatschappelijke betekenis: de kerk kan niet zwijgen wanneer mensen worden vertrapt. Zij is geroepen partij te kiezen voor gerechtigheid, zoals Christus zelf deed. Mofokeng bekritiseert daarom iedere vorm van christendom die het bestaande onrecht legitimeert of geestelijk wegpoetst. Zijn boek is een indringende oproep om het evangelie opnieuw te lezen vanuit de ervaring van de gekruisigden van deze wereld. Juist daarin, zo stelt hij, wordt zichtbaar wie Christus werkelijk is. Zijn werk heeft grote invloed gehad op de zwarte theologie, maar spreekt ook vandaag nog in situaties van bezetting, racisme, armoede en uitsluiting.
Tijdens een van de colleges maakten we kennis met het boek Theologie van de bevrijding waarmee de Peruaanse katholieke bevrijdingstheoloog Gustavo Gutiérrez bekend werd. Hij maakte ons duidelijk dat het niet zomaar gaat om een hoofdstuk uit de geschiedenis. Wat in het geding is zowel in het Zuiden als in het Noorden, zowel in het Westen als in het Oosten, aan de periferie zowel als in het centrum is de mogelijkheid om een authentiek menselijk bestaan te leiden; een vrij leven, in een vrijheid die tegelijk een proces en een historische verworvenheid is. Van dit proces en van deze verworvenheid wordt men zich vandaag steeds scherper bewust, hoewel de wortels er van tot diep in het verleden reiken. Het bovenstaande samenvattend kunnen wij in de term bevrijding drie betekenisniveaus onderscheiden, die elkaar wederkerig doordringen. Drie benaderingen van het proces.
De Theologie van de bevrijding leeft nog steeds. Zij stelt ook vandaag de vraag: hoe lezen wij de Bijbel in een wereld waarin oorlog, bezetting, uitsluiting en geweld voortduren? Ik doe dat aan de hand van twee theologen die uit heel verschillende werelden komen. De eerste is de Palestijnse Lutherse predikant Munther Isaac, geboren in Bethlehem. De tweede is de Joodse theoloog Marc Ellis, geboren in de Verenigde Staten. Op het eerste gezicht lijken zij weinig met elkaar gemeen te hebben. Maar wanneer je hun boeken leest, ontdek je iets verrassends. Beiden schrijven vanuit een diepe liefde voor hun eigen volk. Beiden kennen de geschiedenis van vervolging en lijden. Beiden lezen de Bijbel intensief. En beiden weigeren religie te gebruiken om onrecht goed te praten.
“Religieuze tradities kunnen op twee manieren functioneren. Ze kunnen worden gebruikt om politieke macht, uitsluiting en ongelijkheid te rechtvaardigen. Maar dezelfde tradities kunnen ook een stem geven aan mensen die geen stem hebben.”
Munther Isaac nodigt ons uit de Bijbel te lezen vanaf de andere kant van de muur. Hij vraagt ons niet allereerst om partij te kiezen, maar om werkelijk te luisteren. Hoe klinkt het evangelie voor mensen die leven achter checkpoints, achter muren, in een werkelijkheid waarin bewegingsvrijheid, veiligheid en menselijke waardigheid dagelijks onder druk staan? Zijn boek is geen aanklacht alleen; het is vooral een uitnodiging om opnieuw na te denken over de vraag wie onze naaste is.
Marc Ellis stelt een andere, maar minstens zo indringende vraag. Hij vraagt hoe het mogelijk is dat een volk dat zelf de bevrijding uit Egypte viert en de profeten leest, toch in de verleiding kan komen macht belangrijker te maken dan gerechtigheid. Zijn boek is geen aanval op het jodendom. Integendeel. Hij probeert juist de profetische stem van het jodendom opnieuw hoorbaar te maken. Daarom maakt hij onderscheid tussen religie die zich met staatsmacht vereenzelvigt en religie die zich steeds opnieuw laat corrigeren door de profeten.
