Als je het boek leest en herleest, kom je veel te weten over het denken van de PVV. Je zou kunnen zeggen over haar ideologie, vandaar de titel van deze serie ‘De ideologie van de PVV’. Bosma betitelt zijn eigen denken niet als ideologie en past dat in de voorspelling van de Amerikaanse socioloog Edward Shills die in de jaren vijftig de gedachte lanceerde van ‘het einde van de ideologie’ (p. 132). Bosma stelt dat de ontwikkelingen van de laatste decennia Shills gelijk geeft, en in zijn kielzog ook Jacques de Kadt die volgens Bosma hetzelfde beweerde. Tegelijkertijd voegt Bosma tussen haakjes ‘de voetnoot’ eraan toe dat twee ideologieën “juist belangrijker zullen worden: het multiculturalisme en de islam” (p. 132), die hij beide als negatief kwalificeert. In zijn woorden: “We gaan ons uitspreken tegen de islam. Tegen het multiculturele project. Voor een immigratiestop uit moslimlanden” (p. 37). En daarmee hebben we de essentie van zijn boek en (zo je wilt de voetnoot van) zijn negatieve ideologie te pakken. Er is veel niet goed in het boek van Bosma: naast islam, multicultuur en immigratie krijgt vooral ‘links’ ervan langs en wat Bosma “de elite” noemt. Bosma heeft een positief oordeel over het christendom, het monoculturalisme en wat hij “het volk” noemt. Deze oordelen gaan als rode draden door het boek heen maar niet altijd even consequent. Het boek lezende en herlezende viel mij ook op dat een aantal termen niet of nauwelijks voorkomen. Zo kwamen bijvoorbeeld de woorden ‘fascisme’ en ‘fascistisch’, ‘protestantisme’, ‘Socialistiese Partij’, ‘humanisme’, ‘joods-christelijk’ en ‘Huis van Oranje’ weinig voor. Het belang van deze ‘gaten’ laat zich in mijn beschouwingen gelden.

Hoe heb ik een en ander aangepakt? Ik heb het boek van Bosma geanalyseerd en er uiteindelijk 400 citaten uitgehaald die ik in een apart bestand heb ondergebracht. Een aantal van deze citaten zal later op internet gepubliceerd worden. Ze zijn handig om uit te zoeken waar Bosma het in zijn boek over welk onderwerp heeft en wat zijn visie is. Deze citaten zijn de leidraad van mijn overwegingen die uiteindelijk vorm zullen krijgen in minstens zes beschouwingen. Deze beschouwingen behandelen telkens een apart onderwerp, het eerste is het christendom. De teksten die ik schrijf zullen citaten van andere werken bevatten maar de bibliografische verwijzingen komen niet op internet te staan. Deze maken de tekst onrustig. De versie van de teksten inclusief referenties zijn echter op te vragen bij de beheerder van deze site via info@nieuwwij.nl.

De ideologie van de PVV I – Het christendom

Martin Bosma is trots op het christendom in Nederland. Hij brengt dat als volgt onder woorden:

“Met weinig zaken mag de Nederlander blijer zijn dan met de christelijke achtergrond van zijn land. Bijna al onze cruciale verworvenheden hebben een relatie met het christendom. Democratie, scheiding van kerk en staat, tolerantie, maar ook waarden als vlijt en efficiency. Wie Max Webers De geest van het kapitalisme en de protestantse ethiek heeft gelezen, weet dat ook onze economische successen een direct verband hebben met het christendom (p. 94).”

