Dus ik beloofde haar – en vooral mezelf – waakzaam te blijven voor extreemrechts gedachtegoed en alle vormen van racisme. Aangeboden snoepreisjes naar Israël, een etnostaat gebouwd op apartheid en genocide, sloeg ik telkens af. Ik peilde vaak op wie ik in tijden van oorlog of oorlogsdreiging kon bouwen. Maar toen antidemocratische stemmen nog in de minderheid waren en het gevaar ervan ook in de media benoemd werd, werd ik vaak moe van mijn eigen overgeërfde angsten. Daarom liet ik het ook in vriendschappen en zelfs in liefdesrelaties na om expliciet te vragen naar morele stellingnames. Mensenlevens zouden er immers flink anders uitzien, schraler ook, als we elkaar snel zouden vragen naar onze kinderdromen en jeugdtrauma’s.
Soms zocht ik hulp bij het hanteren van de angst die ik als kind meekreeg. Psychologen raadden me af om diep te graven, plantmedicijnen verlegden liefdevol mijn blik, EMDR-sessies wisten niet waar te beginnen. Schrijven werd de beste manier om de pijn toch een plek te geven. De angst voor extreemrechts bracht ook moedige mensen op mijn pad en veel moois. Zo ontkiemde al op Zwarte Zondag mijn keuze om Antwerpen te verruilen voor Gent in 1999.
Rond de millenniumwissel leerde ik in Gent ridder Adelbert (vernoemd naar zijn kinderdroom) kennen. Al snel waren we maandenlang onafscheidelijk. Heel vaak was mijn zolderkamer overvol met vrienden. De ridder bleef plakken tot we door het dakraam de zon zagen opkomen. Hoe beschrijf ik in een paar regels dit vormend kantelpunt van eeuwen, van tienertijd en twintigersgeluk? We kookten amper en rookten nog, in bed zelfs, ook wiet. Ik kocht rode wijn, hij bracht zelf halve liters mee. Hij speelde gitaar, we zongen urenlang, in een kring rond mijn vierkante tafel. Soms bespraken we in groep de relevantie van marxisme versus anarchisme, andere nachten stonden in het teken van aftasten wie we voor elkaar konden en wilden zijn. Wat vooral bijblijft, is de breed gedragen belofte uit die tijd om raakbaar te blijven. Hopeloze romantiek was te verkiezen boven hopeloos cynisme. Was/is: mijn rouwende hart verdraagt de verleden tijd maar slecht.
Als een kurk die hoog opspringt en tegen het plafond knalt. Zo was de vriendschap met ridder Adelbert: intensief, explosief, zintuiglijk en onvermijdelijk van korte duur. Toen ik vorig jaar terugkeerde naar Gent, ontdekte ik opgelucht dat hij een kwart eeuw later op dezelfde rode lijn stond. Hij sloot mijn man en zoontje in zijn grote hart. We ontdekten opnieuw wie we voor elkaar konden zijn. Ik ontwaarde zijn dansende krullen in de demonstrerende massa in Brussel. Naar mijn verjaardag in oktober bracht hij zijn gitaar mee. Via hem leerde ik opnieuw nieuwe liedjes kennen. In zijn interpretatie klonk ‘You can’t catch me now’ van Olivia Rodrigo plots strijdbaar.
‘I’m in the trees, I’m in the breeze, my footsteps on the ground. You’ll see my face in every place. But you can’t catch me now.’ Toen Adelberts grote hart begin juni plots stopte in zijn slaap, zocht ik houvast en troost in zijn online opnames van zijn nummers op gitaar. Bij de uitvoering van dit ‘straffe’ numme schreef hij dat het over de strijd tegen fascisme en het belang van hoop en activisme gaat. De te vermijden valkuil? Die van het cynisme. De uitvaart van mijn hervonden vriend eindigde met ridder Adelbert op groot scherm. Zijn vinger die op de stopknop drukt. ‘I’m comin’ like a storm into your town’: een week later leek de razende stormwind in het buurtpark op de adem van onze overleden ridder.