Maar laten we eens beginnen bij het begin. Bij het betoog van Gutiérrez betoog over bevrijding: “Bevrijding drukt in de eerste plaats het verlangen van verdrukte volken, klassen en sociale sectoren uit en onderstreept het conflictieve aspect van het economisch, sociaal en politiek proces, dat hen tegenover welvarende volken en machtsgroepen stelt. En wil men dieper graven en verstaat men de geschiedenis als het proces van de bevrijding van de mens, waarin deze bewust zijn eigen lot in handen neemt, dan stelt men daarmee de gewenste sociale veranderingen in een dynamische context en verbreedt hun horizon. De geleidelijke verovering van een werkelijke, scheppende vrijheid leidt tot een permanente culturele revolutie, tot de schepping van een nieuwe mens, tot een kwalitatief andere maatschappij. Deze visie maakt dus een beter begrip mogelijk van datgene, waarom het in onze tijd eigenlijk te doen is. En tenslotte moet gezegd worden: Christus de Heiland bevrijdt de mens van de zonde, de uiteindelijk wortel van alle verbreking van vriendschap, van alle ongerechtigheid en verdrukking, en maakt hem werkelijk vrij, dat wil zeggen. Hij doet hem leven in gemeenschap met Hemzelf, de grondslag van alle menselijke broederschap.
“Bevrijdingstheologie is bevrijding van die theologie die in haar vermeende algemene geldigheid voorbijgaat aan de diversiteit van situaties en menselijke noden, aan maatschappelijke spanningen en conflicten en aan de oorzaken van armoede en misère.” Dr. Theo Witvliet schrijft dit in het boek ‘Een plaats onder de zon’ [2]. Wat Witvliet hier wilde duidelijk maken is het denken over vrijheid en bevrijding niet zomaar een nieuwe vorm van politiek denken was, maar een denken vanuit de context van armen en verdrukte mensen, die nooit de kans hebben gehad om hun verhalen binnen de tradities te laten horen. En dat is merkwaardig, want in tal van verhalen uit het Oude en Nieuwe Testament gaat het om de stem van de armen, maar binnen veel kerkelijke tradities werd die niet gehoord. Hun geloofsverhalen werden buitengesloten. Daarom is het zo belangrijk dat de woorden van de ‘minste mijner broeders’, zoals Jezus dat zei, opnieuw worden uitgesproken, opnieuw worden gezegd, opnieuw worden gearticuleerd.
Witvliet nog eens daarover: “Elke vorm van bevrijdingstheologie is daarom ook altijd de articulatie van een weggedrukte en verzwegen geschiedenis en traditie: zwarte theologie in de Verenigde Staten gaat terug op de traditie van de zwarte ‘onzichtbare kerk’ uit de slaventijd waarover in ons kerkgeschiedenisboeken gewoonlijk wordt gezwegen, maar waarin een unieke geloofservaring, de ‘black experience’, is overgeleverd; Latijns-Amerikaanse, Afrikaanse en Aziatische theologen zijn, ieder in de eigen context, op zoek naar bevrijdende momenten in de feesten en verhalen, de riten en gebruiken van de mensen met wie zij leven en strijden; feministische theologen op haar beurt trachten, hoe moeizaam dat ook dikwijls gaat bij gebrek aan bronnen, sporen te achterhalen van de religieuze ervaring van vrouwen in de geschiedenis.”
