In de zomer van 2024 was ik in Johannesburg bij de boeklancering van Comrade and Commander: The Life and Times of Joe Modise, een biografie van de hoogste bevelhebber van Umkhonto we Sizwe (MK), de gewapende tak van het gewapende verzet tegen het apartheidsregime, en tevens de eerste minister van defensie in post-apartheid Zuid-Afrika. Het was een bijzondere avond in het Nelson Mandela Centrum, de helft van de zaal was gevuld met zeer gerenommeerde veteranen uit de anti-apartheidsstrijd, waaronder ook oud-president Thabo Mbeki en de voormalige MK-veteraan, adjunct-minister van Defensie onder Mandela en later minister van Inlichtingen, Ronnie Kasrils.
Samen met mijn broer waren we naar Johannesburg afgereisd om contacten te leggen met de familie van een van onze bestuursleden in Stichting Aralez, Nadira Omarjee. Ze was grootgebracht als een soort peetdochter van de anti-apartheid veteraan Ahmed Kathrada, die samen met Nelson Mandela meer dan 25 jaar gevangenzat op Robbeneiland, beiden gevangengezet onder de Suppression of Communism Act. Kathrada was lid van de Communistische Partij van Zuid-Afrika, net als Nelson Mandela, Joe Modise en Ronnie Kasrils. Grofweg 90 procent van de logistieke, financiële en militaire steun voor het anti-apartheidsverzet kwam van de Sovjet-Unie, iets dat Ronnie Kasrils, decennia later in een doordeweekse avond in Johannesburg, nodig vond om meermaals te herhalen. Hij was getraind in Odessa. Soviet-Odessa, zo benadrukte hij. Toen Mandela vervolgd werd in de rechtbank, verdedigde hij zich als volgt:
Tientallen jaren lang waren de communisten de enige politieke groepering in Zuid-Afrika die bereid was Afrikanen als mensen en gelijken te behandelen. Zij waren bereid met ons te eten, met ons te praten, met ons te leven en met ons te werken. Het was de enige groepering die samen met Afrikanen wilde strijden voor politieke rechten en een plaats in de samenleving. Daarom zijn er vandaag de dag veel Afrikanen die vrijheid gelijkstellen aan communisme.
Nelson Mandela
De Sovjet-Unie stuurde de wapens, maar Cuba, een eiland van destijds zo’n zeven miljoen inwoners, zond zelfs honderden duizenden troepen uit om mee te vechten tegen het apartheidsregime en haar proxies. Die steun zijn Afrikaanse vrijheidsstrijders nooit vergeten. Cuba was dan ook een van de eerste landen die Mandela bezocht toen hij na 27 jaar gevangenschap vrijkwam, om het Cubaanse volk te bedanken voor hun steun. Een paar jaar later verzocht de Amerikaanse president Bill Clinton de kersverse president Nelson Mandela om afstand te nemen van Castro. De vrijheidsstrijder stelde resoluut dat critici “in een zwembad mogen springen.”
Als we de redenering van Klei moeten volgen, was Nelson Mandela een communistische apologeet en een ‘ideoloog’ met weinig tot geen serieuze kennis over de Koude Oorlog en dekolonisatie. Maar zou het wellicht kunnen dat deze vrijheidsstrijders de wereldwijde dynamiek van dekolonisatie en contrarevolutie beter konden doorgronden dan een willekeurige Nederlandse historicus, die is gespecialiseerd in de contemporaine partijgeschiedenis van Nederland?
Over autoriteit en ideologie
Het is moeilijk om inhoudelijk te reageren op een recensie die vooral spreekt in vage, algemene verdachtmakingen. Er is een gezegde dat ‘elke zionistische beschuldiging een bekentenis is.’ In mijn volgende boek, The Exterminating Empire, laat ik zien dat dergelijke psychologische projectie een fundamenteel onderdeel is van het imperialisme als geheel. Dat lijken we ook terug te zien bij de heer Klei, die het voor elkaar krijgt om mij van ideologische geschiedschrijving te beschuldigen zonder ook maar op één inhoudelijk argument in te gaan of één concreet feit te betwisten.