Het past in Bosma’s ideologie om datgene wat hij vindt dat bij het eigen land hoort, in dit geval het christendom, hoog te waarderen. Hij beperkt zich hierin niet tot het vaststellen van belangrijke algemene christelijke waarden als naastenliefde, rentmeesterschap en solidariteit, maar gaat verder en stelt dat we onze democratie en de scheiding van kerk en staat aan het christendom te danken hebben naast waarden als tolerantie, vlijt en efficiency. Democratie in zijn huidige vorm heeft Nederland na de Franse Tijd, die in 1813 eindigde, gekregen en deze werd versterkt met de grondwetherziening van 1848 door de liberaal Thorbecke. Thorbecke was zeker geen christen te noemen als indertijd de calvinist Groen van Prinsterer of later de katholiek Schaepman. De democratie werd gevestigd in een land dat in 1795 overspoeld werd door Franse revolutionaire krachten en onder het vaandel van ‘vrijheid, gelijkheid en broederschap’ werden de fundamenten gelegd voor wat later de democratie zou worden. Diezelfde Franse revolutie maakte korte metten met de almacht van de Katholieke kerk in Frankrijk die zich vanzelfsprekend fel verzette tegen de nieuwe beweging die sterk geïnspireerd was geweest door wat de philosophes werden genoemd met denkers als Diderot, Holbach en Helvetius die een vrijwel zuiver atheïstisch wereldbeeld hadden, en in het bijzonder door Jean Jacques Rousseau, de filosoof van de Verlichting die er het romantische beeld op na hield van een samenleving waarin geen bezit bestond en we allemaal gelijk zouden zijn. Het bizarre is dat zowel de latere socialisten als de latere liberalen de principes van de Franse revolutie als hun eigen basis beschouwden of in de woorden van Van Doorn in zijn werk Duits socialisme, ook regelmatig door Bosma aangehaald (p. 265): “Daaruit is het verklaarbaar dat zowel liberalen als socialisten op 1789 terugkeken als hún revolutie”. “Les deux bien étonnés de se trouver ensemble”. Later in de negentiende eeuw begrepen protestanten en katholieken in Nederland dat ze maar beter vrede konden sluiten met het systeem van de democratie en vormden ze politieke partijen. De eerste liberale premier Cort van de Linden voerde in 1917 het systeem van evenredige vertegenwoordiging in in plaats van het tot dan toe vigerende districtenstelsel. Prompt werd hij in 1918 afgeserveerd door een overwinning van confessionelen die het volgende kabinet, onder Ruijs de Beerenbrouck, vormde. Zo bleek de democratisering van het systeem haar confessionalisering in de hand te werken.

Nee, de democratie is eerder ondanks dan dankzij het christendom tot stand gekomen en hetzelfde geldt uiteraard voor de scheiding van kerk en staat. Het is een contradictio in terminis om te stellen dat het christendom (de kerk) zich zodanig ingespannen heeft om zijn macht af te staan aan de staat.

Tolerantie is een ander begrip dat Bosma aan het christendom verbindt. Ik begrijp best dat dat de conclusie kan zijn als je het leven van Jezus bekijkt. Hij immers beval mensen aan hun vijanden lief te hebben en de ander de andere wang toe te keren als je geslagen wordt. De praktijk van het christendom was echter vaak een andere. Om in eigen land te blijven: in met name de achttiende eeuw werden er veel processen gevoerd tegen sodomieten, homoseksuelen, en deze processen leidden niet zelden tot de doodstraf. De ideologie achter deze hetze tegen homo’s was dat ze ingingen tegen de aard en natuur van de mens zoals door God geïnstitutionaliseerd. Je was je leven niet zeker als je een actieve homo was en het heeft verschrikkelijk lang geduurd eer de kerk, en dan nog mondjesmaat, homoseksualiteit als gelijkwaardige vorm van seksualiteit erkende, waarbij ik niet de fout wil maken te spreken over ‘de kerk’. Veel christelijke kerken, protestant en zeker katholiek, spreken hun veroordeling nog steeds over homoseksualiteit uit. Overigens erkent Bosma dat de door hem zo verfoeide veranderingen in de jaren zestig door Nieuw Links “ook hun goede kanten” hebben. “De emancipatie van vrouwen en homo’s” is daar immers door “versneld” (p. 69).

Omdat Bosma het christendom zo hoog heeft zitten, ergert hij zich aan de christendom bashers. Hij hekelt het schelden op deze godsdienst waar hij tijdens zijn studie in de Verenigde Staten zelf nog getuige van is geweest. In het politiek correcte milieu, dat Bosma de opvolger noemt van het cultureel marxisme van de Amerikaanse universiteiten van de jaren zeventig en tachtig, was er “veel aandacht voor slavernij, racisme, de Ku Klux Clan, apartheid, kruistochten en kolonialisme”. “Het Westen en het christendom daarentegen zijn altijd slecht (p. 68).” Hij ergert zich aan de opvatting dat “wij iets goed te maken hebben”. De hele redenering van Bosma beschouwend krijg je bijna het gevoel dat hij het tegenovergestelde wil goed praten. Namelijk dat er op zaken als slavernij, kolonialisme en kruistochten nog wel wat af te dingen valt. Ik weet zeker dat hij dat niet bedoelt omdat ook hij weet dat deze alleen maar ellende hebben gebracht. Toch gaat hij zo ver in de verdediging van het christendom en haar geopolitieke rol in de wereldgeschiedenis dat hij niet tot een expliciet genoemde veroordeling van genoemde zaken komt. Het past in het reactionaire zwart/wit-denken dat de ideologie van Bosma zo eigen is.