De bevrijdingstheologie heeft tot op de dag van vandaag geen hoge kijk- en luistercijfers. Dat heeft er mee te maken dat de stem van de meest kwetsbare mensen niet mainstream te krijgen is als ze niet op muziek worden gezet door een swingende rapper. De theologie van Kerk en Universiteit hoefde zich niet te verantwoorden, want zij spraken toch de woorden van de Schepper zelf die zich had geopenbaard. Dat gold niet voor de woorden van de zwarte mens in de sloppenwijken van Soweto. En dat gold niet voor de mensen aan de andere kant van de muur, zoals Munther Isaac zijn mensen noemt. Zij spraken niet de woorden van de Schepper zelf die zich had geopenbaard. In godsdienstige kringen betekent – op de op dag van vandaag – dat de spiritualiteit van de mensen aan de andere kant van de muur dat deze spiritualiteit ook heidens, barbaars en bijna verdoemd is; en dat alles omdat ze taal niet spreekt van de zichzelf openbarende Schepper van hemel en aarde.
De Nederlandse theoloog dr. A.J. Rasker heeft hierover goede dingen gezegd. “Onze westerse politiek heeft het karakter van een ontkenning van de armen. We voelen ons door hen bedreigd, omdat hun legitieme verlangens ons systeem in gevaar brengen, onze manier van leven, onze egoïstische welvaartsstructuur. Daarom wordt iedere aspiratie om tot verandering van de bestaande orde te komen als communisme gebrandmerkt; daarom wordt wat voor de armen een bruggenhoofd naar echte vrijheid is, door ons en onze bondgenoten geblokkeerd als een gevaarlijk monster…, of onderdrukt door preventieve contrarevoluties…, of eenvoudig uitgeroeid met mateloos geweld. We bedreigen hun vorm van vrijheid, omdat zij onze vorm van vrijheid bedreigen. En op het ogenblik zijn zij nog steeds de machtelozen en wij de machtigen – zolang het duurt. Maar op de lange duur zal dit geweld (van ons) machteloos worden, omdat het doel, dat we zeggen te willen bereiken: gerechtigheid, vrijheid, vrede, niet met deze middelen bereikt kan worden.”
Paul Tillich heeft het over een ander soort macht, die hij ‘de moed om te zijn’ noemde. “De macht of de moed om te zijn is de basisbehoefte om het eigen bestaan te bevestigen. Het komt voort uit het gevoel en de zekerheid van de eigen waardigheid. Waardigheid betekent waardig zijn, en is een gevoel van intrinsieke waarde, “essentieel voor ieder geestelijk gezond mens”. De zekerheid van deze waardigheid geeft de moed “om te zijn”, om zichzelf te bevestigen. Zelfbevestiging is niet identiek, maar toch nauw verbonden met bewustzijn – weten tot wat je in staat bent, bewust de weerstand overwinnen die gericht is tegen de bevestiging van eigen waarde. En in de situaties, waar die weerstand overwonnen wordt, wordt macht tot stand gebracht.”
De moed om te zijn wordt duidelijk in de strijd tegen wat Tillich het niet-zijn genoemd heeft. “Tillich ziet het niet-zijn als alle aspecten, die originaliteit vernietigen of ontkennen: vijandigheid die de moed doet ineenschrompelen, de vrijgevigheid en het vermogen om de ander te begrijpen. “Niet-zijn betekent ook vernietiging en tenslotte de dood. De bedoeling is daarbij de uitingen van niet-zijn niet over het hoofd te zien, maar direct de confrontatie ermee aan te gaan, die als uitdaging te accepteren, proberen hen te absorberen – al deze activiteiten verminderen hun destructieve macht. Uit deze strijd komt creativiteit voort. En creatief zijn is mens zijn, deel krijgen aan Gods scheppingsmacht.”
En misschien is dat wel de diepste ontdekking van de bevrijdingstheologie. Zij begint niet met een politieke analyse, maar met een andere manier van kijken naar de mens. Niet de machtige staat centraal, maar degene die geen stem heeft. Niet de overwinnaar, maar de gekwetste. Niet de heerser, maar de mens die zijn waardigheid dreigt te verliezen. Daarom gaat bevrijding uiteindelijk niet alleen over economie of politiek. Zij gaat over menswording. Over het hervinden van de moed om te zijn, zoals Tillich het noemt. Over het hervinden van de overtuiging dat ieder mens geschapen is naar Gods beeld en daarom nooit gereduceerd mag worden tot object, vijand of probleem.
