Zoë Deceuninck (29) is geboren in België en werkt als onderzoeksjournalist in Paramaribo, Suriname. Ze schrijft als freelancer voor verschillende media, waaronder Follow the Money en De Groene Amsterdammer. Op haar website houdt ze ook blog bij, waarop ze meer persoonlijke stukken schrijft. Momenteel werkt Zoë aan een boek over Suriname, zoals ze het land de afgelopen jaren heeft leren kennen. In Suriname woont ze samen met haar vriend Quincy, drie kippen en twee honden.

Miriam van Coblijn (46) is journalist en tekstschrijver. “Kleur of identiteit hoeft niet te zien zijn in al het werk dat ik doe. Genoeg van mijn reportages of verhalen hebben er weinig mee te maken.” Naast haar werk als journalist is Miriam gastdocent ten behoeve van derdejaars communicatiestudenten aan de Universiteit van Amsterdam.

Aan de ene kant wil Miriam als journalist op een cultureel sensitieve manier verslag doen, aan de andere kant wil ze niet gekwalificeerd worden als ‘allochtone journalist’ puur omdat ze zelf gekleurd is. “Maar dit project Surilines geeft me handvatten waarin mijn Surinaamse afkomst een surplus kan zijn. Het verzoek van mijn collega Zoë Deceuninck om als collega-journalist mede vorm te geven aan het project Surilines heb ik dan ook omarmd.”

Wat is jullie persoonlijke relatie met Suriname?

Zoë: “Ik wist niet eens dat het land bestond, maar dat veranderde na mijn studie journalistiek in Mechelen. In 2016 wilde ik een tussenjaar nemen. Mijn moeder zei: dat is goed, maar dan wil ik wél dat je iets doet dat met je studie te maken heeft. Via een organisatie in Brussel kon ik drie maanden vrijwilligerswerk doen voor een krant in Paramaribo. Suriname leek me een heel interessante bestemming, ook vanwege het gesproken Nederlands.”

In Suriname aangekomen werd ze meteen gegrepen door de kleuren en geuren van het land. “Het landschap, de groene bomen, de kleurrijke huizen, en de ruimte! In Suriname is er nog heel veel plaats, het is niet zo volgebouwd en ook zeker niet zo druk als in Gent, mijn geboortestad. Ik kwam hier meteen tot rust.”

Miriam heeft Suriname juist al vroeg in haar leven leren kennen. “Van zowel moeders als vaders kant woonden familieleden al sinds de jaren zestig in Nederland. Anderen kwamen in de jaren zeventig, rond de onafhankelijkheid van Suriname, naar Nederland. Emigratie uit Suriname naar Nederland was aanvankelijk educatief maar later kreeg het een meer politiek en economisch karakter. Dat gold ook voor mijn ouders. Mijn wieg stond in Amsterdam, vlakbij het Vondelpark. Ik was me al vroeg bewust van de Surinaamse cultuur en een gedeelde koloniale historie met Nederland.”

De Surinaamse bevolking is volgens Miriam gewend om zich aan te passen aan Nederland en dat dateert volgens haar uit de koloniale periode. “Ik vond het altijd fascinerend dat een deel van mijn DNA afkomstig is van de andere zijde van de oceaan. De Surinaamse populatie is zeer divers wat betreft etniciteit en culturele achtergronden. Dat manifesteert zich ook in mijn familie met Creools, Chinese en Inheemse componenten. In culturele zin beschouw ik mezelf als Surinaams-Nederlands: ben hier opgegroeid maar door achtergrond en huidskleur toch zichtbaar anders.”

Als kind moest Miriam ouderen met ‘u’ aanspreken en niet bij hun voornamen. “Op vakantie naar Suriname met het gezin was spannend. Vanuit het KLM-vliegtuig zag ik samen met mijn broers en zusje de broccolivelden van de Surinaamse jungle en bij aankomst op Zanderij voelde ik de klamme deken van het tropische Suriname. Ontvangst door familie ervoer ik als hartverwarmend. Ik ben me terdege bewust van de afhankelijkheidsrelatie van Suriname ten opzichte van Nederland. Betreurenswaardig dat de relatie niet gelijkwaardiger is.”