Een derde van de toch al korte recensie bestaat uit irrelevante anekdotes over andere schrijvers, in een onsmakelijke poging mij weg te zetten als een soort religieuze fanaat. Voor de rest zijn het vooral autoriteitsargumenten, die ook nog eens speculatief zijn. “Zijn er andere historici benaderd voor een positieve recensie, die ze weigerden te geven?,” zo schrijft Klei, nadat hij moest toegeven dat een van de vele positieve recensies over De Grote Koloniale Oorlog kwam van een professor koloniale geschiedenis, met een specialisatie die duidelijk beter aansluit op de materie van het boek dan die van Klei zelf.
Het voelt vreemd om jezelf te bewieroken, maar gezien Klei zijn aanval specifiek op autoriteit gronden voert is het toch goed om even te benoemen wie van ons werkelijk op stevige grond staat. Mijn eerdere boek over de recente geschiedenis van Oekraïne kreeg ook lovende recensies, door Poolse, Oekraïense, Indiase, Britse en Amerikaanse top-academici en beleidsmakers, waaronder de wijlen, grote Stephen Cohen, die een van de leidende historici in de wereld was op het gebied van de Sovjet-Unie en de Koude Oorlog.
Mijn aanstaande boek, dat deze zomer wordt gepubliceerd door Monthly Review Press en veel raakvlakken heeft met De Grote Koloniale Oorlog, is gebaseerd op een scriptie waarvoor ik een 9,9/10 kreeg, beoordeeld door een tribunaal van top-academici in het veld – Jason Hickel, Max Ajl en Kai Heron – met talloze publicaties op hun naam over kolonialisme en kapitalisme. Vijay Prashad, een van de leidende historici in de wereld op het gebied van marxisme en dekolonisatie, schreef afgelopen maand nog een lovend profiel over mijn werk in Jacobin International.
Ik weiger te stellen dat alleen deze wetenschappers de poorten van de kennis bewaken en de enige autoriteiten zijn. Ik citeer daarom bewust ook figuren als Mandela, die werkelijk geschiedenis schrijven, niet vanaf de salontafel. Maar ik wil in de context van de misplaatste aantijgingen benadrukken dat ook top-academici – met de relevante expertise, in tegenstelling tot Klei – de kwaliteit van mijn werk onderschrijven. Het getuigt daarom van nogal wat Chutzpah om mij hier voornamelijk op autoriteitsgronden aan te vallen.
Klei beklaagt zich verder dat het boek geen literatuurlijst heeft en daarom ‘weinig transparant’ zou zijn. Dat is natuurlijk flauwekul. Elk feit in het boek wordt gestaafd met een eindnoot en referenties, die een minder luie recensent gewoon kan opzoeken. Het zijn er nota bene meer dan 1350, alleen al in deel twee. Als er iets niet klopt – dat kan natuurlijk gebeuren, niemand is vlekkeloos – wees concreet en benoem het, dan kunnen we een zinnige discussie voeren. Het spreekt boekdelen over de kwaliteit van het werk dat Klei niet eens één fout kon vinden in zo’n groot overzichtswerk. Juist omdat het boek zo veel referenties heeft – de noten beslaan ruim een kwart van de pagina’s – was een enorme literatuurlijst daar nog achteraan budgettair en praktisch niet realistisch voor een boek met een breed leespubliek. De uitgever stelde oorspronkelijk zelfs voor om de noten online te zetten.
Dat Klei het nodig vindt om terug te vallen op klassieke drogredeneringen, toont vooral een intellectuele armoede, een onkunde om op basis van feiten en argumenten de discussie te voeren. Zelfs de ad-hominem argumentatie van Klei ontmaskert een totaal gebrek aan kennis over de materie die hij behandelt. Afgelopen maand nog vroeg Klei me voor een interview of De Vonk, waarvan ik lijsttrekker ben, een trotskistische partij is. Nu lijkt hij, zonder enige onderbouwing, te hebben besloten dat ik marxist-leninist ben. Weet Klei überhaupt dat dit twee verschillende stromingen zijn die elkaar nauwelijks kunnen dulden? Ik ben geen van beiden en laat me niet in een sektarisch kamp scharen. Ik kreeg mede daarom ook kritiek vanuit beide kampen.