Opvallend is verder dat Bosma gewag maakt van de belijders van het christendom, de christenen. Zoals bekend maakt de PVV onderscheid tussen de islam en de belijders van de islam, waarbij de premisse is dat de islam een slechte ideologie is maar de moslims noodzakelijkerwijs nog geen slechte mensen zijn. In een latere bijdrage kom ik hierop terug. Een vergelijkbaar scenario ontvouwt zicht met betrekking tot de combinatie christendom en christenen. Een ‘slip of the pen’ zou ik het volgende citaat willen noemen: “Net zoals de katholieke kerk het denken van de gewone mensen eeuwen had bepaald, zo moesten de linksen dat ook gaan doen (p.67)”. In dit citaat maakt Bosma de vergelijking tussen de grote invloed die de katholieke kerk heeft gehad op het denken van de mensen en dat gedurende eeuwen lang en de wens van de linksen om eenzelfde ideëel (schrik-)bewind aan de mensen op te leggen. Links heeft een vrijwel constante negatieve connotatie bij Bosma en Links vergelijken met de katholieke kerk, onderdeel van het christendom, wekt de indruk dat Bosma vergeten is dat het christendom staat voor alles waar we als Nederlanders trots op mogen zijn. Of is de katholieke kerk, omgekeerd geredeneerd, net zo verwerpelijk als Links?.

Andere christenen die er van langs krijgen zijn de programmamakers van de IKON die op moment van het uitkomen van het boek van Bosma “op de radio een wekelijkse rubriek heeft waarin kiezers van de PVV belachelijk worden gemaakt (p. 105).” “Linkse christenen” worden vanzelfsprekend ook gewantrouwd: “De voorhoede van linkse christenen is opvallend. Zij verzetten zich tegen ‘het vijandbeeld’ (van de islam, JJdR), roepen op tot ‘dialoog’ en ‘begrip’ (p. 311)”. Eigenlijk lijkt het erop dat er maar één groep “goede” christenen is en dat zijn zij die op de PVV hebben gestemd. “Nergens groeit de partij zo snel als in de Biblebelt”. En: “De Partij voor de Vrijheid is inmiddels de tweede partij van christelijk Nederland (p. 97).”

Het moge duidelijk zijn dat de ideologie van de PVV het christendom op een verhoging heeft geplaatst, het ontdaan heeft van haar eigen smetten in de historie, het de zegeningen van ons democratisch systeem toeschrijft en haar aanhangers die op de PVV stemmen prijst en haar linkse vleugel veroordeelt. Wat Bosma zo doet is een eigen interpretatie geven van wat het christendom is en betekent, waarbij hij impliciet erkent dat een religie die vorm kan krijgen die haar belijders haar wensen te geven, het woord ‘diversiteit’, dat niet erg en vogue is in PVV kringen, lijkt me hier op zijn plaats. Genoemd voorrecht is echter niet voorbehouden aan de islam, of in de woorden van Bosma: “Misschien dat individuele moslims zich hier en daar aanpassen, de islam kan dat niet (p. 304)”, waarover later meer. Ten slotte viel mij het volgende citaat dat Bosma geeft van Hitler op, en dat gerelateerd aan het christendom is: “De mohammedaanse godsdienst zou ons veel beter passen dan het christendom. Waarom moest het zo nodig het christendom zijn met zijn zachtmoedigheid en meegaandheid?” (p. 251) Ook hier is de redeneerwijze complex. Bosma geeft dit citaat van Hitler omdat de nazi-dictator veel meer verwantschap zou voelen met de niet-zachtmoedige en niet-meegaande islam, waarmee Bosma andermaal weer wil aantonen hoe verwerpelijk de islam is en tegelijkertijd hoe goed het christendom eigenlijk is. Een partij als de PVV die telkens weer, en terecht, in woede ontsteekt bij elke vergelijking met Hitler en zijn nazi’s, doet in zijn ideologische programma dus hetzelfde.

Het afgewogen oordeel is dat elke religie of ideologie, het is mij om het even, haar – zeer – duistere kanten kent en dat elk van hen beoordeeld zou moeten worden op algemene menselijke waarden, die niet noodzakelijkerwijs gerelateerd zijn aan wat voor religie dan ook maar. Dan komt vanzelf het oordeel over welvoeglijkheid of verwerpelijkheid tot stand.

Jan Jaap de Ruiter

Jan Jaap de Ruiter

Arabist

Jan Jaap de Ruiter (1959) is arabist en de Arabische taal is zijn grote -professionele- liefde. Het Arabisch staat is een van de twee …
Profiel-pagina
Nog geen reactie — begin het gesprek.