Waarom zijn jullie met de journalistieke serie Surilines gestart?

Zoë vertelt dat in 2020 Suriname 45 jaar onafhankelijkheid vierde. “Ik was toen thuis in Paramaribo achter mijn bureau aan het werk. Op de radio werd de hele dag gediscussieerd over de manier waarop Nederland Suriname in 1975 heeft achtergelaten. Hebben ze het nu wel of niet goed gedaan? Was Suriname er nu wel of niet klaar voor? En wílde Suriname eigenlijk wel onafhankelijk worden? Iedereen had het steeds over toen, niemand sprak over vandaag.”

Zoë vond dat vreemd. “Bij mijn aankomst in Suriname was ik juist heel verbaasd over de invloed die Nederland vandaag nog heeft op het alledaagse leven in Suriname. Zo ontstond het idee om dit verder te gaan onderzoeken. Vier jaar lang volgt Surilines artsen, studenten, docenten, ouders, directeuren en ondernemers die een blik werpen op de relatie Suriname-Nederland. Hun verhalen zijn gebundeld in vier thema’s: gezondheidszorg, onderwijs, familiebanden en financiën.”

water-3338367_1280
Suriname Beeld door: Pixabay

Waarom is juist voor deze thema’s gekozen?

“De thema’s geven elk een indicatie van welzijn en ‘de stand-van-het-land’. Onderwijs, gezondheidszorg en de economie spelen een sleutelrol in de ontwikkeling van een land. En aan de familiebanden konden we niet voorbij; die vormen de ruggengraat van de relatie Suriname-Nederland. In 1975 vertrokken Surinamers die geen vertrouwen hadden in een probleemloze verzelfstandiging massaal naar Nederland. Maar zij – en hun kinderen en kleinkinderen – zijn hun familie in Suriname nooit vergeten. Dat is terug te zien in de hoeveelheid geld, pakketten, projecten en berichten die dagelijks de oceaan overgaan.”

Het thema ‘politiek’ is er met opzet uitgelaten, legt Zoë uit. “Omdat daarover al heel veel geschreven en gezegd is. Het zijn bovendien niet de diplomatieke overeenkomsten, maar het is de liefde voor mens en land die de banden tussen beide landen warm houdt. Met Surilines willen we juist die kant van de relatie belichten.”

Wat valt jullie op na jullie journalistieke onderzoekswerk rond gezondheidszorg en onderwijs? Wat hoop je dat jullie artikelen bewerkstelligen?

“De relatie op zowel het gebied van gezondheidszorg en het onderwijs is heel intens, maar de gezondheidszorg is beter gemanaged. Er zijn besluiten, ook politieke, die ervoor hebben gezorgd dat er een hechte samenwerking is op het gebied van gezondheidszorg. Zo zijn alle Surinaamse artsen door nood gedwongen om hun specialisatieopleiding in het buitenland te volgen, vanwege de beperkte opleidingskansen in eigen land. Iedereen kiest voor een opleiding in Nederland, vanwege de familiebanden, de geschiedenis, de gemeenschappelijke taal en de hoge kwaliteit van gezondheidszorg in Nederland.”

Na afronding van hun studie moeten de Surinaamse artsen terug naar Suriname, legt Zoë uit. “Dat moet omdat ze in Nederland niet erkend worden in het BIG-register. Daarover hebben de overheden afspraken gemaakt. Terug in Suriname blijven veel specialisten in contact met hun collega’s in Nederland. Op die manier komt een hele uitwisseling tot stand: van dagelijkse telefoontjes tot donatiecampagnes.”

