Het ‘Informatiepunt Ouders & Onderwijs’ kreeg kritische geluiden van ouders die de indruk hadden dat hun kinderen vanwege hun migratieachtergrond ten onrechte vaker een lager schooladvies krijgen dan hun klasgenootjes zonder migratieachtergrond. Dorine Wiersma sprak die ouders: “Wij worden regelmatig gebeld over het schooladvies met de vraag: wat mag een leerkracht mee laten wegen bij het opstellen van het advies? Mogen bijvoorbeeld omstandigheden in de thuissituatie daar een rol bij spelen? Of het opleidingsniveau van ouders? Of hoeveel tijd ouders helpen met huiswerk?”

Wiersma heeft geen harde cijfers, het Informatiepunt registreert niet de achtergrond van de ouders die bellen, maar ze vermoedt dat ouders met een migratieachtergrond onder de bellers in de minderheid zijn. Maar de ouders met een buitenlandse achtergrond die wél de telefoon pakken, spreken soms het vermoeden uit dat hun achtergrond het advies beïnvloed heeft. “Dan zeggen ze bijvoorbeeld: ‘Het blonde vriendje met de blauwe ogen van mijn kind heeft dezelfde scores en die heeft een hoger advies gekregen’. Of ‘Mijn zoon had een 8 voor zijn dictee en zijn vriendje had ook een 8, maar die heeft een hoger advies gekregen’.”

Signalen uit de praktijk, zoals gesprekken met migrantengemeenschappen, gaven het ‘Kennisplatform Integratie & Samenleving’ (KIS) aanleiding om er een onderzoek naar te starten. De resultaten staan in het kersverse rapport Is het onderwijs gekleurd?. Onderzoekers Maaike van Rooijen, Suzan de Winter-Koçak en Mehmet Day spraken met onderwijsprofessionals, ouders en leerlingen en voerden statistische analyses uit. In gesprek met Maaike van Rooijen.

VJ-Maaike-van-Rooijen
Beeld door: Maaike van Rooijen

Marijke, wie zijn die ‘respondenten met een migratieachtergrond’?
In ons onderzoek hebben we gesproken met jongeren die zelf niet in Nederland zijn geboren of waarvan één van beide ouders in een ander land dan Nederland geboren is. We hebben geen onderscheid gemaakt tussen bepaalde landen van herkomst, dus we kunnen niks zeggen over verschillen tussen specifieke (Turkse, Marokkaanse…) groepen van de respondenten.

Herkennen jullie in het onderzoek de kritische geluiden van ouders die zich gediscrimineerd voelen?
“Nee. De ouders, maar ook jongeren en onderwijsprofessionals die wij gesproken hebben, denken niet dat leerlingen door hun culturele of etnische achtergrond structureel en bewust lagere adviezen krijgen. De ouders die het idee hebben dat vooroordelen een rol hebben gespeeld bij het schooladvies aan hun kind, wijzen vooral op andere factoren: ze denken dat de Nederlandse taalvaardigheid, thuissituatie, het gedrag in de klas en de relatie en interactie tussen ouders en leerlingen met de leerkracht een rol spelen bij de advisering. Maar er zijn ook ouders die vonden dan hun kind een te hoog advies had gekregen en gezorgd hebben dat ze op een lager niveau terecht zijn gekomen. En, niet onbelangrijk: we hebben geen ouders zonder migratieachtergrond gesproken. We weten dus niet in hoeverre bovengenoemde klachten al dan niet onder ouders zonder migratieachtergrond leven.”

Wat zeggen onderwijsmedewerkers over ouders die vinden dat hun kinderen een lager advies krijgen dan ze aankunnen?
“Alle onderwijsprofessionals zijn van mening dat onder-advisering van leerlingen met een migratieachtergrond niet op hun school plaatsvindt. Een paar herkennen zich wel in het beeld dat leerlingen met een migratieachtergrond soms lagere adviezen krijgen dan ze aankunnen. Ze denken dat dit bijvoorbeeld komt omdat onderwijsprofessionals vooroordelen over de thuissituatie van leerlingen met een migratieachtergrond hebben. Een onderwijsprofessional verwoordt het zo: ‘Ik denk dat bepaalde vaardigheden moeilijker zijn te analyseren. Als een kind een taalachterstand heeft, of gedragsmatig is het heel moeilijk om aan te geven of zijn werkhouding goed is. De thuissituatie is zwaar, waardoor het moeilijker in te schatten is. Misschien zit het ook in je onderbewuste’.”

teacher-1280975_1280
Beeld door: PIxabay

Mogen leraars volgens de wet iemands gedrag of thuissituatie wel laten meewegen?
“Sinds de wetswijziging in 2014-2015 is het schooladvies leidend voor de plaatsing in het voortgezet onderwijs, en dit wordt gegeven door de basisschool. De wet verplicht basisscholen om met een leerlingvolgsysteem te werken en een eindtoets af te nemen. Maar geeft ook de vrijheid om bij het bepalen van het schooladvies bijvoorbeeld gedragskenmerken of de thuissituatie mee te nemen in hun besluit.”

U zegt dat leerkrachten altijd ‘ruimte tot subjectiviteit’ hebben en dat er mogelijk vooroordelen zijn. Hoe komt u tot die conclusie?
“Er zijn geen harde criteria om te bepalen wat het schooladvies moet zijn. Over het algemeen baseren onderwijsprofessionals hun schooladvies op meerdere criteria, zoals de resultaten uit het leerlingvolgsysteem, (methode gebonden) toetsen, iemands werkhouding, etcetera. Bij een eindtoetsscore kan je bijvoorbeeld afspreken, dat een score boven de 9 automatisch een vwo-advies betekent. Doordat onderwijsprofessionals verschillende factoren combineren, hebben ze meer informatie om tot een schooladvies te komen, maar kan het zijn dat subjectiviteit een rol speelt.”