Juist omdat mijn boek alles en iedereen bekritiseert – ja, ook de Sovjet-Unie – komen aanvallen vaak van recensenten die de kritiek op hun eigen ideologische positie niet kunnen waarderen. De marxist-leninisten van Manifest vonden dat het boek zich te veel op “burgerlijke bronnen” baseerde – de gangbare academische literatuur over de Sovjet-Unie – en daarom te kritisch was op de Sovjet-Unie (in tegenstelling tot Klei was deze recensent echter nog wel in staat om de rest van het boek, dat immers veel breder over kolonialisme gaat, normaal te recenseren). De Trotskisten van Socialisme.nu, vonden het juist niet kritisch genoeg en waren boos dat hun theorie over het ‘staatskapitalisme’ van de Sovjet-Unie niet werd bevestigd. Ewout Klei, een zelfverklaard liberaal, is eveneens boos omdat ik de gemeenschappelijke koloniale wortels van het liberalisme en het fascisme benoem. Uit de eerdere recensie van Klei – die ik hier fileer – werd ook duidelijk dat Klei zelf niet bekend lijkt te zijn met de academische historiografie over de Sovjet-Unie, het onderwerp waar hij zich zo over opwind. Elke beschuldiging, een bekentenis.
Alle geschiedenis is activisme
De meest fanatieke ideologen en hoeders van de macht zijn vaak degenen die zich er volledig van vrij wanen en leven in een mythe van objectieve verhevenheid. Frederike Geerdink schreef hierover al het boekje Alle Journalistiek is Activisme. Voor de geschiedschrijving is dat niet anders.
Klei suggereert dat mijn “terechte punten” over Amerikaans imperialisme “helemaal ondergesneeuwd” raken door ideologische bespiegelingen. Maar het overgrote deel van De Grote Koloniale Oorlog: Deel Twee gaat juist wél over die misdaden van het Westen, deze ‘terechte punten’ beslaan vrijwel het hele boek. Maar bijna geen woord daarover in zijn recensie.
Wist je bijvoorbeeld dat bijna een derde van het boek over de opkomst van het zionisme gaat? Je zou het zo gemist kunnen hebben, want Klei noemt het hele onderwerp in slechts twee zinnen. Bijna alle andere hoofdstukken, van Indonesië tot Latijns-Amerika, krijgen hooguit een paar woorden, als niet minder. De inhoud van het boek behandelt hij niet of nauwelijks. In plaats daarvan gaat vrijwel de hele recensie over een zelf verzonnen karikatuur, zodat hij als een Don Quichot tegen windmolens kan vechten.
De specifieke beschuldigingen berusten dan ook enkel op krachttermen, zonder deze te onderbouwen of überhaupt mijn posities eerlijk weer te geven. Neem de dodelijke hongersnood in Sovjet Oekraïne, Zuid-Rusland en Kazachstan. Daar neem ik een nogal conventioneel standpunt in – dat de hongersnood wél veroorzaakt is door het Sovjet leiderschap, maar niet doelbewust – volledig in lijn met de belangrijkste historische specialisten op het onderwerp, die Klei volledig negeert omdat de feiten hem niet uitkomen (zelfs nadat ik hem daar vorige keer al op wees).
Wat betreft Cambodja schrijf ik letterlijk niet één positief woord over de Khmer Rouge, maar wijs ik op de uitvoerige Amerikaanse steun aan hen na de massamoorden. Ook benoem ik het feit dat de Khmer een marginale beweging was totdat de Verenigde Staten het land tot de grond gelijk bombardeerden en dat zij in vergelijkbare aantallen Cambodjanen hebben uitgemoord als hun latere bondgenoten van de Khmer. Het waren vervolgens de socialistische Vietnamezen die het land bevrijdden van deze moorddadige beweging. Dat zijn gewoon feiten en heeft niets met ‘bagatellisering’ te maken of het ‘in de schoenen schuiven van het westen’.