“Op twee ziekenhuizen na heeft elk Surinaams ziekenhuis ook samenwerkingsovereenkomsten met Nederlandse counterpartners. De overheid komt hier niet tussen, en dat maakt de uitwisseling snel, impulsief, flexibel en zonder al te veel papierwerk. Maar ze is ook niet structureel. We zien dat het Surinaamse Ministerie van Volksgezondheid rekent op het Nederlandse netwerk van specialisten en de massale hulpverlening uit Nederland. Ze neemt niet het voortouw in de structurele hervormingen die de sector moet doorvoeren om financieel gezond te worden, waardoor de sector maar blijft aanmodderen.”

Binnen het onderwijs is de uitwisseling met Nederland volgens Zoë veel complexer. “Het grote verloop van onderwijsministers in Suriname – 21 ministers in 47 jaar – zorgt voor een enorme stremming van de onderwijsontwikkeling. De samenwerking met Nederlandse onderwijsinstellingen en -deskundigen mislukt ook altijd omdat ‘beleidsinzichten’ wijzigen doordat ministers vervangen worden.”

Suriname heeft, in tegenstelling tot Nederland, een centraal gestuurd onderwijssysteem. “Dat is nog een erfenis van het koloniale verleden, toen Nederland bepaalde over de onderwijsontwikkelingen in Suriname,” legt Zoë uit. “Nu bepaalt de minister, en die houdt de touwtjes strak in handen. In juni vorig jaar werd tussen Suriname en Nederland wel een memorandum van overeenstemming gesloten over het onderwijs. Dat is de eerste poging om de onderwijsrelatie tussen beide landen te structureren.”

“Suriname is nog niet ‘gedekoloniseerd’, volgens Zoë. “Dat zien we met name terug in het onderwijscurriculum dat nog sterk op Nederlandse leest gestoeld is. Maar tegelijk zien we ook dat het land vorderingen maakt. Het zoekt naar oplossingen en alternatieven, bijvoorbeeld door het nieuwe curriculum van het beroepsonderwijs aan te sluiten op dat van de CARICOM, de politieke en economische unie van het Caribisch gebied. Voor het aanpassen van de onderwijswetgeving, die nog dateert van uit de koloniale tijd, wordt er dan wel weer samengewerkt met Nederlandse onderwijsjuristen, omdat Suriname die zelf niet heeft. De keuze voor Nederland is daarin vanzelfsprekend, vanwege de taal.”

“Tot zover kunnen we concluderen dat Suriname zich langzaam ontdoet van driehonderd jaar Nederlandse koloniale knechting, maar Nederland blijft trekken. Wanneer Suriname in een crisis verkeert is Nederland altijd bereid te helpen. De band tussen beide landen is vooralsnog onverbrekelijk – zij het uit liefde voor het land en haar mensen of uit een schuld- of verantwoordelijkheidsgevoel. Dat is niet omdat Suriname en Nederland niet zonder elkaar kunnen, maar omdat ze niet zonder elkaar willen.”

In welk teken zou het vieren van vijftig jaar onafhankelijk in 2025 volgens jullie moeten staan?

Zoë: “In het teken van vandaag. In plaats van te discussiëren over wat niet goed is gegaan in 1975, moeten we kijken naar wat wel goed gaat in 2025. Op welke vlakken zijn de vele uitwisselingen met Nederland een succes, en op welke vlakken niet? Hoe moet of kan het anders? Vijftig jaar Onafhankelijkheid moet staan in het teken van de toekomst, niet het verleden.”

Miriam: “Ik vind dat er vijftig jaar na dato reden voor Suriname is om de onafhankelijkheid groots te vieren. Als we de balans opmaken is er door de huidige sociaaleconomische malaise weinig reden om positief te zijn. Ook niet wanneer we terugblikken naar de periode sinds 1980 toen er een militaire staatsgreep plaatsvond, gevolgd door de dictatuur van legerleider Desi Bouterse. In december 1982 schoten soldaten van het leger vijftien dissidenten dood in Fort Zeelandia: een dieptepunt in de Surinaamse geschiedenis. De ex-kolonie werd jarenlang geteisterd door geweld, corruptie, machtsmisbruik en onderlinge etnische spanningen.”