En wat vinden de ouders en leerlingen daarvan?
“Ouders en jongeren willen natuurlijk dat hun kind of zijzelf een advies krijgen dat bij ze past. Als ze het idee hebben dat ze een lager advies krijgen omdat ze de Nederlandse taal minder goed beheersen, zijn ze daar niet blij mee. Zoals we in het rapport beschrijven: ‘Ouders en jongeren vinden dat er bij het bepalen van het advies aandacht en ruimte zou moeten zijn voor de leerpotentie van leerlingen en wat ze zouden kunnen bereiken. Onderwijsprofessionals daarentegen zien het schooladvies vooral als een plaatsing in het voortgezet onderwijs op basis van wat leerlingen nu laten zien’. Ik denk dat ouders bedoelen dat jongeren soms op jongere leeftijd nog niet alles laten zien waar ze toe in staat zijn en dat ze hopen dat dit in het voortgezet onderwijs wel zichtbaar wordt. Als je op een lager schoolniveau geplaatst wordt in het vo, is het soms lastig om te laten zien wat je daadwerkelijk kunt.”

chalkboard-1264200_1280
Beeld door: Pixabay

Is leerpotentie meetbaar? Hoe zien de ouders en leerlingen dat voor zich? Of ervaren ze gewoon een gebrek aan vertrouwen, misschien zelfs wantrouwen, ten opzichte van de leerkrachten?
“De meeste testen zijn erop gericht op te kijken wat jongeren op dit moment weten en kunnen, bijvoorbeeld op het gebied van taal en rekenen. Maar er zijn ook testen, zoals de Nederlandse Intelligentie test voor Onderwijsniveaus (NIO) of de Niet schoolse cognitieve capaciteiten test (NSCCT), die meer gericht zijn op de potentie van leerlingen.”
Jullie stellen dat ‘met name de communicatie’ beter moet rondom het opstellen van een advies. Wat bedoelt u daar mee?
“Als ouders in een vroeg stadium (bijvoorbeeld in groep 6) al informatie krijgen over het mogelijke schooladvies en meegenomen worden in de besluitvorming, leidt dit vaak tot meer tevredenheid bij de ouders over het advies. Op die manier kunnen ouders en onderwijsprofessionals ook beter met elkaar het gesprek aangaan. Onderwijsprofessionals zijn van mening dat het advies dat ze geven goed onderbouwd is, maar dit komt niet altijd zo over bij ouders en jongeren.”

Wat zijn jullie aanbevelingen?
“We doen er vier.
– Het schooladvies opstellen op basis van verschillende factoren én met medewerking van meerdere mensen en transparant zijn over de procedure.
– Scholen laten investeren in het betrekken van ouders en leerlingen bij het opstellen van het schooladvies. Het aangeven van een ontwikkelingsperspectief zodat ouders en leerlingen een doel hebben waar ze naartoe kunnen werken, lijkt tot nog meer tevredenheid te leiden.
– De rol van de eindtoets niet verwaarlozen.
– Bewustzijn creëren over de rol van mogelijke vooroordelen in het adviesproces. In de huidige adviesprocedure is ondanks de gemaakte afspraken ruimte voor subjectiviteit bij het opstellen van het schooladvies.”

Willen de scholen van jullie onderzoek die aanbevelingen ook ter harte nemen?
“De scholen die we gesproken hebben, hebben aangegeven dat ze met de aanbevelingen aan de slag gaan. We zijn dit najaar nog verder in gesprek met onderwijsprofessionals en beleidsmedewerkers om te kijken hoe we de aanbevelingen kunnen vertalen naar meer concrete handvatten. Als mensen daarover mee willen denken kunnen ze dat laten weten door een email te sturen (m.vanrooijen@kis.nl).
Ik hoop vooral dat we bij alle betrokkenen bewustzijn creëren over de subjectiviteit die in de huidige besluitvorming zit. Het zou mooi zijn als alle jongeren een schooladvies krijgen dat bij ze past en waardoor ze zich in het vo optimaal kunnen ontwikkelen.”

Maaike van Rooijen is ontwikkelingspsycholoog. Ze werkt als onderzoeker bij het Verwey-Jonker Instituut en het Kennisplatform Integratie & Samenleving. Binnen de onderzoeksgroep Jeugd, opvoeding en onderwijs richt zij zich vooral op onderwijs. Op dit moment werkt ze aan verschillende onderzoeken gericht op het verbeteren van de maatschappelijke positie van kwetsbare jongeren, onder andere op het gebied van studiekeuzes en de overgang van onderwijs naar de arbeidsmarkt.

U kunt gratis verder lezen

Klik deze melding weg via het kruisje. Maar goede artikelen schrijven kost geld. Steun daarom onze schrijvers en word al vanaf € 5 per maand Vriend/in van Nieuw Wij.

Ik lees eerst het artikel verder.
32928257_10216070780071682_2538458966246031360_n

Robert Reijns

Redacteur

Robert Reijns – journalist, cultureel antropoloog, docent maatschappijleer – is o.a. eindredacteur bij Kerk in Den Haag.
Profiel-pagina
Nog geen reactie — begin het gesprek.