Dáár raakt de bevrijdingstheologie aan het hart van het evangelie. Jezus begint niet bij de tempel, maar bij de armen. Niet bij de macht, maar bij de mensen die geen plaats hebben in de bestaande orde. Hij spreekt over het Koninkrijk van God alsof het al zichtbaar wordt waar mensen elkaar oprichten, genezen en bevrijden.
Kronieken
De waarschuwing tegen een verkeerd omgaan met beelden van God en het goddelijke is afkomstig van de Eeuwige zelf. In het Oudtestamentische Bijbelboek Kronieken valt de volgende passage te lezen. Een waarschuwing aan alle Tempelbouwers: “Toen David zijn intrek had genomen in het paleis, zei hij tegen de profeet Nathan: ‘Nu woon ik hier in een paleis van cederhout, terwijl de ark van het verbond met de HEER in een tent staat’. Diezelfde nacht richtte God zich tot Nathan: ‘Zeg tegen mijn dienaar David: Dit zegt de HEER: Jij zult voor mij geen huis bouwen om in te wonen. Nooit heb ik in een huis gewoond, vanaf de dag dat ik de Israëlieten uit Egypte heb geleid tot nu toe! In tent en tabernakel ging ik van de ene verblijfplaats naar de andere. Het betoog van de Eeuwige via Nathan aan David even samengevat: “Jij voor mij een huis bouwen? Een tempel? Een gevangenis? Ben jij nou helemaal gek? Ik heb nooit in een huis gewoond en ga dat ook niet doen. Ik reis met mijn mensen mee in een tent. Elke keer als ze in het land van de angst terecht komen, waar ze ook zijn, zal ik bij ze zijn. Jij stopt mij niet in een gevangenis.”
Dat brengt ons vanzelf bij de vraag die vanmiddag centraal zal staan. Wat betekent deze traditie vandaag? Wat gebeurt er wanneer Palestijnse christenen, zoals Munther Isaac, de Bijbel opnieuw lezen vanuit het perspectief van mensen die leven aan de andere kant van de muur? En wat betekent het wanneer een Joodse theoloog als Marc Ellis zegt dat juist de herinnering aan de Holocaust nooit gebruikt mag worden om nieuwe vormen van onderdrukking te rechtvaardigen?
Dan ontdekken we dat de bevrijdingstheologie geen hoofdstuk uit de geschiedenis is. Zij is een voortdurend appel om de stem te horen van degenen die door kerk, politiek en samenleving te gemakkelijk worden vergeten.
De bevrijdingstheologie is geen afgesloten hoofdstuk. Zij leeft. En misschien klinkt haar stem vandaag wel nergens zo indringend als in Bethlehem, in het werk van de Palestijnse theoloog Munther Isaac. Isaac staat bewust in de traditie van Gutiérrez. Ook hij begint niet met een abstracte leer over God, maar met de concrete werkelijkheid waarin mensen leven. Gutiérrez keek naar de sloppenwijken van Peru. Takatso Mofokeng keek naar de apartheid in Zuid-Afrika. Munther Isaac kijkt uit zijn raam in Bethlehem en ziet muren, checkpoints, militaire controle en een bevolking die zich steeds verder ingesloten voelt. Zijn theologie wordt niet geboren in de studeerkamer, maar midden in een werkelijkheid van bezetting, angst en onzekerheid.
Daarom draagt zijn eerste grote boek de veelzeggende titel The Other Side of the Wall. Die muur is meer dan een betonnen afscheiding. Zij is een symbool geworden van een manier van kijken naar de wereld. Een wereld waarin mensen worden verdeeld in insiders en outsiders, in degenen die meetellen en degenen die worden vergeten. Isaac nodigt ons uit om letterlijk en figuurlijk aan de andere kant van die muur te gaan staan en de werkelijkheid te bekijken door de ogen van de mensen die daar leven.