Voor veel Surinamers liep de bevrijding van de dekolonisatie uit op een deceptie, aldus Miriam. “Waarom lukt het opeenvolgende Surinaamse regeringen maar niet om van een relatief kleine bevolking een welvarende natie te maken? Ik vind het schrijnend dat een kleine politieke en maatschappelijke elite volop kan blijven profiteren van gemeenschapsgeld.”

Het project Surilines laat volgens Miriam de onverbrekelijke banden zien tussen de Nederlandse en de Surinaamse gemeenschap. “Met een populatie van 600.000 mensen is het een van de minst bevolkte landen van Zuid-Amerika. Door de band met Nederland wonen en werken vele Surinamers in Nederland. De verzending van pakketten, geld en goederen vinden sinds jaar en dag wekelijks en of maandelijks vanuit Nederland naar familie en vrienden in Suriname plaats. Zeker in tijden van aanhoudende economische malaise zoals de laatste jaren het geval is, blijft deze vorm van ondersteuning welkom. Tegelijk is dit ook exemplarisch voor de afhankelijkheidsrelatie.”

Wat wens je Suriname vooral toe? En wat is ervoor nodig?

Zoë: Ik wens Suriname vooral veel doorzettingsvermogen toe. Binnen het onderwijs zie ik nu een heel mooie ontwikkeling, waarbij het curriculum steeds meer wordt aangepast op de noden van de Surinaamse arbeidsmarkt, met name technisch personeel. Vroeger lag de nadruk van het onderwijs veel meer op het academische, een erfenis van Nederland. Maar Suriname heeft vooral nood aan technisch personeel. In de toerisme-, mijnbouw- en agrarische sector liggen heel veel kansen. Daar probeert het onderwijs nu al van jongs af op in te spelen. Ik hoop dat daarmee ook veel meer kinderen hun plezier terugvinden op school, en dat dit terug te zien zal zijn in een daling van het aantal drop-outs. Dat ligt nu problematisch hoog: van alle Surinaamse kinderen tussen 12 en 15 jaar staat ruim de helft niet ingeschreven op een school. Maar om dit te bewerkstelligen, moet zowel het ministerie als de schoolgaande jeugd haar plannen doorzetten.”

Miriam: “Ik wens de huidige regering van president Chan Santokhi veel wijsheid en oprechtheid toe om in het belang van de Surinaamse bevolking te handelen. Tot op heden is zijn regering niet bij machte om het tij te keren. Het land heeft behoefte aan integere en bekwame politici die korte metten maken met de onmacht van de Surinaamse politiek en die toekomstperspectief bieden aan de bevolking. Utopie of een haalbare kaart? Wie het weet, mag het zeggen!”

Op 25 maart 2024 verschijnt op NieuwWij.nl het eerste artikel in een nieuwe reeks Surilines-publicaties. Die reeks gaat over de wereld van geld en financiën met betrekking tot de relaties tussen Suriname en Nederland. ‘Surilines’ is een onderzoek naar de banden tussen Suriname en Nederland in de aanloop naar vijftig jaar onafhankelijkheid. Bezoek de website www.surilines.nl voor meer informatie.

Waterkant_seen_from_Suriname_river Wikipedia

Deel van Dossier

Surilines: Suriname en Nederland

In de serie ‘Surilines’ doet Zoë Deceuninck samen met anderen onderzoek naar de…

OLYMPUS DIGITAL CAMERA

Theo Brand

Eindredacteur

Theo Brand is journalist en politicoloog en werkt bij Nieuw Wij als eindredacteur. Religie, levensbeschouwing en politiek zijn …
Profiel-pagina
Nog geen reactie — begin het gesprek.