Over Afghanistan beschrijf ik de Sovjetinvasie wel degelijk als gewelddadig, maar plaats ik die in de context van de proxy-oorlog die de VS daar voerden en die later tot de Taliban en Al Qaida zou leiden. De verantwoordelijke Amerikaanse diplomaat, Zbigniew Brzezinski, erkende dat in de jaren negentig nog openlijk en zonder gêne. Of schuift ook Brezinski dan alles “in de schoenen van het westen”? Zijn eigen schoenen, welteverstaan. Dit is geen goed praten, maar contextualiseren – een essentieel onderdeel van historisch begrip.
Klei beweert dat ik de Communistische Partij van Nederland (CPN) ‘uitvoerig’ behandel zonder de belangrijkste werken daarover te citeren. Dat is onzin. Het hoofdstuk waar hij naar refereert, gaat vooral over de onderdrukking van de CPN, niet over de interne partijdynamieken. Wat betreft die onderdrukking is Jos van Dijk de meest relevante specialist. Hij schreef er recent meerdere boeken over op basis van nieuw beschikbare documenten, waaruit ik uitvoerig citeer. Bovendien plaats ik die onderdrukking vooral in de bredere, wereldwijde context van kolonialisme – het onderwerp van het boek – waarbij de CPN duidelijk de enige grote Nederlandse parlementaire partij was die zich (relatief) consistent aan de kant van de dekolonisatie-beweging schaarde. Ik benoem verder dat ze blind loyaal waren aan de Sovjet-Unie en de invasie van Hongarije steunden, wat ongetwijfeld de meeste kritiek oproept richting de CPN. Een uitvoerige behandeling van de interne partij-strubbelingen is volstrekt irrelevant voor het bredere, mondiale verhaal dat mijn boek behandelt.
Kleis verwijt dat ik de “wrede onderdrukking van Oost-Europa” tussen 1945 en 1991 te weinig zou benoemen, mist het punt van mijn boek. In een wereldwijde context schaarde de Sovjet-Unie zich over het algemeen pal achter de dekolonisatie beweging, terwijl de Verenigde Staten en hun NAVO-bondgenoten de hoeders werden van de koloniale wereldorde. Dat vonden niet alleen communisten, maar ook gematigde anti-koloniale leiders zoals de Indiase premier Jawaharlal Nehru.
Is het dan gek dat een boek over kolonialisme en de Koude Oorlog meer aandacht besteedt aan de tientallen miljoenen doden die het Westen veroorzaakte in het mondiale zuiden, dan aan de duizenden doden door onderdrukking in Oost-Europa (die verder wel degelijk worden behandeld, zij het minder uitgebreid)? Of wil Klei toch graag dat ik disproportioneel veel aandacht geef aan witte slachtoffers in een boek over dekolonisatie? Dezelfde slachtoffers die nota bene als boeman werden uitvergroot om massamoorden in het Mondiale Zuiden te rechtvaardigen.
De houding van Klei is in deze zin niet anders dan de obsessieve aandacht van westerse kranten in 2023-2024 voor Israëlische slachtoffers van 7 oktober, terwijl een heel volk, in naam van diezelfde slachtoffers, werd uitgemoord. Het is in deze context logisch dat ik kanttekeningen plaats bij de oprechtheid van de ‘Hongaarse Furie’ in Nederland, als dezelfde krachten veel grotere bloedbaden in Indonesië faciliteerden en zich achter het fascistische koloniale regime van Portugal en apartheid-Zuid-Afrika schaarden. Deze en vele andere koloniale bloedbaden en regimes werden expliciet in anticommunistische termen verdedigd. Het is daarmee onmogelijk om een goed boek over deze periode te schrijven zonder die anticommunistische propaganda te nuanceren.
Maar deze trilogie gaat daar niet zozeer over. De Grote Koloniale Oorlog legt vooral een spiegel voor aan onze eigen samenleving, aan de heersende klasse, aan de liberalen. De hand in eigen boezem, in plaats van veilig vanaf de zijlijn te wijzen op de misdaden van regimes ver weg, waar wij zelf niet of nauwelijks impact op hebben. Klei vraagt retorisch of zijn kritiek “goedkoop intellectueel gezeur” is “van een laffe, liberale leunstoelhistoricus die vasthoudt aan de status quo?” Het antwoord is ja. Behalve dat er weinig intellectueel is aan het inhoudsloze geschrijf van Klei.