Zijn belangrijkste bijdrage aan de hedendaagse theologie is misschien wel zijn kritiek op het christelijk zionisme. Volgens Isaac is de Bijbel nooit bedoeld geweest om politieke macht of territoriale aanspraken te rechtvaardigen. Wanneer Bijbelteksten worden gebruikt om de onderdrukking van een ander volk te legitimeren, verandert de Schrift van een bron van bevrijding in een instrument van macht. Dan wordt de Bijbel niet langer gelezen als Gods woord, maar gebruikt als ideologie. Isaac spreekt in dat verband over een “imperiale theologie”: een theologie die de macht dient in plaats van de waarheid.
Daarmee sluit hij rechtstreeks aan bij de bevrijdingstheologie. Ook Gutiérrez stelde immers dat de vraag niet is welke leer de kerk verdedigt, maar aan wiens kant zij staat. Munther Isaac stelt daarom niet de machtigen, maar de slachtoffers centraal. Hij leest de Bijbel van onderaf. Niet vanuit de paleizen, maar vanuit de vluchtelingenkampen. Niet vanuit de regeringsgebouwen, maar vanuit de plaatsen waar mensen dagelijks de gevolgen van geweld en uitsluiting ervaren.
Dat betekent niet dat hij de Bijbel anders maakt. Integendeel. Hij probeert zichtbaar te maken wat er altijd al in heeft gestaan. Wanneer hij de gelijkenis van de barmhartige Samaritaan leest, vraagt hij niet alleen: “Wie is mijn naaste?” Hij vraagt vooral: “Wie ligt vandaag langs de kant van de weg?” Wanneer hij het kerstverhaal leest, ziet hij een kind dat wordt geboren onder militaire bezetting. Wanneer hij Pasen leest, ziet hij Gods antwoord op geweld, vernedering en dood. De context verandert het evangelie niet, maar maakt zichtbaar hoe actueel het altijd is gebleven.
Een tweede belangrijke bijdrage van Isaac is dat hij de wereld eraan herinnert dat Palestijnen niet alleen moslims zijn, maar ook christenen. Dat lijkt vanzelfsprekend, maar in veel westerse kerken is dat besef grotendeels verdwenen. Alsof het Heilige Land uitsluitend het toneel is van een conflict tussen Joden en moslims. Isaac herinnert ons eraan dat in Bethlehem, Jeruzalem en Nazareth nog altijd christelijke gemeenschappen leven, die hun wortels terugvoeren tot de eerste eeuwen van het christendom. Zij zijn, zoals hij het zelf noemt, de “levende stenen” van het Heilige Land.
Misschien nog indrukwekkender is de toon waarop Isaac spreekt. Hij begint niet met politieke analyses. Hij begint met verdriet. Zijn woorden zijn vaak eerder een klaagzang dan een aanklacht. Dat zagen we ook in zijn inmiddels wereldwijd bekende kerstpreek Christ in the Rubble. Daar spreekt hij over Christus niet als de triomferende koning, maar als de gekruisigde die aanwezig is tussen het puin, tussen de slachtoffers, tussen mensen die alles lijken te hebben verloren. Daarmee sluit hij aan bij de psalmen, bij de profeten en uiteindelijk bij het kruis zelf. Het geloof begint niet met een overwinning, maar met het uithouden van de pijn.
Maar misschien is zijn meest confronterende vraag wel gericht aan de kerk zelf. Isaac vraagt niet allereerst wat Israël doet of wat Palestina doet. Hij vraagt: waar is de kerk? Waarom zwijgen zoveel kerken wanneer mensen worden ontmenselijkt? Waarom spreken zij wel over vrede, maar zo weinig over gerechtigheid? Waarom benoemen zij geweld, maar niet altijd de structuren die geweld mogelijk maken? Daarmee plaatst hij de kerk opnieuw onder het oordeel van het evangelie. Niet de wereld staat als eerste ter discussie, maar de geloofsgemeenschap die zegt Christus te volgen.
