Dit is ongeveer de zesde week dat ik in een verpleeghuis woon. Ik ben al een beetje gewend en kan de weg vinden naar kapel, aula, refter en fysiotherapie. Het massale gebouw moet, toen er nog overwegend jonge mensen, toekomstige priesters, woonden, vrolijker zijn geweest. Trouwens, ook voor mij straalt het minder somberheid uit dan toen ik hier arriveerde. Het blijft een gebouw dat ongeschikt is voor het doel waarvoor het nu gebruikt wordt en ik zal geen traan plengen als het afgebroken wordt. Dit laatste zal niet gebeuren; het is een monument en zal met toren en tuin ingericht gaan worden om te functioneren als een bestuursgebouw.

Het gebouw straalt naar buiten iets uit van ‘wie hier binnen gaat, laat alle hoop varen’ of ‘hier bent u in het voorportaal van de dood’. Er is echter geen reden om alle hoop te laten varen. Het gebouw, deze massa bakstenen heeft een hart. Dat hart is niet van steen. De mensen die hier werken vormen dit hart. Zij zijn tot vele dingen bereid. Om half elf ’s avonds wordt iedereen onder de wol gestopt die dat niet op eigen gelegenheid kan. Maar het blijkt mogelijk op de laatste plaats in de rij te staan en in feite om 23.30 uur naar bed te gaan. En zelfs: ‘U hebt veel boeken, we zorgen voor een grotere kamer of voor een aparte slaapkamer. U wilt ergens anders heengaan voor de mis op zondag, wij regelen een taxi voor u’.

Dit zijn heel andere geluiden dan die klonken in de verpleeghuizen waar mijn ouders moesten vertoeven. Zo werd een van de verplegers op de afdeling van mijn vader de ‘commandant’ genoemd. Of dit fair was, weet ik niet. Mijn ouders hadden geen eigen kamer. Het verpleeghuis van mijn moeder had nogal wat jonge mensen in dienst, leerlingen uit de hoogste klassen van de havo. Zij brachten ijverig jus d’orange rond om later de lege glazen op te halen. Zij waren teleurgesteld dat vele bewoners niet gedronken hadden en ze volle glazen moesten terugbrengen. Ze hadden niet in de gaten dat zij de glazen zo neergezet hadden dat de misschien best dorstige bewoners er vanuit hun bed niet bij konden komen.

In het verpleeghuis waar ik nu woon, zijn verschillende jonge mensen in dienst. Eén is pas zeventien. Zij zijn geen vrijwilligers, maar verplegers, zij het nog in opleiding. Soms heb ik een kort gesprekje met een van hen. Een vraag die ik graag stel, wanneer het ijs is gebroken, is of ze al op vroege leeftijd dit soort werk wilden doen. Ze zeiden allemaal: ja. Klassiek (of ouderwets) zou je kunnen zeggen dat ze een roeping hadden en aan die roeping gevolg hadden gegeven.

Het verpleeghuis telt vele bewoners die strikt genomen niet onder de regeling van een verpleeghuis vallen. Ze zijn gewoon oud, maar kunnen zich nog goed redden. Het zijn allemaal mannelijke religieuzen. Verschillende van hen hebben een levenlang in Indonesië gewerkt. Ze zeggen er niet veel over, maar dit kan komen omdat ik niet de goede vragen weet te stellen. Ze hebben in een parochie gewerkt of op middelbare scholen les gegeven. Het gesprek gaat niet zo diep. Daarvoor kun je beter naar de kleine gedichtenkring gaan op dinsdagochtend. De bewoners zijn hulpvaardig. Het kan zijn dat op dit moment een voormalige hoogleraar internationaal recht mijn verzilverde serviesring voor mij aan het oppoetsen is en dat leuk vindt.

girl-512

André Lascaris

Dominicaan

Profiel-pagina
Nog geen reactie — begin het gesprek.