Zo is de mentaliteit die de industriële revolutie, het kapitalisme en het paradigma van economische groei voortbracht, uit de overtuiging geboren dat de mens als “kroon van de schepping” boven de natuur staat en de opdracht heeft om de aarde onder zijn gezag te brengen. Deze overtuiging die rechtstreeks uit de interpretatie van het Bijbelse scheppingsverhaal voortkomt, heeft ertoe geleid dat mensen zich in hun volste recht zien staan als zij de schatkamers van de aarde als consumptie-bron leegroven.

Maar ook een te exclusieve nadruk op het heil in Christus heeft aan die mentaliteit bijgedragen. Als je vanuit de overtuiging leeft dat je als gelovige het heil in Christus al in huis hebt, dan ligt een onverschillige houding van ‘ons kan niets meer overkomen’ op de loer, dan dreig je dus ook ongevoelig te worden voor wat natuur en aarde door toedoen van de mens overkomt. Je leeft immers vanuit de zekerheid dat de geschiedenis, tenminste wat jezelf en je geloofsgenoten betreft, niet alleen goed zal eindigen maar in feite al goed geëindigd is. Waarom zou je dan ook maar iets aan je overdadig consumptiegedrag veranderen?

Uiteraard zijn hiervoor meer factoren aan het werk, maar ook hierdoor zitten wij nu in en wereld waar wij niet alleen met enkele muisklikken de halve wereld vanuit onze luie stoel kunnen bestellen, maar waar wij in die luie stoel zelfs al binnen tien minuten de zak chips kunnen opentrekken waar we net spontaan zin in kregen, maar die we toen nog niet in huis hadden. Voor de consumptie van elk Nederlandse huishouden moeten inmiddels gemiddeld twee dagloners in lageloonlanden voltijds werken en qua ecologische voetafdruk verbruiken alle Nederlanders voor hun consumptie het elfvoudige van de oppervlakte van dit land.

Het refrein van het bekende nummer van Queen komt als levensmotto steeds meer binnen handbereik: “I want it all, I want it all, I want it all and I want it now!” Een nieuwe religieuze taal die aanzet tot bescheidenheid lijkt me geen overdreven luxe, maar een bittere noodzaak – als transformerende kracht die ons mensen van onze overtuiging verlost dat onze natuur een te kolonialiseren ruimte of een leeg te plunderen voorraadkamer van goederen en diensten is.

Als je je dan afvraagt, waarmee deze nieuwe religieuze taal van start zou kunnen gaan, valt op, dat Bijbel en Christendom, ondanks hun slechte reputatie, daarvoor verrassend veel in huis hebben.

Meest fundamenteel moet deze nieuwe religieuze taal de bakens van de verhouding tussen mens en natuur verzetten. Hier gaat het niet om een dualisme, alsof de mens buiten of zelfs boven de natuur staat. Nee, wij zijn er onderdeel van en kunnen zonder onze natuurlijke leefomgeving niet (voort)bestaan. Bruno Latour stelt daarom voor, om mensen voortaan “aardelingen” te noemen, om aan te duiden dat wij als partners op gelijke ooghoogte met de aarde staan.

Ik weet niet of zo’n ingreep door te voeren is, maar ik zie kansen in een hertaling en herinterpretatie van de bovengenoemde scheppingsopdracht aan de mens in Genesis 1:26: Waar wij in het Nederlands lezen, dat de mens “de aarde onder zijn gezag” dient te brengen, staat in de Hebreeuwse oertekst een werkwoord dat elders het werk van herders met hun kuddes beschrijft, een veel sterker op evenwicht en partnerschap rustende en op zorg en samenwerking doelende verhouding dan de heerszucht die nu onze exploitatie van de natuur voedt. Op de langere termijn kan alleen zo’n herijking van onze positie tegenover de natuur, het afstappen van onze troon als “kroon van de schepping” ons van onze “meer-verslaving” helpen afkicken.

Maar ook wat de concrete invulling, het “hoe, dan?” betreft, is de Bijbel rijk aan nieuwe taal voor meer bescheidenheid in de individuele en economische omgang met onze natuurlijke leefomgeving: de Joodse wetgeving rond het Sabbatjaar (Leviticus 25) zorgt voor een beperking van de menselijke hebzucht. De natuur elk zeven jaar een jaar rust te moeten gunnen, maakt haar tot rechten hebbende partner van ons mensen, waarvoor wij zorg te dragen hebben. Bovendien prent zij de mens een basisvertrouwen in: er is genoeg als je met elkaar deelt, ook al sloof je jezelf niet elk jaar maximaal uit, ten koste van de aarde.

Dit laatste onderstreept het wonderbaarlijke verhaal van het manna waarmee God zijn volk tijdens de tocht door de woestijn (op)voedde: altijd wel voldoende voor de dag zelf, maar niet te bewaren voor de komende dagen. Deze kritiek op voorraadshouding, op meer te vergaren dan je nodig hebt, wordt door de profeten onderstreept, neem alleen al de waarschuwing van Jesaja 5:8: “Wee degenen die zich huis na huis toe-eigenen, die akker na akker samenvoegen, tot er voor niemand meer ruimte is en zij alleen het land bewonen” of de verrassend alledaagse eindtijdsvisie dat iedereen voor zijn eigen huis kan zitten en van de vruchten van zijn eigen werk mag genieten (Micha 4:4, Zacharias 8:4-5 en Jesaja 65:20-22) – wát een tegenstelling met ons “hoe meer, hoe beter”!

Zo zou ik nog even door kunnen gaan, maar wat opvalt is hoezeer in de marge van de kerkelijke verkondiging al deze teksten staan, ik ben ze volgens mij nog nooit in preekroosters tegengekomen. Wat een wereld valt hier letterlijk nog te winnen!

Taal omvat echter niet alleen woorden, maar ook rituelen, zeker als je het over religieuze taal hebt. Elk kerkelijk jaar passeren twee periodes die traditioneel de intentie hadden om mensen bescheidenheid te leren, om door uitstel en afstand doen een matiging van uit de hand gelopen behoeftes te bewerkstelligen: de twee voorbereidingstijden op de grote christelijke feestdagen, de veertigdagentijd voor Pasen en de Adventstijd voor de Kerst.

De meest tastbare religieuze taalvernieuwing lijkt mij dan ook om de volledige rituele uitkleding van deze twee periodes door het Nederlandse protestantisme ietsje terug te draaien. Alleen al door de paaskaars tijdens de veertigdagentijd niet te ontsteken en door niet direct op de dag na Sinterklaas in onze kerken de kerstbomen te versieren, kun je als kerken een belangrijke en actuele boodschap communiceren: het is van grote waarde, voor mens én aarde, om je verlangens te matigen, bijvoorbeeld door de bevrediging ervan even uit te stellen.

Ik stelde dat al enkele keren, in verschillende kerken voor. Telkens weer met dezelfde verontwaardigde reacties: ‘Nee, maar een kaars die niet brandt, een liturgisch centrum zonder boom, of met een kale boom, dat ziet er toch zo ongezellig uit!” Daarop reageer ik altijd: “Klopt, en precies dát is ook de bedoeling. Zo kan je namelijk leren, dat het een mens niets baat, “als hij de hele wereld wint, maar schade lijdt aan zijn ziel” (Matteüs 16:26).

Axel Wicke

Axel Wicke

Predikant

Axel Wicke (Berlijn, 1972) is predikant binnen de Protestantse Kerk in Nederland.
Profiel-pagina
Al één reactie — praat mee.