Juist daarin staat Munther Isaac in dezelfde traditie als Gustavo Gutiérrez, Takatso Mofokeng en vele anderen. Zij herinneren ons eraan dat theologie nooit los verkrijgbaar is van menselijke waardigheid. Zij begint waar mensen hun stem terugvinden. Zij begint waar onrecht wordt benoemd. Zij begint waar de Bijbel opnieuw gelezen wordt vanuit de ervaring van degenen die het minst gehoord worden.
En misschien is dat uiteindelijk wel de blijvende betekenis van Munther Isaac. Hij vraagt de kerk niet om partij te kiezen voor Palestijnen in plaats van Israëli’s. Hij vraagt de kerk om opnieuw partij te kiezen voor het evangelie. Een evangelie dat steeds weer begint bij de mens die wordt vernederd, buitengesloten of ontmenselijkt. Daar, zegt Isaac, wordt de vraag naar God opnieuw actueel. Daar wordt de Bijbel opnieuw geopend. En daar krijgt de bevrijdingstheologie, ruim vijftig jaar na Gutiérrez, een nieuwe en urgente stem.
Wanneer we na Munther Isaac luisteren naar Marc Ellis, gebeurt er iets bijzonders. We verlaten Palestina niet. We verlaten ook het conflict niet. Maar we veranderen van perspectief.
Op het eerste gezicht lijken Munther Isaac en Marc Ellis tegenover elkaar te staan. De een is Palestijn, de ander Jood. De een spreekt vanuit Bethlehem, de ander vanuit de Joodse traditie. Maar wanneer je goed luistert, ontdek je iets verrassends. Zij spreken niet tégen elkaar, maar mét elkaar. Niet omdat zij het over alles eens zijn, maar omdat zij beiden weigeren God in dienst te stellen van de macht. Beiden laten zich gezeggen door de profeten. En juist daarom ontmoeten zij elkaar.
Munther Isaac spreekt als Palestijns christen. Marc Ellis spreekt als Jood. Dat alleen al maakt zijn stem bijzonder. Want Ellis is geen buitenstaander die kritiek levert op Israël. Hij spreekt juist vanuit de Joodse traditie, vanuit een diepe verbondenheid met de geschiedenis van zijn eigen volk, met de Thora, met de profeten en met de herinnering aan de Holocaust.
Juist daarom is zijn boodschap zo indringend. Ellis stelt een eenvoudige maar ontregelende vraag: wat gebeurt er wanneer een volk dat zelf eeuwenlang slachtoffer is geweest van onderdrukking, zelf macht krijgt? Hoe voorkom je dat de herinnering aan het eigen lijden verandert in een rechtvaardiging voor het lijden van een ander? Dat is voor hem geen politieke vraag, maar een diep religieuze vraag.
Volgens Ellis is de Joodse traditie nooit bedoeld geweest om macht te heiligen. Integendeel. De profeten van Israël waren juist de felste critici van koningen, priesters en machthebbers. Amos, Jesaja, Jeremia en Micha spraken niet namens het paleis, maar namens weduwen, wezen, vreemdelingen en armen. De profetische traditie is geen traditie van nationale trots, maar van morele zelfkritiek.
Daarom zegt Ellis dat juist de Joodse traditie zichzelf verloochent wanneer zij kritiek op de staat onmogelijk maakt. Een volk dat ooit zelf de slavernij in Egypte heeft gekend, mag nooit vergeten wat het betekent om vreemdeling te zijn. Dat is de rode draad van de Thora. “Gij zult de vreemdeling liefhebben, want gij zijt zelf vreemdeling geweest in Egypte.” Die herinnering is geen historisch detail, maar het morele hart van het jodendom.