Terugkeren naar huis na vijftien jaar lijkt op rouwen: je kan op voorhand niet inschatten wie er zal zijn, wie dichtbij zal komen en veilig zal voelen. In het rebelse Gent zorgde een stevige burgerbeweging ervoor dat N-VA nog steeds niet in de coalitie zit. Maar in Antwerpen, bestuurd door de (uit Nederland afkomstige) N-VA burgemeester Els van Doesburg, wappert de Israëlische vlag weer aan het stadshuis. Bij het wekelijkse protest werd op maandag 29 juni zelfs Aimen Horch, partijvoorzitter van Groen, gewelddadig gearresteerd. Net als in de Tweede Wereldoorlog loopt Antwerpen voorop in het collaboreren met extreemrechtse regimes die genocide plegen. Eeuwenoude Jodenhaat werd slinkser verpakt als zionistische wens, de lebensraum-droom ditmaal voorbestemd voor joden, met Israël als onmisbare satellietstaat van het imperialistische machtsblok in Europa en de Verenigde Staten. Zowat de helft van de Vlamingen stemt inmiddels op de expliciet racistische en antidemocratische partijen Vlaams Belang en N-VA, het Vlaamse percentage verschilt niet veel met het Nederlandse. Mijn getraumatiseerde voelsprieten zijn ongetwijfeld anders afgesteld, maar toch vang ik in Gent nog steeds veel winden op die tegen de fascistische stroom ingaan. Verzet is voelbaar in de vezels van deze stad. Dat geeft richting en verbinding, in een gewelddadige wereld die teert op vervreemding.
Deze hele junimaand voel ik me naast droevig ook verscheurd, in een spagaat. Een aantal vrienden van vroeger draaide mee in de flinke bocht naar rechts die de samenleving maakte. Enerzijds heb ik ook hen nodig om de herinneringen aan onze ridder rijker en veelzijdiger te maken. Maar het tienjarig meisje in mij voelt zich niet veilig in hun gezelschap. Zij blijft liever in de linkerhoek, anders bevolkt dan die zolderkamer van vroeger. Dit meisje wordt elke dag weer wakker op Zwarte Zondag. Verschrikt merkt ze hoe weinig mensen opstaan om de democratie, kwetsbare medemensen en/of de brandende planeet te beschermen.
‘I’m higher than the hopes that you brought down.’ Zijn nagedachtenis versterkt ook het voornemen om hoop te houden. In deze apocalyptische tijden, met hittegolven, de dreiging van de stilvallende Golfstroom, een aanzwellende super El Niño en voortrazend oorlogs- en politiegeweld, leer ik steeds meer mensen kennen die met beide benen in de heftige realiteit staan. Riddervrienden, muzikanten die frisse melodieën vinden, schrijvers die niet meebuigen met de macht. Ik neig meer dan ooit naar zij in het verzet: het inventieve, grappige, veelzijdige, moedige, slim, liefdevolle en terecht doodsbange verzet, het kolkend boze verzet. Mijn vrienden bevinden zich op de oevers van de rivieren Daadkracht, Verbeelding en Solidariteit.
Ridder Adelbert zou meewarig lachen om mijn stortvloed aan grote woorden. Toch zijn ze nodig, als het gaat over grote kinderdromen, grote beloftes en Vriendschap met hoofdletter V. Grote woorden horen erbij, als een groot hart plots en veel te vroeg stopt met bonken. Als vrienden geen God hebben die hen kan troosten, als we enkel onszelf hebben, het kind in ons en elkaar.
Lieve ridder Adelbert, ik zal je missen als achttienjarige, als veertiger. Ik zal je missen met alle haken en ogen, in haperingen en spagaten, in kolkende rivieren van gevoel. Ook de tienjarige in mij gaat je vreselijk missen, al was ook zij nooit een prinses die jij kon redden. Haar vlechten hangen niet uit het raam. Maar in de linkerhoek van haar torenkamer ligt een rode draad die harten verbindt, voorbij grenzen van leven en dood, voorbij blauwdruk en krijtlijnen. We kunnen hem oppakken, voel maar. Zijdezacht, vuurrood.
Vaarwel, lieve ridder Adelbert.

Mijn lieve strijdvaardige Marie het is so tof om je te lezen en te lezen en te lezen
Ook Clara en Michiel en Dede …et les autres…leven zoals ze waren als kinderen
Dikke kus
Emy