Ellis spreekt daarom over wat hij de ‘ecumenical deal’ noemt. Na de Holocaust ontstond volgens hem een stilzwijgende overeenkomst tussen veel westerse kerken en de staat Israël. Uit schuldgevoel over eeuwen van antisemitisme werd kritiek op Israël steeds moeilijker. Begrijpelijk misschien, maar uiteindelijk gevaarlijk. Want wanneer schuldgevoel belangrijker wordt dan gerechtigheid, verliest de kerk haar profetische stem.
Daarmee raakt Ellis precies hetzelfde punt als Munther Isaac. Beiden waarschuwen ervoor dat religie zich kan verbinden met politieke macht. Zodra dat gebeurt, verandert geloof in ideologie. Dan wordt God gebruikt om mensen te verdelen in plaats van te bevrijden.
Ellis is daarbij opmerkelijk eerlijk over zijn eigen traditie. Hij vraagt niet eerst wat de Palestijnen verkeerd doen. Hij vraagt eerst wat het jodendom dreigt te verliezen wanneer het zijn profetische roeping inruilt voor nationale macht. Dat maakt hem tot een echte profeet. Profeten spreken immers altijd eerst tot hun eigen volk.
Voor Ellis is Auschwitz daarom niet alleen een plaats van herinnering, maar ook een morele opdracht. De les van de Holocaust is niet dat Joden voor altijd gelijk hebben. De les is dat geen enkel volk ooit nog ontmenselijkt mag worden. Nooit meer geldt voor iedereen. Zodra “nooit meer” alleen nog voor de eigen groep geldt, verliest het zijn betekenis.
Daarom spreekt Ellis over het gevaar van een “constantijns jodendom”. Zoals het christendom na keizer Constantijn steeds meer verbonden raakte met politieke macht en daardoor vaak zijn profetische stem verloor, zo ziet Ellis hetzelfde gevaar ontstaan wanneer het jodendom zich volledig identificeert met de macht van de staat. Ook dat is een vorm van religieuze verleiding.
Juist op dit punt ontmoeten Marc Ellis en Munther Isaac elkaar. De een spreekt vanuit Bethlehem, de ander vanuit de Joodse traditie. De een leest het evangelie, de ander de Thora. Maar beiden komen uit bij dezelfde overtuiging: God laat zich nooit opsluiten aan de kant van de macht. God blijft de God van gerechtigheid. Daarom moet iedere religie bereid zijn zichzelf kritisch te onderzoeken zodra zij de macht gaat dienen.
Misschien is dat wel de belangrijkste les die wij vandaag van hen kunnen leren. Zowel Munther Isaac als Marc Ellis vragen ons niet om partij te kiezen voor het ene volk tegen het andere. Zij vragen ons om partij te kiezen voor de waarheid, voor gerechtigheid en voor de menselijke waardigheid. Dat is geen politieke keuze, maar een geestelijke keuze. Het is de keuze om de stem van de profeten serieus te nemen.
En misschien is dát uiteindelijk ook de diepste betekenis van de bevrijdingstheologie. Zij bevrijdt niet alleen de armen van hun zwijgen. Zij bevrijdt ook de religie van haar verleiding om zich met de macht te vereenzelvigen. Zij roept kerk én synagoge terug naar hun eigen oorsprong: de God die het geroep van de verdrukten hoort.
“Misschien is dát uiteindelijk de vraag die de bevrijdingstheologie ons vandaag stelt: durven wij de wereld te bekijken vanaf de andere kant van de muur? Want pas wanneer wij leren zien door de ogen van de verdrukte, beginnen wij iets te begrijpen van het evangelie zelf.”
Noten
[1] Takatso Alfred Mofokeng. The Crucified Among the Crossbearers: Towards a Black Christology. Kampen: Uitgeverij Kok, 1983. ISBN 978-90-242-3013-6.
[2] Theo Witvliet. Een plaats onder de zon, bevrijdingstheologie in de derde wereld. Baarn: Uitgeverij Ten Have, 1984. ISBN 90 259 5131 7.